Enschede

Enschede (3)Afbeelding 1: Rechts het pakhuis van de firma Van Heek & Co aan de Noorderhagen te Enschede, in 1892 ontworpen door Gerrit Beltman. Links de spinnerij met toren, in 1897 ontworpen door Sidney Stott. 

Meer dan een eeuw lang was Twente de belangrijkste textielregio van Nederland, waarvan Enschede het hart vormde. Het is ook in deze stad dat tegenwoordig nog het meeste industrieel erfgoed te vinden is dat herinnert aan de glorietijd van deze sector. Dat juist Twente zo sterk kon uitgroeien in vergelijking met textielindustrie in het zuiden des lands (Tilburg, Eindhoven, Geldrop en Helmond) had de streek de danken aan haar specialisatie in de productie van katoenen stoffen en de export daarvan naar het toenmalige Nederlands-Indië. De oorsprong van deze handel viel samen met het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815, toen de dynamische koning Willem I zocht naar mogelijkheden om zowel het zuiden (het huidige België) als het noorden (het huidige Nederland) te laten profiteren van de kolonie in ‘De Oost’. Fabricage van bedrukte katoenen stoffen in het reeds geïndustrialiseerde zuiden en transport hiervan door reders uit het noorden kwam hiervoor in aanmerking, aangezien het hier om een product ging dat erg gewild was bij de Indiërs. Textielondernemers in Gent die hun fabrieken naar Engels model hadden ingericht vervaardigden de stoffen, die in Leiden bedrukt werden met oosterse dessins en via de haven van Amsterdam het land tenslotte verlieten. Dat alles rijkelijk voorgefinancierd en/of gesubsidieerd door de Nederlandse Handel Maatschappij (NHM). De afscheiding van België haalde een lelijke streep door dit business model en bracht de NHM aan de rand van de afgrond. Die organisatie ging naarstig op zoek naar nieuwe textielleveranciers en kwam daarbij uit in Twente, waar al enkele eeuwen een uitgebreide nijverheid van thuiswevers bestond waarvan de producten door zogenaamde fabrikeurs op de Hollandse markten verkocht werden. Dat waren hoofdzakelijk linnen weefsels, waarvoor de garens ook werden gesponnen uit vlas van Twentse bodem. Hoewel er ervaring bestond met de verwerking van katoengarens tot bombazijn, was het de NHM wel duidelijk dat buitenlandse kennis nodig was om tot een industrie te komen die katoenen stoffen van de gewenste kwaliteit zou kunnen voortbrengen. Gezien de grote voorsprong op dit gebied in Engeland lag het voor de hand om deze hier vandaan te halen en het was Thomas Ainsworth die deze pioniersrol op zich nam. Hij stichtte een weefschool in Goor en bouwde een fabriek in Nijverdal, maar door zijn vroegtijdige dood is hij niet meer aan de introductie van stoomkracht toegekomen. Die mijlpaal vond plaats toen de gebroeders Salomonson in 1853 hun stoomweverij in Nijverdal openden. Een stoomspinnerij was er al eerder, namelijk die van Herman Hofkens in Almelo, hoewel het daar geproduceerde katoengaren nog lang van inferieure kwaliteit bleef. Toch was het deze plaats in Twente waar de meeste katoentjes voor de NHM werden geproduceerde, maar dan voornamelijk op basis van geïmporteerd garen. De verschuiving van het zwaartepunt van de Twentse textielindustrie van Almelo naar Enschede wordt over het algemeen toegeschreven aan de grote brand die in 1862 het centrum van laatstgenoemde plaats in as legde en daarmee ruimte schiep voor grote, moderne fabrieken. Dit zal zeker een rol gespeeld hebben, maar minstens zo belangrijk was de aanleg van een spoorlijn die Enschede vanaf 1866 verbond met het westen des lands en vanaf 1868 met Duitsland. Wat transport betreft had Almelo tot dan toe een voordeel gehad door haar ligging aan het Overijssels kanaal, maar dankzij de nieuwe spoorlijn konden de textielfabrikanten nu goedkoper steenkool uit Duitsland (Ibbenbüren) en eindproducten naar de Hollandse havens laten vervoeren.Enschede (2)Afbeelding 2: De toren met het waterreservoir van het textielcomplex van de firma Gerhard Jannink & Zonen, in 1900 ontworpen door Sidney Stott.

De hoogtijdagen van de Enschedese textielindustrie zijn onlosmakelijk verbonden met familienamen als Van Heek, Jannink, Scholten, Ter Kuile, Menko, Blijdenstein en Stroink. Van doopsgezinde huize waren hun voorvaderen al in de zeventiende en achttiende eeuw actief als fabrikeur, waarna deze families vanaf halverwege de negentiende eeuw succesvolle fabrikanten voortbrachten. Van de eerste generatie fabrieken resteert vandaag de dag niets meer omdat zij rond de eeuwwisseling plaats moesten maken voor grote geïntegreerde industriecomplexen met spinnerijen, weverijen, wasserijen en ververijen. Het zijn met name enkele spinnerijen en opslaggebouwen die hiervan behouden zijn gebleven, omdat de lage weverijgebouwen met hun sheddaken een veel groter ruimtebeslag hadden en daardoor na de teloorgang van de jaren zestig en zeventig onder de slopershamer gingen om plaats te maken voor woningbouw. De spinnerijen waren door hun hoogbouw efficiënter in hergebruik en hebben door hun zogenaamde Lancashire architectuurstijl een aantrekkelijkere uitstraling. Het is binnen Nederland enkel in Enschede dat men nog voorbeelden aantreft van deze stijl, die zich vooral kenmerkt door sierlijke spinnerijtorens. Deze dienden voor stofafvoer en herbergden een reservoir onder hun bekroning waar vandaan water door de sprinklerleidingen stroomde om de luchtvochtigheid onder controle te houden. De uit het Engelse Oldham afkomstige architect Sidney Stott introduceerde dit fabriekstype op het Europese vaste land en de drie spinnerijgebouwen die in Enschede nog resteren zijn naar zijn ontwerp gebouwd. Bestaande uit betegelde verdiepingsvloeren op ijzeren kolommen betekende zijn constructieprincipe een sterke vooruitgang op het gebied van de brandveiligheid. Aangezien alleen al Enschede gedurende de negentiende eeuw door een tiental spinnerijbranden geteisterd was, waren de textielondernemers geïnteresseerd in deze innovatie. Als grootste textielproducent van de stad beet de firma van Heek & Co het spits af en liet in 1897 net buiten het centrum het complex Rigtersbleek met een capaciteit van 15.000 spindels en 600 weefgetouwen door Stott ontwerpen. Dat het vertrouwen in dit nieuwe concept groot was blijkt wel uit het feit dat nog voor aanvang van de bouw een tweede spinnerij in ontwerp werd gegeven, dit keer goed voor 20.000 spindels en gelegen aan de Noorderhagen langs de spoorlijn naar Gronau. Concurrent G. Jannink & Co volgde in 1900 met de aanbesteding van een complex voor 30.000 spindels en 567 weefgetouwen langs de spoorlijn naar Ahaus. Het complex Rigtersbleek werd gesloopt in 1990, maar beide andere spinnerijen bleven behouden en zijn omgebouwd tot appartementencomplex. Na deze forse uitbreiding van de spincapaciteit in Enschede bleef het er even rustig aan het bouwfront, maar deze nieuwe ontwikkeling was elders in Twente niet onopgemerkt gebleven. In 1903 tekende Sidney Stott in opdracht van de Nederlandsche Katoenspinnerij te Hengelo een spinnerij voor 8000 spindels en in 1908 een voor Gelderman in Oldenzaal met een capaciteit van 16.000 spindels (gesloopt in resp. 1995 en 1980). In 1911 tenslotte werd er voor de laatste keer een beroep op zijn expertise gedaan door de Van Heeks ten behoeve van de spinnerij Oosterveld, gelegen ten zuiden van het Rigtersbleekcomplex en uitgerust met 25.000 spindels. Na beëindiging van de productie in 1967 bleef deze fabriek behouden en werd in 2006 geschikt gemaakt als bedrijfsverzamelgebouw.Enschede (4)Afbeelding 3: Het voormalige balengebouw met sprinklertoren van spinnerij Bamshoeve, gebouwd naar ontwerp van Gerrit Beltman in 1907. Na de vuurwerkramp van 2000, die de wijk Roombeek gedeeltelijk verwoestte, werd het gebouw hersteld en in combinatie met moderne toevoegingen voorbestemd om de collectie van kunstenaar Jan Cremer te tonen. Door onenigheid met Cremer is dit museum nog altijd niet gerealiseerd. 

Mocht uit het voorgaande de indruk zijn ontstaan dat Stott in Twente geen concurrentie had, dan is dit onjuist. In 1870 had aannemer Gerrit Beltman zich in Enschede gevestigd en was zich vanaf 1875 gaan toeleggen op de bouw van textielfabrieken. Tussen 1883 en 1906 maakte hij als architect-entrepreneur ruim 350 ontwerpen en investeerde ook zelf in nieuwe fabrieken. Voorbeelden daarvan in Enschede en omgeving die behouden zijn gebleven zijn de stoomblekerij van Van Heek & Co in Boekelo uit 1888 (die nu een woonfunctie heeft), de spinnerij van Gerrit van Delden in Gronau uit 1891 (hergebruikt als Innovationszentrum Gronau), het pakhuis aan de Noorderhagen in Enschede voor de firma Van Heek & Co uit 1892 (thans appartementencomplex) en het balengebouw met sprinklertoren van de spinnerij Bamshoeve voor de firma Blijdenstein & Co uit 1907 (zal in de toekomst onderdak gaan bieden aan het Jan Cremer museum). In 1911 nam zoon Arent Beltman de leiding over van het architectenbureau. Deze had zich gespecialiseerd in constructies van gewapend beton. Waren voorheen de muren nog dragend, in de ontwerpen van Arent Beltman werd de dragende functie overgenomen door het betonskelet, dat opgevuld werd met baksteen en glas. Aanvankelijk was het beton namelijk nog volledig omhuld geweest met een bakstenen gevel. Na 1914 versoberde zijn stijl en werden functionele en constructieve elementen meer in het zicht gelaten. De betonnen kolommen en liggers geleden het gebouw als een soort vakwerkconstructie. Door het licht geschilderde skelet en de grote ramen oogden deze fabrieken minder massief dan de Lancashire-fabrieken met hun dragende muren en kleinere vensters. De betonnen torens bleven door hun bekroning met tandlijsten en kantelen fungeren als blikvanger en droegen in deze periode ook dikwijls de naam van de firma.  Volgens dit concept zijn in Twente drie spinnerijen gebouwd: die van de firma Menko uit 1912 op het Enschedese complex Roombeek, de Stoomspinnerij Twenthe te Almelo uit 1914 en van L. van Heek & Zn. te Losser uit 1926. Laatstgenoemde, waarin Van Heek Textiles nog steeds produceert, was destijds de laatste nieuwbouw textielfabriek van Twente.Enschede (1)Afbeelding 4: Magazijn met sprinklertoren van spinnerij Menko, volgens ontwerp van Arent Beltman opgetrokken in betonskeletbouw in 1912. Tegenwoordig huisvest de benedenverdieping een basisschool en hebben de overige etages een woonfunctie.