La Louvière

La Louviere (1)Afbeelding 1: Op het mijncomplex van Bois du Luc werden de toegangen naar de bedrijfsgebouwen van schacht Saint-Emmanuel in 1896 voorzien van zogenaamde ‘guillotine-poorten’. Deze stalen schuiven konden bij arbeidsoproer snel neergelaten worden ter bescherming tegen plundering.

Van de vier Waalse steenkolenbekkens – het Luikse, het Pays Noir, de Borinage en Centre – is laatstgenoemde waarschijnlijk het minst bekend. Dat ze geen grote stad heeft die er historisch gezien het hart van vormt – zoals Luik, Charleroi en Mons – zal daar zeker toe bijdragen. In feite heeft Le Centre met de stad La Louvière wel een kern, maar vreemd genoeg heeft La Louvière zelf geen centrum en daarmee nauwelijks een identiteit. Het is een ‘Ville Champignon’ zoals dat in het Franse taalgebied genoemd wordt. Het betekent dat zo’n stad in het verleden als een kring van zwammen uit de grond geschoten is, om pas later min of meer een eenheid te gaan vormen, hoewel ze geheel en al uit buitenwijken is blijven bestaan. In dit geval gaat het om Saint-Vaast, La Louvière, Trivières, Houdeng-Aimeries, Houdeng-Goegnies, Strépies-Bacquegnies, Maurage, Boussoit, Haine-Saint-Pierre, Haines-Saint-Paul en Besonrieux. Bestuurlijk gezien stond het gebied vanaf de middeleeuwen onder invloed van de heren van Saint-Vaast. Maar toen de andere dorpen in de negentiende eeuw door de steenkolenwinning, en de daarmee verbonden industrie snel gingen groeien, verschoof het zwaartepunt naar La Louvière, dat zich in 1869 als zelfstandige gemeente afsplitste en overigens pas in 1985 haar stedelijke status verwierf.

Wellicht dat het Canal du Centre, en dan met name de scheepsliften die er onderdeel van uitmaken, het enige is waarmee de streek zich nog weet te profileren, nu steenkool en staal alweer lang verleden tijd zijn. Het vormt de verbinding tussen het Kanaal Brussel-Charleroi bij Seneffe en het Kanaal Nimy-Péronnes bij Mons, en daarmee een schakel in de binnenvaartroute tussen de Schelde en de Maas. De steenkolen die men in de mijnen van de Borinage, Centre en het Pays Noir naar boven haalde werden via deze kanalen afgevoerd, om uiteindelijke bij de fabrieken en huishoudens in heel België terecht te komen. Het behield deze belangrijke rol na de aanleg van de spoorwegen, omdat de vervoerskosten van een bulkproduct als steenkool per binnenvaartschip veel lager waren dan per goederentrein. Het overwinnen van het hoogteverschil van bijna negentig meter tussen Seneffe en Nimy vormde bij de aanleg een technische uitdaging. Omdat tientallen sluizen voor teveel oponthoud zouden zorgen, brachten de ingenieurs dit aantal sterk terug door vier scheepsliften te ontwerpen die ieder een hoogteverschil van zeventien meter overbruggen. De uitvoering van dit project was in 1917 gereed en de afmetingen waren afgestemd op het moderne binnenvaartschip van die tijd, de spits van driehonderdvijftig ton. Een halve eeuw later begon dat te knellen en bouwde men bij Strépy-Thieu een scheepslift die schepen van een viervoudig tonnage in één keer over een hoogteverschil van drieënzeventig meter heen tilt, en dat met twee bakken tegelijk. Geplaagd door kostenoverschrijdingen kwam het bouwwerk pas in 2002 gereed en is sindsdien al van verre de blikvanger van de regio. De vier verouderde scheepsliften kregen een plaats op de werelderfgoedlijst van de UNESCO en staan alleen nog ten dienste van de pleziervaart. Slechts enkele kilometers er vandaan bevindt zich het mijnbouwcomplex van Bois-du-Luc, waarvan de geschiedenis in deze reportage zal worden besproken.La Louviere (2)Afbeelding 2: Steendruk uit 1854 van schacht Saint-Emmanuel (voorgrond) en cité Bosquet-Ville (achtergrond).

Met oprichtingsjaar 1685 was de Société du Grand Conduit et du Charbonnage de Houdeng één van de eerst bekende mijnbouwondernemingen van België. De statuten werden in dat jaar weliswaar in Mons (Bergen) ondertekend, het werkgebied van de nieuwe onderneming lag in Houdeng-Aimeries, dat tegenwoordig onderdeel is van La Louvière. Het grootste probleem bij de steenkolenwinning in dit gebied vormde het grondwater, dat de maximale schachtdiepte lange tijd tot vijftig meter beperkte. De Société du Grand Conduit had daarom een plan ontwikkeld om het water via een pijpleiding (‘conduit’) bestaande uit holle boomstammen af te voeren naar het lager gelegen dal van het riviertje de Thiriau. De werkzaamheden begonnen een jaar later en strekten zich uit over een lengte van twee kilometer, waarbij het buizenstelsel een verval van zestig meter kreeg. Houten buizen werden eveneens gebruikt voor de beluchting van de schachten, die namen droegen als Sainte-Barbe, Estrefagne, d’Enbas, du Petit Bois etc. In 1698 werd de gewonnen steenkool reeds in vijftig dorpen en steden verkocht, zodat de onderneming het plan opvatte voor een tweede buizenstelsel. Door oorlogsomstandigheden liet de uitvoering lang op zich wachten en zou uiteindelijk ook veel meer tijd kosten: van 1727 tot 1745. Toen de uitvinding van de stoommachine in Engeland het mogelijk bleek te maken om de schachten nog dieper te graven, was het de Société du Grand Conduit die er al vroeg een liet plaatsen. Vanaf 1779 stelde een dergelijke ‘vuurmachine’ naar ontwerp van Thomas Newcomen de onderneming in staat om steenkool te winnen op een diepte van honderdtwaalf meter. In de daaropvolgende decennia bleef men dankzij verdere modernisering vooroplopen, zoals met de invoering van de veel efficiëntere stoommachine van James Watt, een liftkooisysteem en in 1830 de aanleg van een spoorwegnet tussen de schachten en het Canal de Mons, hoewel de kolenwagentjes aanvankelijk nog door paarden getrokken werden. De eerste stoomlocomotief deed zijn intrede in 1842 en uiteindelijk zouden er een vijftiental in bedrijf zijn, allemaal gebouwd door het nabijgelegen Forges Usines et Fonderies Haine-Saint-Pierre. In 1846 werd op de linkeroever van de Thiriau schacht Saint-Emmanuel in gebruik genomen, waaromheen een complex ontstond dat tot op de dag van vandaag behouden is gebleven, maar bekend staat onder de naam ‘Bois-du-Luc’. Het is vooral de cité ouvrière (arbeiderskolonie), die hier deel van uitmaakt, waardoor het geheel uit industrieel-historisch oogpunt een bijzonder karakter heeft.La Louviere (3)Afbeelding 3: Luchtopname van het mijnbouwcomplex Bois-du-Luc met de cité (1), jongensschool en bibliotheek (2), schacht Saint-Emmanuel (3), directeursvilla (4), noord/zuid-as (5), winkelplein (6), slachterij met koelhuis (7), ingenieurswoningen (8), kerk Sainte-Barbe (9), opzichterwoningen (10), apotheek (11), meisjesschool (12), ingenieurswoningen (13), directeurswoning (14), gezellenhuis (15), ziekenhuis (16), park met muziektent (17), kantoren (18), werkplaatsen (19) en voorraadschuur (20). Op de voorgrond de spoorlijn La Louvière-Mons.

Deze mijnwerkerswijk, officieel Bosquet-Ville geheten, kwam tot stand tussen 1838 en 1853 en telde honderdtweeënzestig woningen. Het trapeziumvormige grondplan was ingegeven door wens om zoveel mogelijk woningen te creëren op het smalle stuk grond tussen schacht Saint-Emmanuel en het rivierbed van de Thiriau. Twee kruisende assen verdeelden de wijk in vier gesloten blokken, waarbinnen de tuinen van de bewoners gesitueerd waren. De vier straten hiertussen zijn genoemd naar zonnestanden die de dagindeling bepaalden: Rue du Levant (zonsopkomst, oost), Rue du Midi (zuid), Rue du Couchant (zonsondergang, west) en Rue du Nord. Oorspronkelijk bestonden de woningen uit twee leefruimtes op de begane grond met betegelde vloer, twee kelders, een hooizolder, een tuin met privaat en een varkenshok. Pas in 1880 kregen de huizen hun huidige gedaante door ophoging met een extra etage bestaande uit twee kamers. Individuele keukens, tegen de achterzijde van de woning geplaatst, lieten tot 1916 op zich wachten. Tot die tijd moesten de bewoners zich voor de voedselbereiding behelpen met één gezamenlijke oven voor zeven huishoudens. Al in 1849 kreeg het wooncomplex voor het eerst de kenmerkend okergele kleur die het ook tegenwoordig nog heeft. Het waren destijds hygiënische overwegingen die tot de keuze van deze muurverf leidden. Het idee voor Bosquet-Ville was ongetwijfeld geïnspireerd op Le Grand Hornu, een steenkolenmijn met een cité ouvrière die tussen 1816 en 1831 gebouwd is in Boussu nabij Mons door Henri de Gorge. Maar terwijl er na oplevering aan Le Grand Hornu nauwelijks iets veranderd is, onderging Bois-du-Luc nog tal van wijzigingen om het complex te verbeteren en aan de eisen der tijd aan te passen. Zo kwamen er winkels, een café, school, gezellenhuis en na de eeuwwisseling ook een park met muziektent, kerk (1905), ziekenhuis (1909), bibliotheek (1921) en feestzaal (1923). Het was de eerste cité in België die van elektrisch licht en stromend water was voorzien en waar de werknemers een beroep konden doen op een ziekenkas en spaarregeling.

Het toezicht op de arbeidersgemeenschap was in handen van een beheerder die vanaf 1844 zijn eigen woning had, van waaruit hij de noord/zuid-as van het complex in de gaten kon houden. In datzelfde jaar was de directeursvilla gereed gekomen, gesitueerd naast de gebouwen van schacht Saint-Emmanuel en precies in het verlengde van diezelfde noord/zuid-as van de cité, zodat ook vandaaruit een oogje in het zeil gehouden kon worden. Dat kon niet voorkomen dat af en toe de situatie toch uit de hand liep, zoals in 1893 toen de arbeiders van Bois-du-Luc zich aansloten bij landelijke protesten voor algemeen kiesrecht. De mijndirectie besloot daarop om de toegangen naar de schachtgebouwen en werkplaatsen te voorzien van guillotine-poorten. Deze stalen schuiven konden snel worden neergelaten en boden een veel betere bescherming tegen een roerige meute dan traditionele poortdeuren. De ronde toren met spits waarin het hefmechanisme was ondergebracht doet enigszins denken aan een middeleeuwse kasteelpoort en was dan ook bedoeld om te imponeren. Opzichters en ingenieurs woonden in ruime huizen ten noorden van de cité en in 1916 verrees daar ook een tweede directeursvilla. Wat architectuur betreft overheersen er twee bouwstijlen. Cité, schachtgebouwen en werkplaatsen zijn opgetrokken in neoclassicistische stijl, die halverwege de negentiende eeuw in zwang was. De kerk, het gezellenhuis, ziekenhuis, elektriciteitscentrale en guillotinepoorten hebben overwegend eclectische kenmerken, de bouwstijl die vanaf het einde van die eeuw opgang maakte.La Louviere (5)Afbeelding 4: Het centrale kruispunt van de cité, waaraan het café, de feestzaal en de winkels gelegen waren.

Schacht Saint-Emmanuel onderging in de loop van haar bestaan tal van moderniseringen, zoals de invoering van een ventilatiesysteem, persluchtgereedschap en elektrische verlichting. Dit kon overigens niet voorkomen dat zich ook hier wel eens een ernstig ongeluk voordeed, zoals in 1894 toen een liftbak met vijftien personen in de driehonderdvijftig meter diepe schacht stortte en daarbij negen doden vielen.  Veel later dan andere mijnbouwondernemingen liet de directie het bedrijf omvormen tot een naamloze vennootschappen (société anonyme, 1936). In die tijd was een nieuwe generatie steenkolenmijnen in het Kempische Bekken operationeel geworden, waarmee de Waalse bedrijven moeilijke concurreren konden. Desondanks wist Bois-du-Luc het tot 1973 vol te houden. In dat jaar sloot ze haar laatste schacht, Le Quesnoi. Schacht Saint-Emmanuel was reeds in 1959 dicht gegaan, in de eerste ronde van sluitingen die op gezag van de pas opgerichte Gemeenschap van Kolen en Staal plaats vond.

Sindsdien bleef de tijd er stilstaan en dat is ook de indruk die bezoekers krijgen in het huidige ‘écomusée’, aangezien een groot deel van installaties behouden is gebleven. Dit is te danken aan een groep vrijwilligers die zich al in de jaren zeventig hard maakte voor conservering van het complex en openstelling voor het publiek. Initiatiefnemer was een geestelijke van de naburige abdij die met haar participatie in de Société du Grand Conduit bijna driehonderd jaar daarvoor aan de basis had gestaan van de steenkolenmijn. Nadat de overheid in 1979 ging deelnemen, kwam in Bois-du-Luc het eerste ecomuseum van België van de grond. Dit concept is oorspronkelijk in Frankrijk ontwikkeld en is gericht op de identiteit van een plaats, grotendeels op basis van lokale participatie en gericht op het welzijn van die gemeenschap. Uiteraard ging het wat dat laatste betreft in geval van Bois-du-Luc vooral om de cité, aangezien deze nog steeds bewoond wordt.

Voor de kolenwasserij en cokesfabriek kwam de redding te laat, maar de schachtgebouwen met hun machines zijn intact gebleven en te bezichtigen. Naast het ophaalgebouw met schachtbok gaat het daarbij om het pomphuis, ventilatorgebouw, lampisterie en de badzalen. Het streven naar autarkie van de mijnbouwonderneming hield ook in dat ze de Saint-Emmanuel uitrustte met een smederij, gieterij, mechanische werkplaats, machinebankwerkerij en timmerwerkplaats waar in principe alle reparaties en onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd konden worden. Deze ‘ateliers’, met hun complete inventaris aan machines en gereedschappen, omsluiten een grote binnenhof, waaraan ook de kantoorgebouwen gelegen zijn. Hierin bevinden zich nog de oorspronkelijke loonhal, directiekamer en telefooncentrale. De museumcollectie die er tegenwoordig getoond wordt bevat ook nog een uitgeholde boomstam die eens onderdeel vormde van het zeventiende-eeuwse waterafvoersysteem.La Louviere (6)Afbeelding 5: De werkplaatsen van Bois-du-Luc ondergingen een eeuw lang maar weinig verandering en zijn nog vrijwel in hun originele staat te bezichtigen.

Nadat het vak van mijnwerker in Le Centre generatieslang van vader op zoon was overgegaan, kwam hier aan het einde van de negentiende eeuw verandering in. Door de beschikbaarheid van goedkope steenkool als brandstof was er een omvangrijke industrie van hoogovens en staal-, aardewerk- en glasfabrieken ontstaan, waar het aantrekkelijker werken was dan ondergronds. Faïencerie Boch, staalfabriek Boël, locomotiefbouwers Franco-Belge en Goldschmidt, Usines Boulonnerie et Tirage La Louvière, de hoogovens van Les Ateliers Cambier, de tegelfabriek Carrelages en enkele glasfabrieken in Manage. Men spreekt ook wel van l’exode de fils, de ‘uittocht van de zonen’, die niet meer in de steenkolenmijnen gingen werken maar in de fabrieken. Hun plaats werd ingenomen door Vlamingen en na de oorlog door Italianen, Joegoslaven, Marokkanen en Turken, waardoor de samenstelling van de bevolking sterk veranderde.

De Usines Gustave Boël (UGB) groeiden uit tot de belangrijkste werkgever van La Louvière en zijn staalarbeiders werden in de volksmond metallo’s genoemd. Het bedrijf kwam voort uit de Fonderies et Laminoirs (gieterijen en walserijen) die Ernest Boucquéau in 1853 aan het kanaal Brussel-Charleroi gevestigd had. In 1862 stichtte hij een eigen spoorwegmaatschappij om een lijn naar zijn afnemers in Gent aan te leggen en te exploiteren. Dat liep uit op een financieel debacle en alleen door ondersteuning van Gustave Boël kon een faillissement worden voorkomen. Boël ging vervolgens ook deelnemen in het staalbedrijf en kreeg dat in 1880 volledig in handen. Rond de eeuwwisseling had hij al meer dan duizend werknemers op de loonlijst staan en bestond het complex uit twee vlamboogovens, twee batterijen van ieder veertig cokesovens, een staalfabriek met drie Thomas-converters en een Siemens-Martin oven, walsstraten, smederijen en talloze werkplaatsen. Om greep te krijgen op de grondstofvoorziening van zijn fabrieken nam hij zitting in de bestuursorganen van steenkolenmijnen en hoogovenbedrijven. Politieke invloed bereikte hij door zijn burgemeesterschap van La Louvière en zetel in de Belgische senaat. Door zijn overlijden in 1912 hoefde hij niet meer mee te maken dat zijn onderneming tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitse bezetter werd ontmanteld en leeggeroofd. Herstel en wederopbouw van het complex duurde vijf jaar, waarna de groei zich verder voortzette, onder andere met de bouw van eigen hoogovens, een draadtrekkerij en een fabriek voor treinwielonderstellen. Na de oorlog bereikte het bedrijf in zijn hoogtijdagen een maximale personeelsomvang van vijfendertighonderd werknemers, waaronder wederom veel ex-mijnwerkers, maar nu vanwege de sluitingen van de jaren zestig en zeventig. Dat betekende voor hen slechts een tijdelijk uitstel, want in de jaren tachtig raakte ook Boël in de problemen en als onderdeel van het Zwitserse Duferco is het thans nog maar een schim van de trotse staalreus van weleer.La Louviere (4)Afbeelding 6: In het ophaalgebouw van schacht Saint-Emmanuel lijken de mijnwerkers nooit te zijn weggeweest.