Suikerfabrieken

suikerfabrieken-1Afbeelding 1: De eerste bietsuikerfabriek van Nederland, die door De Bruyn & Co in 1858 aan de Roode Vaart in Zevenbergen werd geopend en later onder de naam ‘Azelma’ werd voortgezet tot 1928. 

Van oudsher is de voedingsmiddelenindustrie sterk vertegenwoordigd in Nederland, wat mede te danken is aan het intensieve karakter van de Nederlandse landbouw. De suikerindustrie heeft daar altijd een prominente rol in gespeeld, waarbij de opmerkelijkheid zich voordoet dat haar wortels  verder in het verleden liggen dan de teelt van het gewas dat zij verwerkt, de suikerbiet of beetwortel. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw gingen boeren in het zuidwesten van het land deze verbouwen, terwijl er toen al ruim twee eeuwen suiker werd geproduceerd, hoofdzakelijk in Amsterdam en enkele andere havensteden. Het betrof hier de raffinage van ruwsuiker, die in de koloniën was gewonnen uit suikerriet en in de vorm van ‘broden’ zijn weg vond naar de winkels. Weliswaar had Europa door haar contacten met de Arabische wereld al in de middeleeuwen kennis gemaakt met suikerriet, maar deze begon honing als belangrijkste zoetstof pas te verdringen toen men in het spoor van de ontdekkingsreizigers in de Nieuwe Wereld en het Verre Oosten er toe overging om dit gewas op plantages te telen. Door haar koloniale presentie op beide continenten was de aanvoer van deze suiker naar Nederland omvangrijk, vooral vanuit Suriname en Java. Nadat daar in suikermolens de ruwsuiker uit het riet was gewonnen, volgde in de raffinaderijen de verdere zuivering tot een product dat geschikt was voor consumptie. Daarbij werd de ruwsuiker gesmolten, gezuiverd met kalkwater, eieren en ossenbloed, ingedikt en gekristalliseerd tot kegelvormige broden. Laatstgenoemde stap was niet louter een verpakkingsaangelegenheid, maar een finale zuivering waarbij de broden met hun punt naar beneden werden gezet en aan de bovenzijde met natte klei werden afgestreken. Het water uit de klei diffundeerde door de suikerkegel, nam de laatste verontreinigingen op en verliet de vorm via de open punt. Door dit een aantal malen te herhalen verkreeg men uiteindelijk hagelwitte suiker die in een kenmerkend blauw papier (om vliegen op afstand te houden) werd verpakt. In de zeventiende- en achttiende eeuw telde Amsterdam tientallen van deze suikerraffinaderijen die waren ingeklemd tussen woonhuizen en vanaf de straat herkenbaar waren aan hun pakhuisgevels en rookpluimen van de open vuren onder de ketels. Hoewel deze nijverheid ook in andere steden voorkwam, was Amsterdam de absolute koploper, niet alleen in de Republiek maar in heel Europa. Daar kwam tijdens de Franse bezetting een einde aan omdat door het Continentaal Stelsel geen ruwsuiker meer aangevoerd kon worden. Daarna kwam deze bedrijfstak weliswaar weer op gang, haar dominante positie was ze voorgoed kwijt en bovendien was het aantal raffinaderijen fors afgenomen. Daar stond wel tegenover dat deze veel groter waren, gebruik maakten van vacuümpannen op stoomverhitting en zich gevestigd hadden in grote fabriekspanden in het havengebied of op de voormalige stadsbolwerken. Enkele daarvan bleven nog de gehele negentiende eeuw actief, al verdrong in de tweede helft de ruwsuiker van vaderlandse bodem die uit de koloniën. Toen na 1900 de bietsuikerfabrieken ook zelf kristalsuiker gingen maken, waren de dagen geteld voor de raffinaderijen al hield de grootste, de ‘Wester’ in Amsterdam, het als onderdeel van de CSM tot 1964 vol. Twintig jaar later volgde sloop van dit grote fabriekscomplex en ook op andere plaatsen zijn de sporen van deze bedrijfstak grondig uitgewist. Het enige industrieel erfgoed dat in Amsterdam nog resteert is poppodium ‘De Melkweg’ dat gevestigd is in het voormalige pakhuis van suikerraffinaderij ‘De Granaatappel’.  suikerfabrieken-2Afbeelding 2: Reclameaffiche van de Gastelsche Beetwortelsuikerfabriek die in 1866 te Stampersgat werd opgericht, in 1908 overging in handen van de Algemeene Suiker Maatschappij en zijn productie in 1926 beëindigde.

Het waren ook Amsterdamse suikerraffinadeurs die in Nederland de eerste bietsuikerfabriek begonnen, en wel in het Noord-Brabantse stadje Zevenbergen. Daar liet de firma De Bruyn & Co in 1858 een fabriek bouwen en inrichten met installaties van o.a. de Amsterdamse machinebouwers Van Vlissingen en Dudok van Heel, die al veel ervaring hadden met suikermolens en –pannen voor de koloniën. De eerste experimenten met bietsuiker waren een halve eeuw daarvoor weinig succesvol geweest. Ze waren onderdeel van de politiek van Napoleon Bonaparte om de suikerriethandel van aartsvijand Engeland te laten doodbloeden, maar bleken niet levensvatbaar door onvoldoende bekendheid met de teelt en verwerking van dit gewas. Voor onderzoekers in Pruisen, dat geen koloniaal rijk bezat en waar bietsuiker in 1747 ontdekt was, vormde dit aanleiding om de beetwortel voor een hoger suikergehalte te gaan veredelen en het verwerkingsproces te verbeteren. In Silezië en in de streek rond Maagdenburg kwam een suikerbietencultuur van de grond die een verwerkingsindustrie op gang bracht. Frankrijk volgde later, toen door afschaffing van de slavernij (1848) de productiekosten van suikerriet op de Caribische plantages toenamen en de suikerbiet goed bleek te groeien in de zware grond van de noordelijke departementen. Dit bleef in het aangrenzende deel van België, Vlaanderen, niet onopgemerkt, waarna er in deze kleine industrienatie al snel fabrikanten opstonden om de verwerking op zich te nemen. Deze ondernemers konden echter niet volstaan met enkel de rol van producent. Ze moesten voldoende boeren weten te contracteren om hun investering terug te kunnen verdienen. De prijsberekening was daarbij vaak een twistpunt en bovendien gaf de suikerbiet aanleiding tot uitputting van de bodem, waardoor de oogstopbrengst minder voorspelbaar was en bemesting met dure guano was dan ook noodzakelijk. Dat er in West-Brabant toch voldoende boeren overschakelden op suikerbieten om naast de fabriek in Zevenbergen in de tien daaropvolgende jaren nog vijf andere fabrieken te beleveren, had vooral van doen met de neergang van de vlasteelt. Dit als gevolg van de verdringing van linnen stoffen door katoen. Eenzelfde effect, maar dan vooral in Zeeland, trad op toen chemici er in 1868 in slaagden om de rode kleurstof alizarine te synthetiseren. Eeuwenlang was deze kleurstof uit meekrapwortels gewonnen die uitstekend groeiden op kleigronden en door plaatselijke verwerking in meestoven naast boeren ook andere plattelanders werk boden. Tenslotte raakte in de jaren zeventig Europa in een landbouwcrisis verzeild vanwege de import van goedkoop graan uit Amerika en het Zwarte-Zeegebied, wat de overstap naar een alternatief als de suikerbiet versnelde. Nog voor het einde van de eeuw telde Nederland 33 suikerfabrieken, waarvan 23 in West-Brabant.suikerfabrieken-3-bredaAfbeelding 3: Loskade van suikerfabriek ‘De Wittouck’ aan de rivier de Mark in Breda. Opgericht door v. Aken, Seger & Co. in 1872, werd deze fabriek overgenomen door de Belgische suikerondernemer Felix Wittouck en produceerde van 1919 tot 2004 als onderdeel van de ‘Centrale Suiker Maatschappij’ (CSM). 

Dit hoge aantal fabrieken zegt overigens meer over de aard dan over het succes van deze industrie. Het suikergehalte van de biet is laag en dus was de transportstroom van de velden naar de fabrieken omvangrijk. Bovendien daalt dit suikergehalte binnen korte tijd na het oogsten, zodat een snelle verwerking noodzakelijk is. Alle reden dus om de fabriek dicht bij de agrariërs te bouwen, met daarnaast een haven, omdat bulktransport over water goedkoop is. Dat laatste aspect speelde ook een rol in verband met de grote hoeveelheden steenkool en kalk die voor verwerking nodig waren. Deze steenkool diende niet alleen als brandstof om pannen en ketels te verwarmen en stoommachines aan te drijven, maar ook voor het zogenaamde carbonatatieproces. Daartoe werd de kalk met steenkool verhit tot ongebluste kalk en kooldioxide. Eerstgenoemde werd met water vermengd tot kalkmelk en toegevoegd aan het ruwsap om zich aan de zuren te binden, waarna doorborreling met koolzuurgas de overmaat aan kalkmelk tezamen met deze verontreinigingen deed neerslaan als schuimaarde, dat kon worden toegepast als meststof. Het heldere sap met zo’n vijftien procent suiker dat na herhaling van deze behandeling zijn weg in de fabriek vervolgde duidde men als dunsap. Zuivering met kalkmelk was weliswaar bekend uit de suikerraffinage, voor de bietsuikerverwerking waren dermate grote hoeveelheden nodig dat aanmaak ter plaatse in een kalkoven noodzakelijk was. Ook de bereiding van het ruwsap leidde tot de ontwikkeling van een processtap die was toegesneden op de suikerbiet. Had men dit aanvankelijk nog door raspen en persen gevormd, in de tweede helft van de negentiende eeuw deed de diffusiebatterij, later diffusietoren haar intrede. Hierbij werden de bieten in repen gesneden die volgens het tegenstroomprincipe met warm water van hun suiker ontdaan werden, waarna pulp resteerde dat als veevoer zijn weg terugvond naar de agrarische sector. Na een laatste zuivering van het dunsap over een filter van beenzwart, volgde omzetting in diksap met een suikergehalte van zestig procent door middel van verwarming in kookpannen. De hete brij van kristalliserende stroop die hierdoor ontstond, belandde tenslotte via een koelpan in centrifuges waar de suikerkristallen gescheiden werden van de stroop, die met een suikergehalte van zo’n vijftig procent nog geschikt was voor verdere verwerking tot alcohol (via vergisting) of koffiesurrogaat (karamellisering). Met haar omvangrijke grondstof-, product- en afvalstromen, naast haar energie- en kapitaalintensieve karakter, kan de beetwortelsuikerindustrie beschouwd worden als een vroeg voorbeeld van procesindustrie. Deze zou  in de twintigste eeuw naast de voedingsmiddelensector vooral ook in de petro- en basischemie opgang maken. De fabriekscomplexen kenmerkten zich door een groot ruimtebeslag, waarbij naast havenbekkens, loskades, spoelgoten, magazijnen en later silo’s ook gedacht moet worden aan kalkputten, bezinkbassins en afvalbergen. De bouw van de procesinstallaties begon een interessante markt te vormen voor machine- en ketelbouwers die zich gingen specialiseren tot toeleverancier voor de suikerindustrie en er zelfs in gingen investeren.suikerfabrieken-4-ram-roosendaalAfbeelding 4: Opname tijdens de bietencampagne in suikerfabriek ‘De Ram’ in Roosendaal. In gebruik genomen aan de Oostelijke Havendijk in 1864, ging deze fabriek in 1916 over in handen van de Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek Roosendaal. In 1997 legde de Suikerunie er haar productie stil.

En zij waren bepaald niet de enigen die investeerden in deze opkomende industrietak die een ‘boom’ beleefde tussen 1870 en 1900. Velen beproefden hun geluk, maar door de fluctuerende suikerprijzen, wisselende oogsten en technische tegenvallers was winstgevendheid lang niet voor alle fabrieken weggelegd en sommige ondernemingen hielden het dan ook maar een paar jaar vol. Na de eeuwwisseling brak een nieuwe periode aan toen ook landbouwers zelf gingen investeren in coöperatieve suikerondernemingen. Dat begon met de Eerste Nederlandsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek te Sas van Gent in 1899, waarna vergelijkbare fabrieken tot stand kwamen in Dinteloord (1908), Puttershoek (1912), Zevenbergen (1912), Groningen-Hoogkerk (1913), Roosendaal (1916) en Bergen op Zoom (1916). Ingericht volgens de laatste stand der techniek, voorzien van eigen raffinagecapaciteit en een technische staf met één of meerdere procestechnologen die kennis en ervaring meebrachten van de particuliere fabrieken, vormden deze nieuwkomers geduchte concurrentie voor laatstgenoemden. Een aantal van hen zag zich dan ook al snel genoodzaakt om te sluiten: fabrieken in Roosendaal en Oudenbosch in 1901, in Oosterhout en Bergen op Zoom in 1902. Nieuwe fabrieken uit particulier initiatief kwamen er daarna sowieso niet meer bij, concentratie werd de nieuwe trend. De fabrikanten gingen naar onderlinge samenwerking zoeken en de Belgische ondernemer Paul Wittouck was hierin de gangmaker. In 1908 kocht hij fabrieken in Oudenbosch en Stampersgat en voegde die samen met zijn fabrieken in Bergen op Zoom en Breda  (sinds 1887 al verenigd als ‘SA Sucreries de Breda et Bergen op Zoom’) tot de Algemene Suiker Maatschappij (ASMij). Als tijdens de Eerste Wereldoorlog de regering in verband met de brandstofschaarste beperkingen oplegt aan de sector, vormt dit wederom aanleiding om productielocaties te sluiten (Oud Gastel en Etten Leur) of te verkopen aan coöperaties (Roosendaal en Bergen op Zoom). Sluitstuk van deze concentratiegolf is in 1919 de vereniging van de zeventien overgebleven particuliere suikerfabrieken en raffinaderijen in de NV Centrale Suiker Maatschappij, afgekort CSM. Hoewel de jaren twintig nog hoopvol beginnen wordt de tweede helft van dit decennium al weer gekenmerkt door overproductie, nadat in 1925 de Engelse markt is afgeschermd door hoge invoerheffingen. Dit keer moeten ook de coöperaties er aan geloven. Naast nog eens drie particuliere fabrieken (in Zevenbergen, Standaardbuiten en Stampersgat) gaan ook de twee coöperatieve fabrieken die er als laatste zijn bijgekomen alweer na enkele jaren dicht (de ‘Zeeland’ in Bergen op Zoom en de ‘Frisia’ in Franeker, na slechts vier bietencampagnes). Het helpt niets, want als gevolg van de economische depressie daalt de prijs van kristalsuiker op de termijnmarkt tussen 1929 en 1931 nog eens met tachtig procent. Wederom grijpt de overheid in om door marktordening tot een stabiele situatie te komen. De landbouwcrisiswet van 1933 biedt een jaarlijks vast te stellen suikergarantieprijs in ruil voor een opgelegde bietencontingentering. Achteraf zou blijken dat de suikerindustrie hiermee een nieuwe fase was ingegaan, aangezien daarna het Ministerie van Landbouw zijn invloed op de sector niet meer zou loslaten. Vanaf de jaren zestig verschuift het zwaartepunt van dit landbouwbeleid meer en meer van Den Haag naar Brussel in het kader van Europese economische samenwerking, die zich na kolen en staal vooral op agrarisch gebied doet gelden. Het leidt tot prijsstabiliteit in de EEG, maar ook tot grote overschotten die tegen afbraakprijzen op de wereldmarkt belanden. Aan deze politiek komt in 2017 met de vrijgave van de Europese suikermarkt een einde, maar de effecten daarvan zijn nu nog moeilijk te peilen. Mijlpalen in de naoorlogse suikerindustrie waren het samengaan van de coöperatieve suikerfabrieken in de Suikerunie in 1966 en de overname van de CSM door Cosun (Coöperatieve Suikerunie) in 2007. Ontwikkelingen die zich tussentijds voltrokken waren de opkomst van Limburg als nieuw bietenteeltgebied, omvorming van CSM en Suikerunie van suikerproducenten tot levensmiddelenconcerns en een alsmaar voortschrijdende concentratie van de productiecapaciteit, met als eindresultaat enkel nog fabrieken in Dinteloord en Hoogkerk.suikerfabrieken-6-azelmaAfbeelding 5: Werkzaamheden aan een opslagtank van suikerfabriek ‘Azelma’ in Zevenbergen.

Aangezien anderhalve eeuw suikerindustrie in Nederland zich vooral gekenmerkt heeft door schaalvergroting en concentratie, ondergingen de oorspronkelijke fabrieksgebouwen vaak ingrijpende wijzigingen of werden volledig gesloopt. Niettemin bestaat er nog een vrij omvangrijk industrieel erfgoed van deze sector, al heeft dit wel een divers karakter. In Dinteloord en Gorinchem gaat het om een aantal gebouwen die de status van rijksmonument hebben gekregen, maar zich op fabriekscomplexen bevinden waar nog steeds productie plaats vindt. Andere fabrieken zijn stilgelegd en hebben in hun geheel een nieuwe bestemming gekregen zonder dat er noemenswaardige sloop heeft plaatsgevonden, zoals Sugar City in Halfweg en De Faam in Breda. In die gevallen waar van de suikerfabrieken nog maar enkele gebouwen resteren, betreft het meestal opslagloodsen omdat deze zich het beste voor een nieuwe functie bleken te lenen. De hallen van de ENCBS in Sas van Gent, De Zeeland in Bergen op Zoom en het suikerentrepot in Standaardbuiten zijn hiervan voorbeelden. De moderne opvolgers hiervan, de suikersilo’s, zijn in Zevenbergen en Puttershoek na sluiting van de fabriek in gebruik gebleven bij de Suikerunie. In uitzonderlijke gevallen zijn de oorspronkelijke fabrieksgebouwen uit de negentiende eeuw tot op de dag van vandaag in vrijwel gave staat behouden gebleven. Het gaat om suikerraffinaderij De Granaatappel in Amsterdam en suikerfabriek St. Antoine in Oud Gastel. Toevalligerwijze eindigde de suikerverwerking in beide fabrieken in hetzelfde jaar, 1920, waarna ze overgingen in handen van bedrijven die eveneens actief waren in de productie van levensmiddelen (melk en conserven).suikerfabrieken-5-leurAfbeelding 6: De centrifugeafdeling van de suikerfabriek op Zwartenberg onder Etten-Leur. De onderneming Van Breda, Dolk & van Voss produceerde hier van 1869 tot 1919.

  • Sas van Gent
  • Eerste Coöp. Suikerfabriek  /  Zeeuws Industrieel Museum
  • Bergen op Zoom 
  • Coöp. Suikerfabriek De Zeeland  /  Supermarkt & Bowlingcentrum
  • Part. Suikerfabriek Wittouck  /  Bedrijvencentrum Interium & Restaurant Koej
  • Oud Gastel 
  • Part. Suikerfabriek St. Antoine  /  Bedrijfsverzamelgebouw
  • Standdaarbuiten
  • Part. Suikerfabriek  /  De Suikerentrepot
  • Zevenbergen
  • Coöp. Suikerfabriek  /  Bedrijfsverzamelgebouw
  • Part. Suikerfabriek De Phoenix  /  Bedrijfspand
  • Part. Suikerfabriek Azelma  /  De Keet
  • Dinteloord  
  • Coöp. Suikerfabriek  /  Stoomclub SIES
  • Breda 
  • Suikerwarenfabriek De Faam  /  De Talentenfabriek
  • Gorinchem
  • Suikerraffinaderij Hollandia  /  Corbion
  • Halfweg
  • Part. Suikerfabriek  /  Sugar City
  • Amsterdam
  • Suikerraffinaderij Spakler & Tetterode  /  De Melkweg & Sugar Factory
  • Groningen
  • Fries-Groningse Coöp. Suikerfabriek  /  De Wolkenfabriek
  • Antwerpen  
  • Comptoir Sucrier  /  Appartementencomplex
  • Suikerraffinaderij Celen  /  Appartementencomplex

.