Broodfabrieken

Broodfabrieken (11)Afbeelding 1: Bakkers aan het werk bij de ovens van Broodfabriek P. Versluys & de Standaard in Rotterdam (1924).

Terwijl het zuiden en oosten van ons land nog tot begin vorige eeuw zelfvoorzienend waren voor wat betreft de graanteelt om de bevolking te voeden, was het dichtbevolkte Holland al na 1500 aangewezen op de import van tarwe en rogge van overzee. Het had dan ook voor de hand gelegen dat toen begin negentiende eeuw de eerste grootschalige maalderijen ontstonden, deze ook hier snel ingang zouden vinden vanwege het grote grondstoffenaanbod in de havensteden. Toch duurde het nog tot 1857 vooraleer dit met de oprichting van de ‘Maatschappij voor Meel- en Broodfabrieken’ in Amsterdam een feit was. De windmolens die eeuwenlang in tal van sectoren uitstekende diensten bewezen hadden deden dit ook nog lang in de meelvoorziening en genoten daarbij zelfs wettelijke ondersteuning. De ‘Wet op het Gemaal’ stond namelijk niet toe om voorraden aan te houden, zodat industrieel malen door een omslachtige administratie van afzonderlijke charges niet rendabel was. Het was Dr. Samuel Sarphati die de opheffing van deze wet in 1856 aangreep om voornoemde maatschappij op te richten, met het idealistische doel om de Amsterdamse bevolking betaalbaar brood van goede kwaliteit te kunnen bieden. Binnen korte tijd was duidelijk dat hij hierin succesvol was, aangezien het brood van de Maatschappij dertig procent goedkoper was dan dat van de bakkerijen. Zijn initiatief kreeg dan ook snel navolging want in 1858 en 1860 openden in de hoofdstad de ondernemingen ‘Ceres’ en de ‘Amsterdamse Meel- en Broodfabrieken’ hun deuren en in 1865 telde Nederland al elf meel- en broodfabrieken.

De opheffing van de ‘Wet op het Gemaal’ had niet alleen de industrialisering van de brood- en meelfabrieken tot gevolg, maar leidde er ook toe dat steeds grotere groepen van de bevolking zich het konden veroorloven het luxere wittebrood te kopen dat gebakken was van gebuild tarwemeel. Een onopvallend, maar niettemin belangrijk kenmerk van de broodfabrieken was de andere wijze van verkoop. Een dagelijkse productie van vijfduizend broden van om en nabij één kilogram kon niet aan de fabriekspoort worden verkocht, maar vereiste een distributiesysteem. Dat werd opgezet via venters en winkeliers die als depothouders onder contract stonden bij de fabrieken. Een ander veel voorkomend distributiesysteem was dat waarbij broden ‘s ochtends vroeg door bezorgers rond gebracht werden. Omdat men rekening moest houden met de beperkte houdbaarheid van het brood was een voldoende groot afzetgebied van cruciaal belang. Vandaar dat de broodfabrieken zich alleen nog in de steden vestigden, waar een groot publiek direct van brood voorzien kon worden. Voor koek en beschuit lag dit overigens anders. De broodfabrieken probeerden de hele markt aan zich te binden door niet alleen voor de arbeidersklasse te bakken, maar ook voor de meer gegoeden die vers brood bij het ontbijt wensten. Naast de gewone broodfabrieken ontstonden er na 1890 ook coöperatieve broodbakkerijen die opgericht waren door samenwerkende bakkers, uit vrees om hun marktpositie kwijt te raken, of als een vakbondsinitiatief ten behoeve van de aangesloten arbeiders. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog waren de bakkerijen gezamenlijk nog steeds goed voor driekwart van totale broodproductie. Van de bakkerijen behoorden toen negentig procent tot het kleinbedrijf, negen procent tot de middelgrote ondernemingen (minder dan tien werknemers) en slechts één procent tot het grootbedrijf, waar negen procent van het totaal aantal mensen binnen de sector werkzaam was.Broodfabrieken (12)Afbeelding 2: De productiehal van de Utrechtse Luxe Brood- en Banketbakkerij, kortweg ‘Lubro’ in 1950. De fabriek was in gebruik van 1948 tot 2004 en zal in de nabije toekomst gerenoveerd worden om daarna een nieuwe bestemming te krijgen.

Traditioneel werd brood in de bakkerij vervaardigd door meel te vermengen met water (of melk) en daar gist aan toe te voegen om het te laten rijzen. Ook het bakproces wijzigde in eeuwen tijd nauwelijks. In een oven met dikke stenen wanden werd een vuurtje gestookt en als de lucht en de wanden voldoende waren opgewarmd werden de resten van het vuur uit de oven gehaald en het deeg erin geschoven. Na iedere bakgang moest de oven opnieuw worden verhit. Met de industriële maaltechnieken en het zuiverder meel dat hierbij ontstond nam de kwaliteit van het brood toe. Men ging steeds meer verschillende soorten meel mengen om een goedbakkende meelsoort te verkrijgen. De verwerking van dit meel in de broodfabriek veranderde niet wezenlijk, zij het dat het nu met behulp van machines gebeurde: het bereiden van het deeg, het rijzen en het bakken. Het kneden vond mechanisch plaats met behulp van een kneedmachine, waarbij twee zware kneedarmen tegelijk tegen elkaar in werden aangedreven door een elektromotor. Wanneer het rijzen ver genoeg was gevorderd, werd het deeg in stukken verdeeld zodat er broden van gevormd konden worden. Stukken van de juiste grootte werden verkregen door middel van grote strengenpersen. Voor het eigenlijke bakproces maakten de broodfabrieken gebruik van heteluchtovens, met als voordeel dat er geen verbrandingsresten konden achterblijven en de temperatuur gelijkmatiger verdeeld was. Op de ovenvloer lag vaak een ijzeren plaat die uit de oven getrokken kon worden om het deeg er gemakkelijk en snel in te brengen en het gebakken brood er net zo efficiënt uit te kunnen halen. Later werd overgeschakeld op de snel opwarmbare gas- en elektrische ovens. In de grotere broodfabrieken maakte men gebruik van tunnelovens, waarbij aan de ene kant van de oven de stukken deeg op de band werden gelegd en aan de andere kant na afkoeling de broden werden weg genomen.

Beschuit maakte men al in de oudheid door brood in de zon of op de oven te laten drogen om het een langere houdbaarheid te geven. Hierdoor kwam men op het idee om het brood tweemaal te bakken, wat de naam verklaart, namelijk ‘bis-cuit’. Met name voor scheepsreizen en veldtochten was de langere houdbaarheid van belang. Als grondstof werd naast rogge veel tarwe gebruikt. De belangrijkste kwaliteitseis was de houdbaarheid en pas toen het een merkproduct werd (zoals vanaf 1886 bij Verkade) ging men eieren, stroop, vet en honing toevoegen om het  smaakvoller te maken. Toen men het op grote schaal ging vervaardigen in beschuitfabrieken veranderde niet de methode van het tweemaal bakken van het beschuitdeeg, maar wel de techniek waarmee dat werd gedaan, namelijk met bandovens.

Koekbakken was oorspronkelijk slechts een nevenactiviteit van de bakkerijen. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstonden er koekfabrieken waarvan de producten over het hele land en daarbuiten bekend waren. De grondstoffen voor de koekfabrieken waren in hoofdzaak roggebloem, sukade, siroop, specerijen en honing. Het eigenlijke biscuit was een droog gebak met een laag vetgehalte en vaak zeer gering suikergehalte. In ons land echter werden vrijwel uitsluitend zoete biscuits gebakken en behoorden ze tot het assortiment van de koekfabrieken. In de fabriek werden ze, i.t.t. wat de Franse naam impliceerde, slechts éénmaal gebakken. Het deeg werd na goed mengen tussen twee walsen uitgerold tot een dun vel, daarna telkens dubbelgeslagen en opnieuw gewalst. Dit gebeurde wel tien tot twintig maal, waardoor een gelaagde opbouw ontstond. In de eigenlijke biscuitmachine passeerde het deeg nog enige paren walsen, die het tot de juiste dikte uitrolden. De koekjes werden uit het deegvel verkregen doormiddel van stalen stempels die op en neer bewogen of met behulp van gegraveerde koperen rollen. Gelijktijdig belandden ze daarbij op een stalen band waarmee ze door een tunneloven gevoerd werden voor het eigenlijke bakproces.Broodfabrieken (5)Afbeelding 3: Het fabriekscomplex van Verkade, gezien vanaf de overzijde van de Zaan. Rechts de broodfabriek (1886-1912) en links de chocoladefabriek (1936).

In 1886 richtte Ericus Gerhardus Verkade in Zaandam de brood-, beschuit- en koekfabriek ‘De Ruyter’ op, vernoemd naar een gesloopte korenmolen. Hij wilde als ondernemer het omliggende platteland goedkoper met brood beleveren dan de plaatselijke bakkers en koos voor de Zaanstreek omdat men er door de invoer vanuit Amsterdam al bekend was met fabrieksmatig gebakken brood. Na hem gingen ook Hille en Albert Heijn tot fabrieksmatige productie van brood en koek over. Verkade ging zijn beschuit en koek in van zijn naam voorziene bussen en papierverpakkingen aanbieden. Het werden merkartikelen waarvan constante smaak en kwaliteit gegarandeerd werd. Verkoop vond plaats via een net van goed herkenbare winkels en werd extra gestimuleerd door albumplaatjes toe te voegen aan de verpakkingen. Deze merkproducten verdrongen al snel de plaatselijke bakkerijen van de markt. Van begin af aan was de Zaanstreek alleen een te klein afzetgebied en in 1904 had het bedrijf dan ook al winkels in Amsterdam, Den Helder, Alkmaar, Schagen, Beverwijk, IJmuiden, Purmerend, Hoorn, Medemblik en Anna Paulowna. In de fabriek ‘De Ruyter’ werkten toen bijna driehonderd mensen, waar van meer dan tachtig procent vrouwen, die bekend kwamen te staan als ‘De Meisjes van Verkade’. Het groeide uit tot een complex van gebouwen tussen de weg (Westzijde) en de rivier de Zaan en vanaf 1916 ook aan de andere kant van de Westzijde. In het ketelhuis, met een schoorsteen van zesentwintig meter hoogte, bevonden zich twee stoomketels voor twee stoommachines van 160pk. Een tweede schoorsteen van twintig meter was aangesloten op tien dubbele heteluchtovens die op stadsgas werden gestookt. Op de eerste verdieping stonden vier roggebroodovens, terwijl de kapverdieping bestemd was voor de opslag van grondstoffen zoals tarwe- en roggemeel, honing en kruiden voor de ontbijtkoeken. De ovens voor het bakken van het brood en beschuit, de ruimtes voor de fabricage van het deeg en het rijzen ervan, evenals de ruimte voor de verpakking en de verzending, bevonden zich op de begane grond. Hier stonden ook de zeefmachines voor het meel, de deegkneedmachines en de beschuitmachines. De eerste ovens waren nog inschietovens, waarin zowel brood als beschuit werd gebakken op ijzeren platen. In 1889 werd voor het eerst beschuit in kettingovens gebakken die met stadsgas werden gestookt.

Na het gereedkomen van een nieuwe beschuitfabriek in 1928 aan de overkant van de Westzijde werd het gebouwencomplex aan de Zaan ingericht voor de fabricage van cacao- en chocoladeartikelen. Voorheen had Verkade namelijk de benodigde cacaomassa nog betrokken van De Paradijsvogel in Westzaan. In de gebouwen aan de Zaanzijde vond vanaf toen de reiniging van de per schip aangevoerde cacaobonen plaats, terwijl deze in de voormalige broodfabriek werden verwerkt tot cacaomassa d.m.v. branden, malen, persen en walsen. In 1936 verrees aan de zuidzijde ten slotte een geheel nieuwe chocoladefabriek, waarmee het complex haar huidige omvang kreeg. In 2003 stelde United Biscuits, de nieuwe eigenaar van Verkade, de productiegebouwen langs de Zaan – die ondertussen de status van rijksmonument hadden – buiten gebruik en werden deze tussen 2004 en 2009 in fases gerestaureerd voor een nieuwe bestemming. Rondom een binnenplein bevinden zich tegenwoordig verschillende functies zoals ateliers, showrooms, een restaurant en een sportschool. Op de verdiepingen zijn spelletjesfabrikant Jumbo, een tandheelkundepraktijk en een ingenieursbureau gevestigd, met daarnaast het hoofdfiliaal van de openbare bibliotheek van Zaanstad in de voormalige chocoladefabriek uit 1936. Het binnenplein wordt veelvuldig gebruikt voor evenementen, zoals Midzomer-Zaan. Met de naam ‘Zaanse Chocoladefabriek’ is helaas de herinnering aan het vroegste verleden van het complex verloren gegaan.Broodfabrieken (7)Afbeelding 4: Verkade mag dan een Zaans bedrijf zijn, de ‘Verkadefabriek’ staat tegenwoordig in Den Bosch, maar dan als bioscoop- en theatercomplex.

De zaken verliepen zo voorspoedig bij Verkade dat het bedrijf ook in het zuiden des lands ging produceren en daartoe in 1929 de Eerste Bossche Stoom-, Koek-, Biscuit-, Banket-, Beschuit- en Suikerwerkenfabriek ‘De Nijverheid’ overnam. In de jaren vijftig maakte de bakkerij plaats voor productiehallen met koepel- en sheddaken waar men de Frou-frou’s en café-noir’s ging bakken met een personeelsbestand van zo’n honderdvijftig vrouwen en meisjes. In 1984 volgde nog een uitbreiding, die echter niet kon voorkomen dat in 1993 de productie naar Zaandam verhuisde en de fabriek gesloten werd. Na tien jaar leegstand vond tussen 2002 en 2004 een renovatie plaats, waarbij de beeldbepalende bakkerij- en verzendhallen behouden bleven. Daarna opende de ‘Verkadefabriek’ opnieuw haar deuren, maar nu met twee theaterzalen, drie filmzalen, een café-restaurant en repetitieruimten. In 2009 werden nog eens twee nieuwe bioscoopzalen bijgebouwd en de daken voorzien van zonnepanelen.Broodfabrieken (2)Afbeelding 5: Het pand van de Haarlemsche Brood- en Meelfabriek aan de Bakenessergracht heeft nu een woonbestemming.

De Haarlemsche Brood- en Meelfabriek werd in 1866 opgericht, maar beperkte zich aanvankelijk tot een bakkerij achter het woonhuis van een van de initiatiefnemers aan de Bakenessergracht. Na aankoop van aangrenzende percelen kon in 1876 een geheel nieuw fabrieksgebouw in neoromaanse rondbogenstijl worden opgetrokken. Twintig jaar later werd het pand nog eens verhoogd met een extra verdieping tot vijf bouwlagen. Het gebouw deed dienst als graan- en meelpakhuis met een eigen maalderij en achter op het perceel een losstaande bakkerij. Vanaf 1890 mocht de onderneming het predicaat ‘koninklijk’ voeren en ze stond bekend om haar geavanceerd productieproces. Het brood werd gebakken in een speciaal type heteluchtoven en het intern transport vond plaats via een systeem van jakobsladders en hijsinstallaties die werden aangedreven door een stoommachine. Vanaf 1930 ging de onderneming verder als naamloze vennootschap ‘Eerste Haarlemsche Brood- en Koekbakkerij’. Tot 1946 heeft het pand dienst gedaan als brood- en meelfabriek, waarna drukkerij ‘Planeta’ het in gebruik nam voor haar activiteiten. In 1990 werd het bedrijfspand, inmiddels rijksmonument, verbouwd tot een wooncomplex met tien appartementen.Broodfabrieken (1)Afbeelding 6: Op de zijgevel van de Leidse broodfabriek Ceres is nog de muurreclame te zien van arbeiderscoöperatie ‘De Vooruit’ die er van 1931 tot 1966 brood liet bakken voor haar leden.

Broodfabriek ‘Ceres’ aan de Korevaarstraat in Leiden dateert uit 1894 en onderging in 1910 een uitbreiding. In 1931 ging de fabriek over in handen van de Leidse arbeiderscoöperatie ‘De Vooruit’, die al vanaf 1901 actief was om de levensomstandigheden van haar leden te verbeteren. Ze beschikte voordien al over een eigen bakkerij en coöperatiewinkels, maar toen industriestad Leiden door de economische depressie zwaar werd getroffen gingen nog meer arbeiders een beroep doen op haar diensten. Ook het ziekenfonds en de verzekeringsmaatschappij van de coöperatie vonden onderdak in het pand. Na de oorlog ontwikkelde ‘De Vooruit’ zich tot een gewoon bedrijf, dat later werd omgedoopt in coöperatie ‘Rijnland’. Deze verhuisde in 1966 naar een modern bedrijfspand, waarna het gebouw diverse bestemmingen had. Tegenwoordig  is het in gebruik door de stichting ‘Uit de Kunst’ die onder professionele begeleiding werk biedt aan mensen met een beperkingBroodfabrieken (9)Afbeelding 7: In het gebouw van de ‘Eerste Nederlandsche Dogcakes Fabriek’ in Dordrecht zijn bij de renovatie in 1990 vijf woningen gecreëerd.

Het brede neoclassicistische fabriekspand aan de Kalkhaven in Dordrecht werd in 1871 gebouwd in opdracht van stoomoliefabriek Lebret. Vanaf 1904 was hier de ‘Eerste Nederlandsche Dogcakes Fabriek’ gevestigd. Sinds 1990 zijn er in dit rijksmonument vijf woningen ondergebracht. Veel bekender in Dordrecht was echter Biscuitfabriek Victoria. Het bedrijf werd in 1896 opgericht door drie Brusselse banketbakkers die in een fabriek op de Koekelberg speculaas, makarons, cakes en boterkoek gingen bakken. De export naar Nederland was zo’n succes dat ze in 1904 een tweede fabriek openden in Dordrecht. In Koekelberg ging men zich daarna meer op chocolade richten, terwijl de Dordtse vestiging vanaf 1916 bekend kwam te staan als Biscuitfabriek Victoria NV. Het complex bevond zich naast de spoorlijn naar Rotterdam, waar in 1927 ook een chocoladefabriek onderdeel van ging uitmaken. In 1941 volgde nog een uitbreiding met een kantinegebouw naar ontwerp van industrieel architect Dirk Roosenburg, dat tegenwoordig als enige resteert van het fabriekscomplex en een woonbestemming heeft. Om aan de groeiende vraag te kunnen voldoen nam men in 1955 een tweede fabriek in gebruik in Dirksland, die tien jaar later samen met die van Dordrecht overging in handen van het Nederlandse Gebeco, een fusiebedrijf van de koekjesfabrikanten De Beuckelaar en Parein. Na opening in 1980 van een moderne fabriek op een bedrijventerrein in het zuiden van de stad kwam het complex onder de slopershamer om plaats te maken voor een kantorencomplex.Broodfabrieken (10)Afbeelding 8: De kantine van Biscuitfabriek Victoria in Dordrecht werd in 1941 gebouwd volgens een ontwerp van industrieel architect Dirk Roosenburg in de stijl van het Traditionalisme.

 Ook in het Noord-Brabantse Oosterhout zijn de gebouwen van twee voormalige koekfabrieken behouden gebleven en voorzien van een nieuwe bestemming. De eerste werd in 1874 gebouwd als margarinefabriek voor Johan W. Verschure & Zonen, maar toen deze in 1893  honderd meter verderop een grotere fabriek opende (deels behouden) nam Bernard de Hoog het over om er zijn ‘Noord Brabantse Stoomkoekfabriek’ in onder te brengen. Als zodanig bleef het tot 1953 in gebruik, waarna er nog een timmerbedrijf, meubelwinkel en antiekzaak in gevestigd zijn geweest. Nu is het een horecazaak met verstandelijk gehandicapten in de bediening (Brownies & Downies). Schriek’s Koekfabriek trok in 1956 eveneens in een bestaand bedrijfsgebouw, dat voorheen had dienst gedaan als drukkerij en golfkartonfabriek. De uitbreiding die het complex aan de Kloosterstraat vervolgens onderging bestond uit een zichtbaar betonskelet met paneelvullingen van baksteen, een destijds veelvuldig toegepaste bouwstijl voor fabrieken en kantoren (Zakelijk Expressionisme). Bijna een halve eeuw lang werd er peperkoek gebakken, tot de overname door ‘Bolletje’ in 2000 hier een einde aan maakte. In 2005 werd de fabriek, sinds 2001 een rijksmonument, omgebouwd tot wooncomplex ‘Het Kolombijn’ met tien appartementen.Broodfabrieken (3)Afbeelding 9: Aan de Basiliekstraat in Oosterhout was van 1893 tot 1953 de Noord Brabantse Stoomkoekfabriek Bernard de Hoog & Zn. actief. Nu is het een horecazaak.

 Eindhoven begon pas na 1900 snel te groeien en daarom zijn ook haar beide  broodfabrieken van vrij recente datum. Met name de NV Gloeilampenfabriek Philips bracht deze laatbloei teweeg, maar nam ook de verantwoordelijkheid om haar werknemers te huisvesten en te voeden. Wat dat laatste betreft kwam in 1918 de Philips Coöperatieve Verbruiksvereniging tot stand met buurtwinkels, een distributiegebouw en een broodfabriek op de hoek van de Lijsterbesstraat en Essenstraat. In 1931 kwam Philips overigens al tot de conclusie dat er voor zo’n branchevreemde activiteit geen plaats meer was binnen het bedrijf en verzelfstandigde de coöperatie onder de naam ETOS: Eendracht, Toewijding, Overleg en Samenwerking. Deze is tot op de dag van vandaag blijven voortbestaan als een keten van drogisterijen. De fabriek bleef tot 1965 operationeel en het geproduceerde brood en banket werden met elektrowagentjes naar klanten gebracht. Na gedurende decennia voor uiteenlopende doeleinden te zijn benut, onderging het gebouw tussen 2002 en 2006 een (te) grondige renovatie tot het huidige woonwerkcomplex ‘Het Atelier’. Sindsdien is enkel in de gevel aan de Essenstraat de vroegere broodfabriek nog enigszins herkenbaar. Veel kleinschaliger van opzet was broodfabriek ‘De Nijverheid’ in Woensel (De Vriesstraat). Dit dorp werd in 1920 geannexeerd door Eindhoven om haar uitbreidingsplannen te kunnen realiseren. Aanvankelijk beperkten deze zich nog tot het voormalige buurtschap Fellenoord en het is ook daar waar in 1925 ‘De Nijverheid’ gebouwd werd. Ook hier doofden de ovens in de jaren zestig, waarna een gereedschapsmakerij er onderdak vond. De laatste jaren doet het dienst als depot voor post- en pakketbezorgers.Broodfabrieken (8)Afbeelding 10: Broodfabriek ‘De Nijverheid’ in de Eindhovense wijk Woensel veranderde later haar naam in ‘Coöperatieve Broodbakkerij en Verbruiksvereniging Helpt Elkander U.A.’.

Gedurende de negentiende eeuw maakte Gent als industriestad een stormachtige ontwikkeling door, waarin de noodzaak ontstond om vanuit broodfabrieken de groeiende arbeidersbevolking te voeden. De socialistische arbeidersbeweging had er stevig voet aan de grond gekregen en bracht tal van voorzieningen tot stand voor haar leden. Het ‘Feestlokaal van Vooruit’ (tegenwoordig ‘Kunstencentrum Vooruit’) vormt daar vandaag de dag nog de meest tastbare herinnering aan. Om hier niet bij achter te blijven kwam er in 1887 ook een coöperatie op katholiek-liberale grondslag tot stand, ‘Volksbelang’ geheten. Deze vestigde in 1892 een stoombroodbakkerij in een fabrieksgebouw aan de Leie dat voorheen dienst had gedaan als rijstpellerij (1857-1873) en katoenspinnerij (1873-1892). Het pand onderging daartoe nauwelijks wijzigingen, maar aan de straatzijde (Waaistraat) liet men een grote loods bouwen, waardoor de rooilijn tientallen meters opschoof. Fabriek en loods werden begin deze eeuw omgebouwd tot het Ghent River Hotel.Broodfabrieken (4)Afbeelding 11: De achterzijde van het Ghent River Hotel, gezien vanaf de Zuivelbrug over de Leie. Vroeger was hier de industriële broodbakkerij ‘Volksbelang’ gehuisvest.

Net als in Gent waren ook in het Duitse Krefeld de textielfabrikanten de drijvende kracht achter de industrialisatie, maar in plaats van katoen werd hier zijde en fluweel geproduceerd. Ook hier ontstonden eind negentiende eeuw coöperaties (Genossenschaften) die door grootschalige inkoop en productie goedkope levensmiddelen leverden aan hun ledenbestand van arbeiders. In 1908 gingen de Konsumgenossenschaften ‘Fortschritt’ en ‘Solidarität’ samen en lieten aan de Ritterstrasse een groot magazijn- en distributiegebouw neerzetten. Dankzij de nabijheid van de Hauptbahnhof konden ook goederen over grotere afstanden efficiënt aangevoerd worden. Op het achtererf verrezen een limonadefabriek en een industriële broodbakkerij met tien ovens. Tussen 1919 en 1926 nam de Belgische bezettingsmacht het complex over om haar eenheden te bevoorraden. Toen de coöperatie daarna haar eigendom terugkreeg was dat maar voor kort, omdat ze in 1933 door de nationaalsocialistische regering verboden werd. Een jaar later kwamen de gebouwen in handen van de Marxloh-Homberger Brotfabrik die bekend was onder de merknaam ‘Im Brahm’ (brem). De broodproductie hield er stand tot 1983. Twee jaar later kon sloop ternauwernood worden voorkomen door tijdige plaatsing onder ‘Denkmalschutz’ (monumentenbescherming). Na restauratie in 1999 kreeg een deel van het complex een tweede leven als atelier- en oefenruimte voor kunstenaars en creatieve ondernemers. De naam ‘Brotfabrik im Brahm’ bleef daarbij behouden. Blikvangers aan het gebouw zijn de muurreclame met het bolwangige jongetje en het gevelreliëf bestaande uit twee naakte mannenfiguren (de coöperaties) onder het kleed van een centrale engelfiguur (de gerechtigheid).Broodfabrieken (6)Afbeelding 12: Van 1908 tot 1983 brandden de bakovens in de Krefelder ‘Brotfabrik im Brahm’, daarna kreeg het een culturele bestemming.