Utrecht

Utrecht (1)Afbeelding 1: De Cereolfabriek gezien vanaf het Merwedekanaal. Na restauratie is haar oorspronkelijke benaming op de gevel teruggebracht. Rechts is nog  het witte silogebouw zichtbaar.

Als schakel tussen Amsterdam en de Rijn heeft het Merwedekanaal slechts relatief kort een rol vervuld. Al na enkele decennia bleek de capaciteit onvoldoende en de route ongunstig. Pas met de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal vanaf 1931 kwam er een binnenvaartverbinding tot stand die tot op de dag van vandaag het Duitse achterland vanuit onze hoofdstad bereikbaar maakt. Voor de stad Utrecht was de zone langs het Merwedekanaal echter een interessante vestigingslocatie voor nieuwe bedrijven zoals ’s Rijksmunt (1911), de staalfabriek van Demka (1913), de machinefabriek van Werkspoor (1913) en de elektriciteitscentrale van PEGUS (1925). Nog voordat deze ondernemingen hun deuren openden was de Stichtsche Oliën- en Lijnkoekenfabriek er in 1909 begonnen met de verwerking van lijnzaad tot veevoer en zou dit tot na de eeuwwisseling volhouden, maar dan op basis van sojabonen en onder de naam Cereol. Ironisch genoeg brandde het fabrieksgebouw na haar buitendienststelling alsnog af, terwijl het daar in de vele jaren dat er tientallen tonnen licht ontvlambaar oplosmiddel rondgepompt werden voor gespaard was gebleven. Gelukkig werd de waarde van dit industriële monument onderkend en kon het in 2014 als multifunctioneel centrum ‘De Cereolfabriek’ voor de wijk Oog en Al in gebruik worden genomen.Utrecht (2)Afbeelding 2: De voormalige maalderij van Hooghiemstra aan de Wittevrouwensingel.

Net als in andere provincies was ook in Utrecht in 1896 een coöperatieve boerenbond tot stand gekomen. Omdat provincie en hoofdstad dezelfde naam hebben en vanwege de katholieke grondslag van de organisatie, koos men voor de oude benaming van de vroegere kerkprovincie: ’t Sticht. Om haar leden van gegarandeerd goed krachtvoer te kunnen voorzien liet deze Stichtsche Boerenbond in 1908 een fabriek bouwen om lijnzaad (van de vlasteelt) tot veekoeken te persen. Het bijproduct lijnolie verkocht men aan zeep- en margarineproducenten. Door vestiging aan het Merwedekanaal kon het bulkvervoer van de grondstoffen per binnenvaartschip worden afgewikkeld en een elevatorinstallatie op de kade maakt het mogelijk om de schepen efficiënt te lossen.  De centrale ligging en goede bereikbaarheid van Utrecht had overigens ook particuliere ondernemers er toe doen besluiten om veevoederfabrieken op te richten. Graanhandelaar Jurjen Hooghiemstra was daar in 1880 al mee begonnen aan de Wittevrouwensingel en toen hij concurrentie kreeg van de Stichtsche Boerenbond liet hij er in 1911 eveneens een ‘Chateau de l’industrie’ optrekken, maar dan met acht etages en sierlijke hoektorentjes. Het werd recent gerestaureerd en doet tegenwoordig dienst als bedrijvencentrum onder de naam ‘Hooghiemstra’. De Friese veevoederfabrikant Ulbo Twijnstra streek in 1921 neer aan het Merwedekanaal,  maar dan in buurgemeente Maarssen. Ook deze gebouwen zijn na sluiting in 1996 behouden gebleven en als ‘De Fabrique’ herbestemd tot evenementencentrum.Utrecht (3)Afbeelding 3: De Cereolfabriek in de jaren vijftig, toen nog Stichtsche Oliën- en Lijnkoekenfabriek (SOL) geheten, met achter de fabrieksschoorsteen het extractiegebouw voor de verwerking van sojabonen.

Dat er voldoende economisch bestaansrecht was voor drie veevoederfabrieken, blijkt wel uit het feit dat de SOL in 1932 haar complex uitbreidde met een silogebouw in gewapend beton voor de opslag van grondstoffen. Naast krachtvoer voor rundvee was de sector zich namelijk ook gaan toeleggen op diervoer voor varkens en pluimvee, waarvoor men diverse graansoorten liet aanvoeren. Naar Amerikaans voorbeeld kwam daar in 1950 ook soja bij en toen dit een succes bleek besloot men om hier volledig op over te schakelen, inclusief een proces om uit deze bonen ook olie te kunnen winnen. Daartoe verrees een jaar later een betonhoogbouw met installaties om er een zogenaamd extractieproces uit te voeren: het extractiegebouw. Na zuiveren, voorverwarmen, breken en pletten kwam de soja in de extractor terecht, waar het in contact werd gebracht met het oplosmiddel hexaan volgens een tegenstroomprincipe. Daarbij loste de sojaolie op in het hexaan (extractie), dat vervolgens gescheiden werd van het restant van de sojabonen dat men als ‘schroot’ aanduidde. Na drogen en malen verliet dit sojaschroot de fabriek als veevoer, terwijl de sojaolie door middel van destillatie uit de hexaanstroom werd vrijgemaakt en opgeslagen in grote cilindervormige tanks naast de fabriek. Belangrijkste afnemer hiervan was de voedingsmiddelenindustrie die het verwerkte in margarine (Unilever), of er lecithine uit won om als bindmiddel aan chocolade toe te voegen. Het gedestilleerde hexaan, tenslotte, kon weer opnieuw voor het extraproces worden ingezet. De fabriek draaide met een personeelsbestand van zo’n zestig medewerkers in een drie-ploegendienst, om ieder binnengekomen schip zo snel mogelijk te kunnen lossen en de lading direct te verwerken. Onder de titel ‘Verhalen uit de Sojafabriek’ heeft auteur Jos Bours in 2014 een boek uitgebracht waarin bedrijfsvoering en de arbeidsverhoudingen tijdens de laatste decennia van haar operationele bestaan op boeiende wijze zijn beschreven.Utrecht (4)Afbeelding 4: De Cereolfabriek gezien vanaf de Everard Meijsterlaan, met rechts nog net zichtbaar de elevator op de kade van het Merwedekanaal.

In de naoorlogse concentratiegolf binnen de veevoedersector kwam Hooghiemstra in handen van de SOL, die de productie van de Wittevrouwensingel in 1964 verplaatste naar een nieuwe fabriek op het bedrijventerrein Lage Weide, de binnenhaven van het Amsterdam-Rijnkanaal. In 1973 viel ook voor de SOL het doek, nadat het door financiële misstanden failliet was gegaan. Een doorstart volgde onder de vlag van de Amerikaanse firma Central Soya, dat in 1990 fuseerde tot Cereol Benelux. Ondertussen kwam er vanuit de omwonenden in Oog en Al steeds meer protest tegen de stank- en verkeersoverlast die het bedrijf veroorzaakte. Ook het brand- en explosiegevaar dat het extractieproces met zich meebracht speelde op de achtergrond, maar kreeg meer aandacht na de vuurwerkramp van Enschede in 2000. De gemeente Utrecht zag geen andere oplossing dan het bedrijf uit te kopen voor een miljoenenbedrag. Na beëindiging van de activiteiten in 2002 begonnen de sloopwerkzaamheden en enkel de gebouwen die in 2001 op de rijksmonumentenlijst waren geplaatst – fabriek, kantoor en ketelhuis uit 1908 en silo uit 1932 – bleven daarbij behouden. Herbestemming liet jarenlang op zich wachten, niet in de laatste plaats door de verwoestende brand van 2008. Een jaar later ging het eigendom over op BOEi (Nationale Maatschappij tot Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel Erfgoed) en ving een nieuwe poging aan om de fabriek een tweede leven te geven, die in 2014 succesvol kon worden afgerond met de opening van multifunctioneel centrum De Cereolfabriek. Door het aanbrengen van een betonconstructie binnen de bestaande gevels was het mogelijk om twee grote ruimtes te creëren op de bovenverdieping van de fabriek, één voor de gymzaal van de St. Dominicusschool (gevestigd in het voormalige kantoorgebouw van de fabriek) en één voor de theaterzaal van Het Wilde Westen, een buurtvereniging die ook de onderliggende atelier- en ontmoetingsruimtes in gebruik heeft. De begane grond biedt ruimte aan de openbare bibliotheek van Oog in Al en de horecagelegenheid ‘Buurten’. Dankzij de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal bleef de oorspronkelijke infrastructuur van het Merwedekanaal grotendeels behouden. Het sluizencomplex bij de Cereolfabriek met zijn wachterswoningen en basculebruggen, de kruising met de Leidse Rijn en de draaibrug bij ’s Rijksmunt ademen nog altijd de sfeer uit van het kanaal in zijn begindagen.Utrecht (6a)Afbeelding 5: Luchtopname van de Cereolfabriek in de jaren negentig met het Merwedekanaal (1), elevator (2), ketelhuis (3), kantoorgebouw (4), SOL-fabriek (5), silogebouw (6), extractiegebouw (7), olietanks (8) en directeurswoning (9).