Bristol (VK)

Bristol (1)Afbeelding 1: De stadsontwikkelingszone ‘Finzels Reach’, gezien vanaf de overzijde van de Floating Harbour. Van 1681 tot 1881 was hier een suikerraffinaderij gevestigd, die vanaf 1839 door Conrad Finzel I werd uitgebouwd tot één van de grootste van het Verenigd Koninkrijk.

Hoewel in deze rubriek hoofdzakelijk bietsuikerfabrieken aan de orde komen, maken we daar in deze reportage een uitzondering op, omdat we daarmee ook het industrieel erfgoed uit deze sector in Engeland aan bod kunnen laten komen. Niet dat er in Engeland geen bietsuikerfabrieken geweest zijn: sterker nog, Nederlanders hebben in de jaren twintig geholpen om deze in East Anglia op te zetten en er zijn daar nog steeds enkele exemplaren in bedrijf (zie reportage over Oud Gastel). Interessant erfgoed is daar echter niet te vinden en daarom richten we ons een keer op de verwerking van rietsuiker. In tegenstelling tot het vaste land van Europa is dit gewas voor de Britten veel langer de voornaamste bron van zoetigheid gebleven en dat heeft uiteraard alles te maken met hun omvangrijke koloniale bezit. Frankrijk, Spanje en Nederland hadden dat ook, maar de Royal Navy beheerste de zeeën en blokkeerde hun havens om het regime van Napoleon op de knieën te krijgen. Om een gebrek aan suiker te voorkomen stimuleerde hij daarom de aanplant en verwerking van bieten binnen zijn keizerrijk. Dit werd geen succes, maar legde wel de kiem voor een industrieel-agrarische sector die in de loop van de negentiende eeuw tot wasdom kwam. Dat het toen wél lukte had diverse redenen van technische en economische aard, waarvan de afschaffing van de slavernij zeker niet de onbelangrijkste was. Ook in dit geval waren het de Britten die de trend zetten door in 1807 de Trans-Atlantische slavenhandel,  en in 1833 het bezit van slaven in hun koloniën te verbieden. Frankrijk, Nederland en de Verenigde Staten volgden pas in respectievelijk 1848, 1863 en 1865.Bristol (2)Afbeelding 2: In de voormalige suikerraffinaderij ‘St John’s Bridge Sugar House’ aan de Lewin’s Mead is tegenwoordig ‘Hotel du Vin Bristol’ gevestigd.

Een van de belangrijkste Engelse havens van waaruit de slavenschepen vertrokken was Bristol en als ze terugkeerden waren deze beladen met goederen uit West-Indië, zoals het Caraïbisch gebied en Midden-Amerika destijds genoemd werden. Ze bevoeren de route van de zogenaamde driehoekhandel, waarvan Westelijk Afrika de derde hoekpunt vormde. Sterke drank, buskruit, wapens en textiel werden uit Engeland meegenomen om ze daar te ruilen tegen slaven, die vervolgens onder mensonterende omstandigheden naar de koloniën in Jamaica, Barbados, Bermuda, de Bahama’s, Trinidad en Tobago werden getransporteerd. Naar schatting betreft het zo’n half miljoen slaven die tussen 1698 en 1807 op ruim tweeduizend zeereizen van Afrika naar West-Indië zijn gebracht door schepen afkomstig uit Bristol. Daar werden ze op de plantages tewerk gesteld in de teelt van tropische gewassen zoals tabak, indigo, cacao en uiteraard suikerriet als belangrijkste. Ook werden ze ingezet bij de eerste verwerkingsstap tot ruwsuiker, waarbij het sap uit de rietstengels geperst werd in een suikermolen en vervolgens in pannen boven grote open vuren werd ingedikt tot ‘muscovado’. De veredeling van dit bruingekleurde tussenproduct tot heldere kristalsuiker, waarbij het ontdaan werd van melasse en mineralen, vond echter plaats in Engeland. Het lag het meest voor de hand om deze suikerraffinaderijen te vestigen in de havenplaatsen waar de muscovado aan land werd gebracht zoals London, Liverpool, Hull en Bristol. In laatstgenoemde stad zijn twee van deze complexen behouden gebleven en herinneren ook hun namen nog aan dit nijverheidsverleden.Bristol (3)Afbeelding 3: 19e-eeuwse stadsplattegrond met daarop de locaties van alle suikerraffinaderijen die Bristol gekend heeft, waaronder die van Conrad Finzel (1) en de St John’s Bridge Sugar House (2). Daar waar de oorspronkelijke loop van de Avon (3) samenkwam met de Frome (5) ontstond de Floating Harbour (4).

Door haar ligging aan de samenloop van de rivieren Frome en Avon ontwikkelde Bristol zich al in de middeleeuwen tot havenstad. Toen waren het vooral nog kustvaarders die via de Avon en het brede estuarium van de Severn naar Ierland, Frankrijk, Spanje en Portugal voeren. Daar kwamen vanaf 1466 Madeira en de Azoren als nieuwe bestemmingen bij, waarvandaan Portugese suiker geïmporteerd werd. Nog voor het einde van die eeuw brak het tijdperk van de Trans-Atlantische scheepvaart aan toen John Cabot (in Venetië geboren als Giovanni Caboto) in 1497 vanuit Bristol vertrok voor de eerste zeereis vanuit Engeland naar Noord-Amerika. Het zou daarna echter nog meer dan een eeuw duren vooraleer er ook Engelse koloniën in de Nieuwe Wereld gesticht werden. Tot die tijd gaven de Spanjaarden er de toon aan, enkel ruimte latend voor de Portugezen in wat we nu Brazilië noemen. Nadat in 1604 een einde was gekomen aan de langdurige oorlog tussen Engeland en Spanje, die in 1588 was aangevangen met de zeeslag tegen de Armada, was het mogelijk voor Engelse kooplieden om ruwsuiker te kopen die afkomstig was van Spaanse plantages in het Caraïbisch gebied en Portugese plantages in Brazilië. In Bristol was het Robert Aldworth die hiermee in 1607 de primeur had en een groot pand kocht aan de oever van de Avon (Northon’s House) om het te laten verbouwen tot een suikerraffinaderij. Omdat het grensde aan het kerkhof van St Peter’s Church kwam het complex bekend te staan als St Peter’s Sugar House.Bristol (4)Afbeelding 4: Foto uit 1926 van St Peter’s Sugar House, dat begin zeventiende eeuw de eerste suikerraffinaderij van Bristol was.

Met slechts één pan bleef dit tot 1654 de enige raffinaderij in Bristol. Ze was volledig aangewezen op de import van muscovado uit de Portugese en Spaanse koloniën, die verpakt in okshoofden (vaten met standaard inhoudsmaat) door een eigen vloot van twintig schepen werd aangevoerd. De opbouw van een Engels koloniaal bezit in West-Indië ten koste van dat van de Spanjaarden was al in 1627 begonnen met de bezetting van Barbados, maar kreeg in 1655 de bekroning door de verovering van Jamaica. In ruim een eeuw tijd werden op dat eiland meer dan honderd suikerrietplantages gesticht, met een gemiddelde oppervlakte van zevenhonderd hectare en zo’n vijfhonderd slaven voor aanplant, oogst en verwerking. De verwerking was vaak een race tegen de klok omdat het sap al binnen een kwartier na persing van het suikerriet in de kookpan moest zitten. Daarna was kristallisatie niet meer mogelijk als gevolg van een natuurlijk fermentatieproces. De werkomstandigheden voor de slaven in de bloedhete kookhuizen waren dan ook ronduit afmattend. Tussen 1654 en 1694 verdubbelde de hoeveelheid aangevoerde muscovado in Bristol zich van ruim drieduizend naar meer dan zesduizend okshoofden, die jaarlijks uit de ruimen van gemiddeld zestig schepen aan land werden gebracht. De uitbreiding van het aantal sugar houses liet dan ook niet lang op zich wachten en in 1695 telde de stad al tien suikerraffinaderijen, waarvan vijf aan de Avon en twee aan de Frome gelegen waren. Niet alleen de muscovado werd per schip aangevoerd, maar ook de steenkool voor de verhitting van de pannen en de kalk en klei voor het raffinageproces. De sugar houses beschikten meestal ook over een eigen waterbron, een kuiperij voor reparatie van okshoofden, een magazijn voor opslag van muscovado, een stal en een administratiekantoor.

Gedurende de achttiende eeuw steeg de suikerimport jaarlijks met gemiddeld zeven procent, waarvan de helft afkomstig uit Jamaica. In 1760 telde Bristol inmiddels twintig raffinaderijen. Nieuwkomers hadden zich gevestigd in buurten buiten het oude stadshart, maar nog altijd aan het water van beide rivieren: Temple,  St Thomas, St Phillip en St Mary aan de Avon en St John en St James aan de Frome. Eén van hen bevond zich aan de Lewin’s Mead, nabij de brug over de Frome en ontleende ook haar naam aan die locatie: St John’s Bridge Sugar House. De onderneming was in 1728 opgericht door Edward Reed en daarna tot 1834 voortgezet door achtereenvolgens Henderson & Peach, Joseph Rigge, Miles & Ingram, Bamford & Matthews en Holden & Vining. Tegenwoordig bevindt het zich in fraai gerestaureerde toestand en biedt het onderdak aan de gasten van ‘Hotel du Vin Bristol’. Menig raffinadeur verdiende een fortuin aan de suiker waardoor hij zich een riant buitenhuis kon permitteren. Door hun vooraanstaande positie kwamen ze ook in aanmerking voor prestigieuze ambten. Zo waren er zestien van hen burgemeester, negenentwintig schout en acht partner in een Bristolse bankinstelling. Desalniettemin was het een risicovolle business omdat Engeland regelmatig verwikkeld raakte in zeeoorlogen die de grondstofaanvoer deden stagneren. Iedere keer volgde daarna weer een opleving en dat was ook de verwachting toen er in 1792 voor de zoveelste maal oorlog uitbrak met Frankrijk. Dit keer duurde het conflict met het revolutionaire regime aldaar echter tien jaar en werd al snel gevolgd door de Napoleontische oorlogen. Zeven sugar houses hielden dit niet vol en moesten hun deuren sluiten.19th Century sugar factory, illustrationAfbeelding 5: Zuivering van de ruwsuiker met ossenbloed maakte in de negentiende eeuw plaats voor filtratie met behulp van canvasdoek (hier zichtbaar) en cilinders gevuld met beenzwart.

Door de opkomst van stoomkracht vond echter gelijktijdig een schaalvergroting plaats die voor de suikerondernemers in Bristol moeilijker te realiseren was dan voor hun concurrenten in de grotere havens van Liverpool en London. De aanschaf van een stoommachine was een grote kapitaalinvestering en daar bleef het niet bij, want begin negentiende eeuw deden ook andere machines hun intrede die van de suikerraffinaderij een echt industrieel bedrijf maakten. De vacuümpan, in 1812 gepatenteerd door Edward Howard, maakte het mogelijk om bij lagere temperaturen te koken, terwijl dankzij centrifuges helderwitte kristallen van superieure kwaliteit afgescheiden konden worden. Conrad Finzel was één van de weinige raffinadeurs in Bristol die deze moderniseringssprong wist te maken. Hij was in 1793 in Duitsland geboren en had het vak in Londen geleerd. In 1839 kocht hij de raffinaderij aan de Counterslip, met een loskade op de zuidoever van de scherpe bocht in de Avon.  Sinds 1681 was hier al suiker verwerkt, maar daar leek een einde aan te komen toen het complex in 1846 volledig uitbrandde. Finzel greep deze ramp echter aan om een volledig nieuwe raffinaderij te laten bouwen, die destijds de grootste van Engeland was. Zevenhonderd werknemers produceerden hier wekelijks twaalfhonderd ton suiker met behulp van drie grote vacuümpannen en centrifuges die aan twee minuten voldoende hadden om de kristallen uit te slingeren. Het bedrijf beschikte over een eigen laboratorium waar nieuwe partijen ruwsuiker getest konden worden om de optimale raffinagecondities vast te stellen. De tijd waarin ruwsuiker enkel uit  West-Indië kwam was namelijk voorbij, want ondertussen werd het ook uit Mauritius, Cuba en Java aangevoerd. Finzel stond bekend als een sociale werkgever, die zijn arbeiders beter betaalde dan de andere suikerondernemers in Bristol. Bovendien liet hij een leeszaal voor hen inrichten en konden ze een beroep doen op een ziekenkas en pensioenregeling.

Na zijn overlijden in 1859 werd Conrad Finzel I opgevolgd door zijn zoon Conrad Finzel II, die de suikerraffinaderij tot 1877 wist voort te zetten. De winstgevendheid was toen al sterk teruggelopen door de import van goedkope bietsuiker uit Nederland en Frankrijk. Daarnaast kwamen de grote stoomschepen vanaf 1877 niet verder dan de nieuwe haven aan de monding van de Avon (Avonmouth Docks). Voor de resterende tien kilometer over de kronkelende rivier moest de ruwsuiker en steenkool vervolgens overgeladen worden op binnenvaartschepen om bij de raffinaderijen te geraken. Daarvan waren er toen nog maar vier actief. Voor die van Finzel viel het doek in 1881, nadat enkele ondernemers het nog vier jaar geprobeerd hadden. De gebouwen kwamen daarna in gebruik van een bierbrouwerij, die er onder verschillende eigenaren (Georges Bristol Brewery, Courage en Scottish & Newcastle) tot 1991 in productie bleef. De laatst overgebleven suikerraffinaderij in Bristol was toen al lang gesloten (1912). Na de eeuwwisseling ontwikkelde men onder de naam ‘Finzels Reach’ plannen voor herbestemming van de locatie, die door de recessie van 2008 pas vijf jaar later van start konden gaan. Enkele beeldbepalende gebouwen van de raffinaderij bleven hierin dankzij hun monumentenstatus behouden, terwijl de rest van het complex plaats maakte voor nieuwbouw met 168 hotelbedden 420 appartementen, winkelruimten en kantoren. Blikvanger is een S-vormige voetgangersbrug die sinds haar opening in 2017 de verbinding vormt tussen ‘Finzels Reach’ en Castle Park aan de overzijde van de Avon.

Het project vormt onderdeel van de totale herontwikkeling van de ‘Floating Harbour’ die al decennialang gaande is. Deze haven ontstond begin negentiende eeuw toen een deel van de Avon aan beide uiteinden met sluizen werd afgesloten, nadat aan de zuidzijde van de stad een omleiding was gegraven die bekend kwam te staan als de ‘New Cut’ (zie afbeelding 3). Eeuwenlang was de scheepvaart op de Avon al geplaagd door het enorme getijdenverschil van deze rivier, dat maximaal negen meter bedraagt en veroorzaakt wordt door de trechtervorm van het Severn-estuarium. Schepen die in Bristol ankerden, kwamen tijdens eb regelmatig op het droge te liggen en dat kon bij een te zware belading, in combinatie met een slechte staat van onderhoud, wel eens verkeerd aflopen. De waterbouwkundige ingreep, die in 1809 voltooid was, zorgde ervoor dat de schepen te allen tijde bleven drijven en kreeg daarom de naam ‘Floating Harbour’. Sinds de economische activiteiten zich helemaal naar de ‘Avonmouth Docks’ verplaatst hebben, verrijzen er appartementencomplexen en kantoorlocaties langs de oude kades en krijgen oude havenloodsen en rederijkantoren een nieuwe bestemming. De herinnering aan het maritieme verleden wordt levend gehouden dankzij een aantal museumschepen. Zo is er een replica van de Matthew te bezichtigen, het karveelschip waarmee John Cabot in 1497 naar Newfoundland voer. In een droogdok ligt de originele SS Great Britain, het revolutionaire stoompassagiersschip dat de bekende ingenieur Isambard Kingdom Brunel er in 1843 van stapel liet lopen. Haar stoommachine met scheepsschroef stelde het schip in staat om de oversteek van Bristol naar New York in veertien dagen te maken. Door met de trein via de Great Western Railway Line – eveneens door Brunel gebouwd – van London naar Bristol te sporen, was het mogelijk om in recordtijd tussen beide hoofdsteden te reizen.Bristol (5)Afbeelding 6: Suikerraffinaderijen vielen regelmatig ten prooi aan de vlammen als gevolg van hun brandgevaarlijke procesvoering. De brand van 1846 in Finzel’s bedrijf is destijds op doek vastgelegd.