Leiden

Leiden (4)Afbeelding 1: Meelfabriek De Sleutels, gezien vanaf de overzijde van de Zijlsingel. V.l.n.r. het meelpakhuis uit 1937 en de silogebouwen uit 1937, 1904 en 1955.

De moderne vestingwerken met aarden wallen en bastions die in de zestiende- en zeventiende eeuw werden aangelegd moesten de stad bescherming bieden tijdens belegeringen die soms maandenlang duurden. Voldoende voedsel, vooral meel om brood te bakken, was dan minstens zo belangrijk en de stadsmolens speelden daarin een belangrijke rol. Zoals stadsgezichten uit die tijd laten zien bevonden deze zogenaamde standaardmolens zich vaak boven op de bolwerken en waren opgetrokken uit hout om in oorlogstijd snel opgeruimd te kunnen worden. Uiteraard nadat al het graan gemalen was, of men moest binnen de stad nog over zogenaamde stellingmolens beschikken die dankzij hun hoge romp boven de bebouwing uitstaken om voldoende wind te vangen. In Leiden was de situatie niet anders en standaardmolen De Put en stellingmolen De Valk herinneren daar vandaag de dag nog aan. Aanzienlijk zeldzamer is echter dat de industriële opvolger van de korenmolen, de meelfabriek, op een bastion gebouw werd. Dat dit in Leiden met meelfabriek ‘De Sleutels’ gebeurd is vindt o.a. zijn oorsprong in de teloorgang van de lakennijverheid aan het einde van de zeventiende eeuw. Dit veroorzaakte een bevolkingskrimp waardoor de stadsuitleg aan de noordelijke en oostelijke zijde grotendeels leeg bleef. Daardoor was er ten tijde van de industrialisatie voldoende ruimte om binnen de voormalige stadsgrachten, de singels, fabrieken te bouwen. Aan de noordzijde getuigen de energiecentrale (voortgekomen uit de gemeentelijke gasfabriek) en de textielfabriek van Clos & Leembruggen nog van deze ontwikkeling, aan de oostzijde enkel de meelfabriek. Maar op het bolwerk ten noorden van de meelfabriek, nu het Ankerpark, was vroeger de Koninklijke Nederlandsche Grofsmederij gevestigd en op het zuidelijk daarvan gelegen bastion stond eens katoenweverij De Heyder & Co (nu Katoenpark). Terwijl in veel andere steden de fabrieken bij voorkeur langs de spoorlijnen neerstreken, bleven deze in Leiden daar opvallend afwezig want via het water had de stad uitstekende vaarverbindingen met zuid (de Vliet), oost (Oude Rijn) en noord (Leidse Trekvaart). Daarvan profiteerde meelfabriek De Sleutels, die het graan vervolgens via de Zijlsingel tot aan haar voordeur kon laten aanvoeren. Om die reden kon de bedrijfsvoering er lang volgehouden worden, totdat in 1988 de productie verplaatst werd naar andere vestigingen van het MENEBA-concern, waarvan het inmiddels onderdeel was gaan uitmaken. Een lange periode van leegstand volgde, waarin het maar weinig had gescheeld of de meelfabriek had hetzelfde lot ondergaan als haar voormalige buren aan de Zijlsingel. Na plaatsing op de Rijksmonumentlijst in 2000 was dat gevaar geweken, maar het duurde nog tot 2012 vooraleer er een masterplan lag om het complex een nieuwe bestemming te geven. Rondom de hoge silogebouwen zijn woontorens voorzien met appartementen en studentenwoningen. In de meelfabriek zelf komt een hotel met zeventig kamers, restaurant, fitnessstudio, expositieruimte, ateliers en kantoorvleugel. Vijf jaar later is hier maar weinig voortgang in te bespeuren, hoewel een paar kilometer verderop in Leiderdorp de succesvolle brasserie in meelfabriek De Zijlstroom uit 1916 laat zien hoe het ook kan.Leiden (5)Afbeelding 2: Meelfabriek De Koster & Co kort na de eeuwwisseling, met helemaal rechts enkele bedrijfsgebouwen van de Koninklijke Nederlandsche Grofsmederij.  

Adriaan Koole kocht in 1883 grond op het bastion aan de Zijlsingel voor de bouw van een stoommeelfabriek nadat zijn korenmolen De Oranjeboom ten gevolge van blikseminslag was afgebrand. Een jaar later ging hij een vennootschap aan met graanhandelaar Arie Koster om de grondstofaanvoer van het bedrijf zeker te stellen. Na het overlijden van Koole in 1886 kwam de meelfabriek, die voor zijn tijd bijzonder modern was ingericht, bekend te staan onder de naam De Koster & Co, die in 1928 weer gewijzigd zou worden in ‘De Sleutels’. Door een verwoestende brand in 1891 is er van deze eerste fabriek niets meer overgebleven. Het oudste, nog bestaande gebouw is het ketelhuis uit 1896 dat een tweede brand in 1901 overleefde. Het ontwerp was van de Leidse architect Willem Cornelis Mulder en uniek vanwege het koepeldak van vijftien meter overspanning met een tongewelf van beton, versterkt met ijzeren profielen. Gedurende vier decennia was Mulder in zijn thuisstad actief in de utiliteitsbouw en tekende voor diverse industriële ondernemingen zoals Sajetfabriek Van Wijk & Co, Broodfabriek Ceres, Dekenfabriek Scheltema en de Koninklijke Nederlandsche Grofsmederij. In 1904 kreeg hij weer een opdracht van de meelfabriek, dit keer om een silogebouw te ontwerpen dat direct aan de Zijlsingel moest komen te liggen. Wederom koos hij voor beton, maar ditmaal voor de gehele constructie van zeven etages en daarmee geldt het als vroegste voorbeeld in Nederland v.w.b. silogebouwen.Leiden (6)Afbeelding 3: Het moderne betonnen silogebouw uit 1904 gold letterlijk als visitekaartje voor de meelfabriek.

De vooruitstrevendheid van het bedrijf betrof niet alleen het fabrieksgebouw, maar ook de maaltechniek. Zo kocht men in de jaren dertig moderne walsenstoelen bij de firma MIAG in Braunschweig. Deze Mühlenbau und Industrie Aktiengesellschaft was in 1925 ontstaan uit vier vooraanstaande machinebouwers op het gebied van graanmolens en bracht maalinstallaties op de markt waarin de gezamenlijke kennis en patenten van deze bedrijven was samengebracht. De ‘Walzenstuhl Modell GN & HN’, ‘Plansichter’ (heen- en weergaande zeef) en ‘Getreide-Vorbereiter’ van MIAG werden een begrip binnen de maalderijsector. In nog geen tien jaar tijd groeide MIAG uit tot de meest toonaangevende machinebouwer van graanmolens in de wereld. Voor een optimale bedrijfsvoering van deze installaties nam meelfabriek De Sleutels zelfs een Duitse Mühlenmeister in dienst.Leiden (9)Afbeelding 4: Blik op de walsenstoelen Model HN van MIAG in het riffellokaal.

In de tweede helft van de jaren dertig onderging de meelfabriek haar grootste uitbreiding met een meelpakhuis, twee silogebouwen, een riffellokaal en een schoonmakerij. Het indrukwekkende meelpakhuis grenst met langs- en eindgevel aan de Zijlsingel en is ontworpen in de functionalistische bouwtrant. Kenmerkend zijn vooral de betonnen paddenstoelvloeren, bestaande uit een vlakke vloerplaat ondersteund door achthoekige kolommen, die hier door middel van achthoekige kolomkoppen op aansluiten. De silogebouwen bestaan uit een betonnen celstructuur met trechters op de begane grond en zijn aan de buitenzijde voorzien van de letter ‘S’ die verwijst naar de beginletter van de bedrijfsnaam. Ook de schoonmakerij bestaat uit een vrijdragend betonskelet, bekleedt met bakstenen buitenwanden. Alleen het riffellokaal heeft een volledig geklonken staalskelet met gewalste kolommen. Vernieuwend was hier de houten afdekvloer van vuistdikke planken waarin men gaten kon zagen voor buizen en leidingen, om deze vervolgens weer op te vullen als de opstelling van de MIAG-machines gewijzigd moest worden.Leiden (7)Afbeelding 5: Luchtopname van De Sleutels in het begin jaren ’50 met het ketelhuis (1), oude meelfabriek (2), silogebouw 1904 (3), silogebouw 1937 (4), silogebouw 1938 (5), meelmagazijn (6), riffellokaal (7), schoonmakerij (8) en molengebouw uit 1947 (9). Rechts zijn nog enkele gebouwen van de Koninklijke Nederlandsche Grofsmederij zichtbaar.

Door zijn sterk vergrote maalcapaciteit speelde de meelfabriek inmiddels een sleutelrol in de meelproductie voor westelijk Nederland.  In verband met de voedselschaarste  na afloop van de oorlog was er dan ook alles aan gelegen om deze weer zo snel mogelijk operationeel te maken. Hans Koster, zoon van oprichter Arie, slaagde er in om met hulp van de geallieerden aan partijen graan, brandstof en reserveonderdelen uit de magazijnen van MIAG te komen, waarna de productie weer snel haar vooroorlogs niveau bereikte. Na gereedkomen van een nieuw molengebouw in 1947, dit keer uitgerust met walsenstoelen van de Zwitserse firma Bühler, verdubbelde de totale maalcapaciteit en was ‘De Sleutels’ goed voor zo’n twintig procent van de Nederlandse meelvoorziening. In de jaren vijftig onderging het complex zijn laatste grote uitbreiding met een silogebouw van dertien etages dat was uitgerust met elevatoren om de tarwe uit de afgemeerde schepen omhoog te zuigen. Een belangrijke investering aan afvoerzijde was de bouw van een laadinrichting voor silowagens begin jaren zestig.Leiden (8)Afbeelding 6: Met de komst van een laadinrichting voor silowagens in de jaren zestig behoorde de verpakking in meelzakken definitief tot het verleden.

Naast de elektriciteitscentrale is meelfabriek De Sleutels het enige grootschalige industriecomplex dat nog resteert in de binnenstad en daarmee een herinnering vormt aan de sociale en economische geschiedenis van Leiden. Daar komt bij dat het een staalkaart vormt van zestig jaar industriearchitectuur met constructievormen in ijzer, staal en gewapend beton. Het is vooral laatstgenoemde omstandigheid die er voor heeft gezorgd dat tien van de dertien gebouwen zijn aangemerkt als rijksmonument.