Ede

Ede (2)Afbeelding 1: In het poortgebouw van de ENKA-fabriek waren kantoorruimtes ondergebracht en daarom had het een representatieve uitstraling. Restauratie en herbestemming zullen naar verwachting op korte termijn plaatsvinden.

Zoals reeds besproken in de inleiding van deze rubriek was de chemische industrie in het verleden niet altijd even herkenbaar als vandaag de dag. Soms omdat de fabrieksinstallaties ondergebracht waren in een gebouw dat voorheen voor heel andere doeleinden was bestemd. Soms omdat de producten door het publiek helemaal niet geassocieerd werden met chemische processen. Tot deze laatste categorie kan de kunstzijde-industrie gerekend worden. Hoewel men kan beweren dat het gebruikte voorvoegsel aan duidelijkheid niets te wensen overliet dat het hier om een kunststof ging, kan hier tegen in worden gebracht dat de uitdrukking kunstboter, inmiddels al lang verdrongen door margarine, zeker niet bedoeld was om ook maar de indruk te wekken dat het hier een synthetisch product betrof. Bovendien, net als kunstboter gebruikte men voor kunstzijde een natuurlijke grondstof, cellulose, en is de industrie pas tientallen jaren later volledig synthetische kunstvezels gaan produceren. Maar veel doorslaggevender is waarschijnlijk dat de kunstzijdefabrieken vooral graag hun spinnerijafdelingen toonden en de buitenwereld daarom de indruk kreeg dat het hier om textiel- in plaats van chemische industrie ging. Nationaal en internationaal ontwikkelden beide sectoren zich echter onafhankelijk van elkaar. De textielindustrie had weliswaar een traditie om zelf haar garens te vervaardigen op basis van natuurlijke vezels, maar toen de kunstvezels beschikbaar kwamen liet men het aan andere bedrijven over om deze te produceren. Anderzijds zijn er nauwelijks voorbeelden van kunstzijdeproducenten die zelf hun garens tot textiel gingen verwerken en vrijwel zonder uitzondering ontwikkelden zij zich tot een chemiebedrijf of gingen daar (tijdelijk) onderdeel van uitmaken. Dat laatste gold ook voor het bedrijf ENKA uit deze reportage, met dien verstande dat de activiteiten in Ede altijd beperkt zijn gebleven tot de kunstvezelproductie. Na sluiting van de fabriek in 2002 liet herbestemming van het complex lang op zich wachten, maar is ondertussen in volle gang. Het terrein zal grotendeels met woningen worden ingevuld, waarbij een aantal markante fabrieksgebouwen behouden blijven. De nieuwe woonwijk zal ENKA gaan heten om de herinnering aan deze bedrijfsnaam, die in 1988 op hield te bestaan, levend te houden.Ede (1)Afbeelding 2: Het was-, kleed- en schaftgebouw dateert uit 1950 en zal na restauratie dienst gaan doen als brede school met een basisschool, peuterspeelzaal en kinderdagverblijf.

Jacques Hartogs, grondlegger van ENKA, maakte kennis met de kunstzijde-industrie toen hij kort na de eeuwwisseling in het kader van zijn opleiding tot academisch chemicus stage liep bij het Britse bedrijf Courtauld in Coventry. De voorouders van fabrikant Samuel Courtauld kwamen als zijdewevers uit Frankrijk en in dat land werd in de negentiende eeuw ook de kunstzijde ontwikkeld door de wetenschapper Hilaire de Chardonnet. Het productieproces berustte op het oplossen van cellulose (bijvoorbeeld gewonnen uit hout) met loog en zwavelkoolstof, waarna deze gel vervolgens door zogenaamde spindoppen in een bad van zwavelzuur geperst werd zodat zich weer opnieuw cellulose vormde, maar dan in de vorm van vezels. Het garen dat hiervan gesponnen werd duidde men aan als rayon, dat later ook de Nederlandse benaming kunstzijde zou gaan verdringen. Hartogs bedacht een nieuwe samenstelling voor het spinbad, maar omdat daar geen belangstelling voor bestond keerde hij terug naar Nederland om er daar patent op aan te vragen. Na zijn promotie in 1910 besloot hij zijn vinding te gelde te maken door zelf een kunstzijdefabriek te beginnen. Als vestigingsplaats koos hij voor Arnhem, vanwege de ruime beschikbaarheid van zuiver water voor de chemische processen. De Naamloze Vennootschap die hij stichtte droeg de naam Nederlandsche Kunstzijdefabriek, later afgekort tot ‘NK’ en door de uitspraak ‘eNKa’ uitgeschreven tot ENKA. Het was het Nederlandse bedrijfsleven niet ontgaan dat er met dit product in het buitenland mooie winsten werden gemaakt en Hartogs slaagde er dan ook in om enkele prominente zakenlieden als commissaris aan zijn onderneming te binden, zoals Frits Fentener van Vlissingen van de Steenkolen-Handelsvereniging (SHV). Dat men het moest hebben van de export stond al vanaf het begin vast, omdat de Nederlandse textielindustrie relatief klein van omvang was en niet over de knowhow beschikte om rayon te verwerken. In 1913 was de fabriek aan de Arnhemse Vosdijk gereed en kon het eerste garen geproduceerd worden. Dat was in kwaliteit weliswaar nog inferieur aan wat buitenlandse concurrenten vervaardigden, maar toen een jaar later door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veel productiecapaciteit in Duitsland, Frankrijk, België en Engeland wegviel maakte Hartogs daar handig gebruik van door de textielfabrieken vanuit het neutrale Nederland te gaan beleveren. Na 1918 was het met deze comfortabele positie snel gedaan, maar ENKA had inmiddels wel een omvang bereikt dat het kon deelnemen aan de zware concurrentiestrijd die toen ontbrandde. Want in de jaren twintig gingen ook bedrijven in landen als de Italië, Japan en de Verenigde Staten zich op deze markt storten, en zelfs in Nederland, waar nog steeds nauwelijks afnemers waren, trad een nieuwe speler toe tot de sector. Het was de Bredase ondernemer in gewapend beton Charles Stulemeijer die in 1921 de NV Hollandsche Kunstzijde Industrie (HKI) oprichtte en een fabriek in zijn woonplaats liet bouwen. Hartog’s antwoord hierop bleef niet lang uit en ook hij gaf opdracht tot de bouw van een nieuwe fabriek, dit keer in Ede. Er was in Arnhem namelijk krapte ontstaan op de arbeidsmarkt, want wat het arbeidsintensieve karakter betreft deed de kunstzijde-industrie in die beginjaren niet onder voor de textiel. In het dorp Ede waren de werknemers, en vooral werkneemsters, nog ruim voor handen en datzelfde gold voor het zuivere water dat ook hier rijkelijk afstroomde van de Veluwe. Een terrein langs de spoorlijn Utrecht-Arnhem dat bekend stond als Schraaljammer werd door Hartogs aangekocht en al in 1922 kon de fabriek in bedrijf worden gesteld die toen tot de grootsten van Europa behoorde. In de daaropvolgende jaren opende ENKA ook fabrieken in Frankrijk, Italië, Engeland en de Verenigde Staten. De stormachtige ontwikkelingen binnen de kunstzijde-industrie kregen een speculatief karakter en Hartogs maakte hier gebruik van door een belang in concurrent HKI te verwerven. Het was zijn laatste wapenfeit als directeur van ENKA want vanaf 1929 ging het bedrijf samen met de Duitse Vereinigte Glanzstoff Fabriken uit Wuppertal verder onder de naam Algemeene Kunstzijde Unie (AKU) waarin voor hem enkel nog een rol als gedelegeerd commissaris was weggelegd. Toen hij in 1932 overleed deelde de kunstzijde-industrie volop mee in de economische malaise en was haar personeelsbestand sterk teruggelopen.Ede (3)Afbeelding 3: In de zogenaamde bitterzoutloods uit 1926 zijn inmiddels vijftien loftwoningen gerealiseerd. Het laad- en losperron werd daarbij vervangen door afzonderlijke bordessen, de luifel bleef gehandhaafd. Bitterzout, of natriumsulfaat, was een bijproduct van het rayonproces dat ontstond bij de neutralisatie van natronloog met zwavelzuur.

Toch stonden de ontwikkelingen binnen de branche gedurende de jaren dertig bepaald niet stil, aangezien velen van haar toekomstperspectief overtuigd waren. Op technisch vlak zagen zij dit bevestigd door de uitvinding van de nylonvezel in 1935 door Wallace Carothers van het Amerikaanse chemiebedrijf Dupont. Wat sterkte en elasticiteit betreft was deze vezel superieur aan rayon en de soepelheid van nylonweefsel benaderde die van natuurzijde. Bovendien was polyamide – de scheikundig benaming van nylon – de eerste synthetische vezel, omdat haar basisstoffen niet meer in de natuur maar via chemische productieprocessen tot stand kwamen. Toepassingen als dameskousen en panty’s, maar vooral parachutes tijdens WOII droegen er toe bij dat het nieuwe materiaal al snel bekend werd bij het grote publiek. Gedurende de eerste oorlogsjaren draaiden de fabrieken in Arnhem en Ede op volle capaciteit om aan de vraag van de bezetter te kunnen voldoen. Er werden in Arnhem zelfs versneld twee fabrieken bijgebouwd op een nieuw industrieterrein aan de oevers van de Rijn, de Kleefse Waard geheten. Vanwege een groeiend gebrek aan cellulose werden deze ingericht met installaties om kunstvezel te produceren op basis van alternatieve grondstoffen: stro voor rayon en caseïne voor ‘Enkasa’, een vervanger van wol. Tot grootschalige inzet van deze productieprocessen is het niet meer gekomen. Hoewel de krijgshandelingen in het kader van operatie Market Garden de nodige schade toebrachten aan de fabrieken, slaagde men er al relatief kort na de bevrijding in om deze weer operationeel te maken ten behoeve van de rayonproductie. Enkele jaren later was men al in staat om ook polyamidegarens te produceren, waarvan de merknaam ‘Enkalon’ geïnspireerd was op het nylon van Dupont. Het aantal toepassingen van deze kunstvezel breidde zich snel uit (naast kleding ook vloerbedekking, visnetten etc.), maar dat gold evenzeer voor het aantal producenten en al in de loop van de jaren vijftig was er sprake van overproductie. En dit herhaalde zich met polyester, een synthetische vezel die ENKA als ‘Terlenka’ op de markt bracht (afgeleid van Tereftaalzuur, één van de grondstoffen) en het vooral goed deed als menggaren in stoffen die kreukvrij moesten blijven. De sector zocht dan ook naarstig naar mogelijkheden om op basis van dezelfde grondstoffen nieuwe producten te ontwikkelen, zo ook ENKA. Met hetzelfde chemische proces als voor rayon produceerde men uit cellulose de verpakkingsfolie cellofaan, door enkele aanpassingen carboxymethylcellulose (CMC) dat als bindmiddel in verven toepassing vond. Het basisproduct voor polyamide en polyester ging als granulaat naar de vezelfabrieken, maar later ook naar de kunststofverwerkende industrie die er met spuitgietmachines  plastic verpakkingen, huishoudelijke artikelen of technische onderdelen van vervaardigde. Soms koos ENKA er voor om zelf een consumentenproduct op de markt te brengen, waarvan de ENKA-zeem het meest bekende voorbeeld was dankzij een reclamespotje. Bouw van nieuwe fabrieken voor deze producten vond plaats in regio’s waar de arbeidskosten nog relatief laag waren, zoals Steenbergen in West Brabant en Emmen in Drenthe. Vooral in laatstgenoemde plaats ontstond een omvangrijk industriecomplex dat aan duizenden mensen werk bood. Net zo belangrijk echter was het centrale onderzoekslaboratorium in Arnhem om nieuwe uitvindingen tot een product te ontwikkelen. Daar beperkten de onderzoekers zich niet enkel meer tot de kunstvezels, maar begaven zich ook op andere gebieden binnen de industriële chemie. In 1969 was moederbedrijf AKU namelijk gefuseerd met de chemiebedrijven Koninklijke Nederlandsche Zoutindustrie en Koninklijke Zwanenberg Organon tot AKZO dat zich naast kunstvezels ook richtte op soda- en chloorchemie, verfproductie en farmacie. In de jaren zeventig leek het er even op dat men met een nieuw ontwikkelde kunstvezel letterlijk en figuurlijk goud in handen had. Supersterk en zeer temperatuurbestendig overtrof dit aramide haar voorgangers waar het aan kwam op toepassingen die hoge eisen stelden. Veel plezier beleefde AKZO echter niet aan dit goudgele garen dat de naam Twaron mee kreeg. Concurrent Dupont bleek met het min of meer identieke Kevlar in hetzelfde vaarwater te zitten en de jarenlange patentenstrijd die volgde kostte het bedrijf een vermogen dat nooit werd terugverdiend. Wereldwijd verkeerde de kunstvezelindustrie in malaise en er bestond geen vertrouwen meer dat een nieuw product daar verbetering in zou brengen. De ene na de andere fabriek werd gesloten en de productie verplaatste zich naar lagelonenlanden. Landelijke bekendheid kreeg wat dat betreft de voormalige HKI-fabriek in Breda, waar het personeel door een bedrijfsbezetting een ‘levensverlenging’ van tien jaar wist af te dwingen. Hetzelfde verging het na de eeuwwisseling met de farmaceutische divisie van AKZO, dat na de recente verkoop van zijn chemietak alleen nog actief is op het gebied van verf en coatings. Dankzij een fusie met het Zweedse Nobel en Britse ICI behoort ze daarin wel tot de grootste bedrijven ter wereld.Ede (6)Afbeelding 4: Luchtopname van het ENKA-complex uit de jaren vijftig met het poortgebouw (1), kantinegebouw (2), bitterzoutloods (3), ketelschoorsteen (4), spinnerijschoorsteen (5), spoorlijn Arnhem-Utrecht (6) en ENKA-dorp ‘Vooruit’(7).

Het was een imposant fabrieksgebouw dat in 1922 gereedkwam op de voormalige heidevelden ten zuiden van Ede. Gebouwd in carrévorm met torens op de hoeken en een vloeroppervlak van 54.000 vierkante meter oogde het als een ware industrieburcht, met de 75 meter hoge schoorsteen van de elektriciteitscentrale in het centrum als ‘donjon’. Het totale fabrieksterrein besloeg 37 hectare en was o.a. voorzien van een spooremplacement voor aanvoer van grondstoffen en afvoer van  gereed product. Ook veel personeel kwam overigens dagelijks per trein naar Ede, want Hartogs had zich danig verkeken op het  arbeidspotentieel van het dorp. In 1928 telde de fabriek ruim vijfduizend werknemers, waarvan er vele uit de wijde omtrek afkomstig waren. Niet alleen met speciale werkliedentreinen, maar ook met zo’n veertig bussen van de eigen vervoersmaatschappij EVA reisden zij naar hun werk. Deze afkorting stond voor NV Exploitatiemaatschappij Voor Autobussen, maar menigeen zag hierin een verwijzing naar de sterke oververtegenwoordiging van jonge meisjes onder de passagiers. In deze beginjaren maakten vrouwen zo’n zestig procent uit van het personeelsbestand en zij werden vooral ingezet voor het arbeidsintensieve sorteren en wassen van de strengen, aangezien het efficiëntere continuvezelproces pas later haar intrede deed.  Om een vaste kern van geschoolde arbeiders en beambten aan zich te binden liet Hartogs een tuindorp ten westen van de fabriek bouwen. Voor het beheer richtte hij de woningbouwvereniging ‘Vooruit’ op die driehonderd arbeiderswoningen en dertig middenstandswoningen in het ENKA-dorp verhuurde. Vanuit het bedrijf, en vooral door de vrouw van Hartogs, werd geprobeerd om een intensief buurtleven te scheppen. De arbeiders hadden de neiging om zich aan deze druk te onttrekken, waardoor er reeds in de jaren dertig grote leegstand in de wijk ontstond. In 1984 hield de ‘Vooruit’ op te bestaan en gingen de woningen over in handen van coöperatie ‘Woonstede’ die er in de jaren negentig een honderdtal renoveerde en de rest liet slopen. Produceerde de fabriek in het eerste jaar nog maar honderd ton kunstzijde, een jaar later was dit al negenhonderd ton en in 1925 tweeduizend ton. Met enig gevoel voor overdrijving sprak men over Ede wel als het ‘Nederlandse Lyon’, daarmee verwijzend naar de Franse stad die bekend stond om haar zijde-industrie. De arbeidsomstandigheden lieten echter nog veel te wensen over, met name in de spinnerij waar zwavelhoudende verbindingen vrijkwamen (restanten van het zwavelkoolstof en zwavelzuur uit het productieproces) die oogirritaties veroorzaakten. Ter voorkoming van ‘spinogen’ kwamen er vanaf 1928 afdichtingen rond de spinmachines en afzuiginstallaties die verbonden waren met een nieuwe schoorsteen. Deze schoorsteen van de spinnerij was aanmerkelijk forser dan die van het ketelhuis en er werd al gauw gesproken van ‘De Dikke’ en ‘De Dunne’. In de tachtig jaar dat de fabriek actief was is ze altijd rayon, later sprak men meestal van ‘viscose’, of daarvan afgeleide producten zoals sponzen en zemen blijven produceren. Dankzij mechanisering en later automatisering slaagde men er in om tot medio jaren negentig winstgevend te blijven, terwijl AKZO toen al afscheid had genomen van de Enkalon- en Terlenka-garens vanwege oplopende verliezen.Ede (5)Afbeelding 5: Om ongewenste contacten tussen jonge vrouwen en mannen te voorkomen liet ENKA de dienst van de meisjes een kwartier eerder eindigen. Het haalde weinig uit, ze bleven wachten voor de bedrijfspoort.

Als de nieuwbouwwijk op het voormalige ENKA-terrein gereed is zal deze zo’n dertienhonderd woningen omvatten. Te midden daarvan zullen beide fabrieksschoorstenen en enkele gebouwen als industrieel erfgoed behouden blijven en een nieuwe bestemming krijgen. De westvleugel met sheddaken uit 1928 biedt inmiddels onderdak aan een experience center van fietsenproducent Accel en in de Bitterzoutloods uit 1926 zijn loftwoningen gecreëerd. Het monumentale poortgebouw uit 1928 en de kantine uit 1951 zijn door de Nationale Maatschappij tot Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel Erfgoed (BOEi) aangekocht die er o.a. een brede school in wil vestigen.Ede (4)Afbeelding 6: In de nieuwe wijk zal ook de spinnerijschoorsteen behouden blijven.