Heimbach

Afbeelding 1: De waterkrachtcentrale van Heimbach geldt als een pareltje van Jugendstil-architectuur en wekt ook nu nog elektriciteit op.

De vergelijking is al vaker gemaakt, de opkomst van elektriciteit bracht rond 1900 net zo’n revolutie teweeg als het internet dat rond de laatste eeuwwisseling deed. En net zoals de provider- en platform companies vandaag de dag vanuit hippe hoofdkwartieren opereren, zo lieten destijds de elektriciteitsmaatschappijen prestigieuze kantoorgebouwen neerzetten om moderniteit uit te stralen. De architecten die hiervoor aangetrokken werden maakten voor hun ontwerpen regelmatig gebruik van stijlkenmerken uit de Art-Nouveau, of Jugendstil, die in die jaren haar hoogtepunt beleefde. Misschien wel het meest uitgesproken voorbeeld daarvan staat in het Duitse Heimbach. Bijzonder is echter dat hier niet om een kantoorgebouw gaat, maar om de centrale zelf en dat deze in niet een grote stad staat, maar ver weggestopt in de uitlopers van het Eiffelgebergte. Dat dit fraaie bouwwerk in het dal van de Rur ligt, terwijl het energie opwekt met het water uit de Urft, draagt er eveneens toe bij dat dit allesbehalve een normale waterkrachtcentrale is, die je eigenlijk aan de voet van een stuwdam zou verwachten.Afbeelding 2: Het Wasserkraftwerk Heimbach (1) krijgt zijn water via een kanaal (2) door de Kermeter-heuvelrug aangevoerd vanuit de Urftsee (3). De Urfttalsperre (4) kwam gereed in 1904, de Rurtalsperre (6) pas in 1938, waardoor de Rurstausee (5) en het Staubecken Heimbach (7) ontstonden.

Het heuvellandschap ten zuiden van Aken, Düren en Euskirchen dankt haar afwisselende karakter aan een wirwar van stuwmeren. In een tijdsbestek van amper een halve eeuw ontstond na 1900 een wijdvertakt net van ‘Stauseen’ in de stroomgebieden van de Rur (die in Nederland als ‘Roer’ in de Maas uitmondt) en haar zijrivieren Olef en Urft, om in de toenemende waterbehoefte van de industrieregio’s Aken en Jülich-Düren te kunnen voorzien. Vooral de expanderende papier- en textielindustrie, maar ook de vele metaalfabrieken waren op het kraakheldere water van de Rur aangewezen, dat voor een betrouwbare bedrijfsvoering gelijkmatig en in voldoende hoeveelheden ter beschikking moest staan. De regenrijke Noord-Eiffel mag dan garant staan voor jaarlijkse neerslaggemiddelden van 900 tot 1300 mm, dat water dient zich echter zeer onregelmatig aan, hetgeen in vroeger tijden catastrofale overstromingen in de wintermaanden, en droge rivierbeddingen in zomer tot gevolg had. Meer dan drieduizend hectare akker- en weiland gingen zo voor intensief agrarisch gebruik verloren.

In opdracht van het Rijnlandse provinciebestuur ontwierp professor Otto Intze, die als verantwoordelijke voor waterbouw verbonden was aan het Pruisisch Polytechnicum in Aken, een concept voor de aanleg van een stuwmerensysteem in de Noord-Eiffel. Uitgangspunt was de regulering van de waterafvoer van de Rur met als doel om hoogwaterpieken op te vangen in stuwmeren van waaruit in droge periode de benedenloop van de rivier gelijkmatig gevoed zou kunnen worden. In 1899 kwamen de ‘Landkreisen’ Düren, Aken, Schleiden, Jülich en Heinsberg tot overeenstemming over de oprichting van de ‘Rurtalsperrengesellschaft’ die dit plan moest gaan verwezenlijken. Op haar initiatief tekende Otto Intze de eerste stuwdam (Talsperre) in de Noord-Eiffel, die in het dal van de Urft bij het plaatsje Gemünd tot stand kwam. Als onderdeel van dit project ontwierp en realiseerde hij eveneens een energiecentrale om met het water uit dit stuwmeer  elektriciteit op te wekken. Met een vermogen van 12 MW was het bij oplevering de grootste waterkrachtcentrale (Wasserkraftwerk) van Europa. Na een bouwtijd van vier jaar was de 58 meter hoge Urfttalsperre in 1904 gereed en was een waterreservoir met een volume van 45 miljoen kubieke meter en oppervlakte van 216 hectare ontstaan: de Urftsee. Tot de bouw van de Bobertalsperre in Duits Silezië in 1912 was de Urfttalsperre de hoogste stuwdam van Europa.Afbeelding 3: De Urfttalsperre kwam in 1905 gereed en scheidt sinds 1938 het water van de Urftsee (323 m) en Rurstausee (282 m). Het was destijds de hoogste stuwdam van Europa.

De waterkrachtcentrale bevond zich in Heimbach en was via een bijna drie kilometer lange, horizontale, watergang dwars door de ‘Kermeter’-heuvelrug verbonden met het stuwmeer. Om het resterende hoogteverschil  van 67 meter naar de centrale in het dal van de Rur te overbruggen liepen er twee stalen drukbuisleidingen van 200 meter lengte over de noordhelling van de Kermeter. Het Jugendstilgebouw werd ontworpen door Georg Frenzen en bestaat uit een langgerekte machinehal met boogdak, waar aan de bergzijde een dwarsbouw met twee flankerende torens tegen aan geplaatst is. Typische Jugendstilkenmerken zijn de hyperbolische vensters en portalen en het niervormige pleisterreliëf aan de achterzijde, dat op symbolische wijze de functie van de machinehal verbeeldt. Oorspronkelijk was de centrale uitgerust met acht turbines van het Francis-type die elk op een generator van 1,5 MW waren aangesloten. In 1975 werden ze vervangen door twee turbine-generatorcombinaties met een gezamenlijk vermogen van 16 MW. Twee van de oorspronkelijke turbines konden bij deze modernisering behouden blijven omdat de nieuwe exemplaren minder ruimte innamen. Blikvanger in de machinehal is de schakelcentrale die bestaat uit een marmeren wand waarin hendels, schakelaars, knoppen, stroom- en spanningsmeters van messing zijn aangebracht.Afbeelding 4: Het interieur van de machinehal, met zijn turbines, generatoren en schakelcentrale, bevat eveneens Jugendstil-decoraties.

In de jaren dertig ging men, deels uit oogpunt van werkverschaffing vanwege de crisisomstandigheden, ook in de Rur zelf stuwdammen bouwen. Tussen 1934 en 1938 verrees enkele honderden meters stroomopwaarts van het Wasserkraftwerk Heimbach de ‘Rurtalsperre’ met een hoogte van zeventig en lengte van bijna vijfhonderd meter. Hierdoor ontstond de Rurstausee met een oppervlakte van bijna acht vierkante kilometer en inhoud van ruim tweehonderd miljoen kubieke meter. Ook het water van dit stuwmeer werd benut voor het opwekken van elektriciteit, maar dit keer kwam de centrale wel aan de voet van de stuwdam te staan. Elektriciteit was ondertussen een alom aanwezige energiedrager geworden en daarom bestond er geen aanleiding meer voor architectonische uitbundigheid. Wasserkraftwerk Schwammenauel werd volgens dezelfde strenge, functionalistische principes vormgegeven als binnen de gehele industriële sector toen gangbaar waren. De opbouw uit kubische elementen met platte daken en smalle, hoge ramen getuigt daar nog altijd van. Men installeerde ook hier een Francis-turbine, maar omdat het vermogen hiervan inmiddels sterk was toegenomen kon er worden volstaan met één exemplaar van 9,5 MW.

Ook stroomafwaarts bij Heimbach en Obermauerbach verrezen in dezelfde periode stuwdammen, maar met een veel lager niveauverschil, waardoor het opgewekte vermogen er de amper 1 MW bedraagt. Samen met het Wasserkraftwerk Heimbach produceren ze hoofdzakelijk in de ochtenduren van de doordeweekse dagen elektriciteit om de piekbehoefte te dekken. Sinds de laatste eeuwwisseling staat waterkracht weer volop in de belangstelling als emissievrije energiebron in verband met de klimaatopwarming. Dit leidde tot een plan om stroomopwaarts van de Rurtalsperre een stuwdam te bouwen met een niveauverschil van ruim tweehonderd meter om daarmee 640 MW aan elektriciteit te generen. De hoge bouwkosten en impact op het landschap bleken uiteindelijk voldoende reden om af te zien van dit project.Afbeelding 5: Het contrast in architectuur tussen de waterkrachtcentrales van Schwammenauel (boven) en Heimbach (afbeelding 1), slechts enkele honderden meters van elkaar gelegen, kan bijna niet groter zijn.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog probeerden beide partijen het water uit de stuwmeren voor de strijd in te zetten. De geallieerden voerden luchtbombardementen uit op de stuwdammen om daarmee de watertoevoer en elektriciteitsvoorziening uit te schakelen, maar slaagden niet in hun opzet. In de laatste oorlogsfase besloot het Duitse leger om de Rur als verdedigingsstelling in te richten teneinde de geallieerde opmars naar de Rijn te vertragen. Daartoe lieten ze op 9 februari 1945 de toevoerkanalen van de waterkrachtcentrales van Heimbach en Schwammenauel exploderen. De overstroming die hier het gevolg van was deed het waterpeil in de benedenloop van de Rur bijna een meter stijgen, waardoor deze op veel plaatsen een breedte van zo’n tweehonderd meter aannam. Veel hinder leverde dat de Amerikanen overigens niet op. Dat gold wel voor de weerstand die de Wehrmacht gedurende deze laatste oorlogsfase in het Hürtgenwald, even ten noorden van Heimbach, bood. De bloedige gevechten in de dichte bossen op hellingen van de Eiffel sleepten zich maandenlang voort, met tienduizenden doden en gewonden aan beide zijden tot gevolg.Afbeelding 6: Het water uit de Urftsee stroomt langs helling van de Kermeter-heuvelrug naar beneden nadat Duitse militairen de buisleidingen op 9 februari 1945 hebben opgeblazen.