Saint-Étienne (F)

Saint-Etienne (1)Afbeelding 1: De laatste steenkool kwam in de Puits Couriot op 5 september 1973 bovengronds. In 1991 gingen de leegstaande gebouwen onderdak bieden aan een museum over de geschiedenis van de mijnbouw.

Toen in navolging van Engeland ook andere landen spoorlijnen voor reizigersvervoer gingen aanleggen kozen ze vaak hun hoofdsteden als startpunt voor de aanleg van een netwerk. Zo liep in Nederland de eerste lijn van Amsterdam naar Haarlem (1839) en in België van Brussel naar Mechelen (1835). De allereerste spoorlijnen daarentegen dienden voor het vervoer van steenkool en bevonden zich juist in perifere, dunbevolkte gebieden. Het bekendste voorbeeld daarvan was de Stockton & Darlington Railway die in 1825 door George Stephenson werd gebouwd om er treinen met stoomlocomotieven over te laten rijden voor de afvoer van steenkool uit het bekken van County Durham. Aanvankelijk was nog de aanleg van een kanaal overwogen, maar dat zou door de heuvelachtige terreingesteldheid te ver van de steenkolenmijnen af komen te liggen. Om dezelfde reden was het in Frankrijk Saint-Étienne dat de primeur had van de eerste én tweede spoorlijn van het land. Gelegen op een hoogte van bijna vijfhonderd meter was het steenkooltransport van Saint-Étienne naar de Loire in het westen en de Rhône in het oosten lange tijd problematisch geweest. Dat verbeterde in 1827 met de aanleg van een achttien kilometer lange spoorlijn naar Andrézieux, waarvandaan de steenkool over de Loire naar de havensteden aan de Atlantische kust verscheept kon worden. De kolenwagens werden nog door paarden getrokken, maar toen in 1831 een tweede lijn naar Lyon open ging reed hier voor het eerst een stoomlocomotief met zeven volle wagons overheen. Overslag vond halverwege plaats in Rive-de-Gier, van waaruit de kolenschepen via een kanaal de Rhône, en daarmee de havensteden aan de Middellandse Zee konden bereiken. Deze nieuwe afzetmogelijkheden gaven een nieuwe impuls aan de schaalvergroting van de mijnbouw in Saint-Étienne en omstreken, waardoor het Frankrijks belangrijkste steenkoolgebied kon blijven, totdat het na 1860 door de concurrentie uit het bekken van Nord-Pas de Calais werd ingehaald.Saint-Etienne (4)Afbeelding 2: Kolenvervoer over spoor was essentieel voor het hoog gelegen Saint-Étienne en ook de Puits Couriot, aanvankelijk nog Châtelus III geheten, beschikte daarom over een uitgestrekt emplacement.

De vroegste vermeldingen van steenkolenwinning in Saint-Étienne gaan terug tot de dertiende eeuw, hoewel destijds nog voornamelijk voor plaatselijk gebruik in smederijen en glasblazerijen. Daar kwam verandering in toen in de zestiende eeuw de schippers uit Givors het recht kregen om de steenkool vanuit Rive-de-Gier over het hele stroomgebied van de Rhône tussen Lyon en Marseille te vervoeren. In de zeventiende eeuw waren Clapier, het Bois d’Avaize in Saint-Étienne en de Montagne de Feu in Rive-de-Gier de belangrijkste locaties waar de steenkool werd gedolven doormiddel van open groeven of horizontale gangen in de berghellingen. Wetenschappers begonnen zich toen al te verdiepen in de omvang en het ontstaan van het bekken dat zich van zuidwest naar noordoost bleek uit te strekken over een lengte van vijftig kilometer tussen Loire en Rhône en gemiddeld vijf kilometer breed was. De steenkolenlaag met een dikte van vijf à zeven meter maakte onderdeel uit van het sterk beboste Massif du Pillat dat zich in zuidelijke richting uitstrekte. In de vallei die hier door het riviertje de Gier in was uitgesleten kwam deze laag zichtbaar aan de oppervlakte, zoals dat ook gold voor andere heuvelachtige gebieden waar de steenkolenwinning zich reeds vroeg manifesteerde.  Vooraleer men de ontstaansgeschiedenis beter kon duiden waren er echter nog eens twee eeuwen verstreken. Het geologische tijdvak waarin de steenkool zich gevormd had, tussen de 285 en 295 miljoen jaar geleden, kreeg toen de naam ‘Stéphanien’, afgeleid van Saint-Étienne (waarvan de inwoners ‘Stéphanois’ worden genoemd). De samenstelling varieerde van vette, bitumeuze steenkool in Rive-de-Gier tot magere, antraciet in de sector rond La Talaudière. De regering in Parijs begon eind achttiende eeuw belangstelling te krijgen voor het gebied omdat het rivaliserende Engeland steenkool succesvol was gaan inzetten voor het produceren van hoogwaardig ijzer en het aandrijven van stoommachines, waardoor het technologisch op voorsprong was gekomen. Ingenieur Louis Antoine Beaunier kreeg opdracht om het gebied topografisch in kaart te brengen en in Saint-Étienne een ‘école des mineurs’ op te zetten voor het opleiden van technisch kader. Het was ook Beaunier die in 1816 een smederij liet inrichten voor de vervaardiging van staal ‘selon la méthode allemand’ en in 1823 het ontwerp maakte voor de spoorlijn naar Andrézieux.  Saint-Etienne (3)Afbeelding 3: De dubbele schachtbok uit 1914 van de Puits du Marais in Chambon-Feugerolles. Samen met de Puits des Combes waren dit de enige twee steenkolenmijnen in de vallei van de Ondaine, een zijrivier van de Loire.

De inspanningen van Beaunier wierpen hun vruchten af. Bedroeg aan de vooravond van de Franse Revolutie de productie in het ‘Bassin de la Loire’ , zoals het bekken van Saint-Étienne inmiddels was gaan heten, zo’n honderdvijftigduizend ton op jaarbasis, in 1835 was dit al opgelopen naar meer dan een miljoen ton. Daarmee was het goed voor een derde deel van de totale steenkolenwinning in Frankrijk, ruim meer dan de twintig procent van de mijnen rond Valenciennes (later Nord-Pas de Calais) en helemaal veel in vergelijking met de kleinere bekkens van de Auvergne in het westen, Cevennen in het zuiden en Jura in het noordoosten. Beaunier had het Bassin de la Loire in zestig concessies opgedeeld die echter al snel te klein bleken om er moderne, efficiënte mijnbouwbedrijven op te vestigen. Vooral de benodigde investeringen in stoompompen om schachtbouw te kunnen bedrijven waren voor de vele kleine ondernemingen niet op te brengen. Om schaalvergroting te bereiken kwam er in de jaren dertig een reeks van bedrijfsfusies op gang, waarbij ook een aantal banken betrokken waren. Uiteindelijk slaagde de ‘Compagnie des Mines de la Loire’ (CML) er in om drieëndertig van de zestig concessies in handen te krijgen en daarmee uit te groeien tot monopolist. In 1845 had de ‘Compagnie’ vierduizend mijnwerkers in dienst die in totaal vijfentachtig procent van de totale hoeveelheid steenkool in het bekken bovengronds brachten.

De CML kon door gebrek aan serieuze concurrentie de markt grotendeels domineren en zodoende haar winst maximaliseren. Dit lokte al snel een breed protest uit, niet alleen van de mijnwerkers maar ook landeigenaren, advocaten, kolenhandelaren, transporteurs, kleine mijnbouwondernemers en industriële bedrijven uit andere sectoren. Tussen 1845 en 1854 kwam het meer dan dertig maal tot een staking tegen de CML en ook de gemeenteraad en de kamer van koophandel keerden zich openlijk tegen het monopolie. Met resultaat, want in 1854 werd de CML door keizer Napoleon III ontbonden, waarna de concessies verdeeld werden over vier nieuwe ondernemingen. Dit aantal stond namelijk gelijk aan de middelgrote mijnbouwbedrijven die, naast de kleine steenkolenmijnen, buiten de CML waren blijven voortbestaan. Dit speelveld zou daarna gedurende bijna een eeuw, tot de nationalisatie van 1946, min of meer gehandhaafd blijven. Nadat de concurrentieverhoudingen binnen het Loire-bekken waren hersteld, liet de concurrentie van buitenaf niet lang meer op zich wachten en die werd geboden door de steenkolenmijnen van Nord-Pas de Calais. Door uitbreiding van het spoorwegnet wisten die  snel marktaandeel te veroveren in geheel Noord-Frankrijk en werd het Loire-bekken meer en meer de leverancier voor het zuiden des lands, met echter veel minder industriële bedrijvigheid. Saint-Etienne (2)Afbeelding 4: Het ophaalgebouw van de Puits des Combes in La Ricamarie werd in 1950 volledig uit gewapend beton opgetrokken en is het enige voorbeeld van deze laatste ontwikkeling in de mijnbouwarchitectuur binnen het Loire-bekken.

Om het hoofd te bieden aan de tegenspelers uit het noorden gingen de mijnen in Saint-Étienne en Rive-de-Gier diepere schachten delven om nieuwe, rijke steenkolenlagen aan te kunnen boren. Die bleken echter veel meer gas te bevatten, hetgeen aanleiding gaf tot een reeks van catastrofale explosies die tussen 1867 en 1891 het leven kostten aan meer dan achthonderd mijnwerkers. De grootste ramp voltrok zich in 1889 toen de complete dertiende etage van de Verpilleux I door een gasexplosie werd weggevaagd en de brand die daar op volgde ook oversloeg naar de gangen van naastgelegen mijnen. Ruim tweehonderd mensen kwamen om in wat tot de mijnramp van Courrières in 1906 de dodelijkste van het land zou blijven. Een speciale mijngascommissie bracht in 1890 rapport uit en adviseerde betere ventilatie, gebruik van veiligheidslampen en inzet van betrouwbaardere explosieven. Hoewel de situatie hierdoor aanzienlijk verbeterde, ging het onderzoek volledig voorbij aan het gevaar van ontvlambaar mijnstof. Dit fenomeen was destijds nog onvoldoende begrepen en zou pas na Courrière de nodige aandacht gaan krijgen. Het Loire-bekken had altijd al mijnwerkers van elders aangetrokken, maar door de ongelukken van eind negentiende eeuw nam hun aantal toe, omdat de plaatselijke bevolking minder animo was gaan vertonen voor het ondergrondse werk. De opkomende metaalindustrie, waaronder de Manufacture d’armes de Saint-Étienne (een vuurwapenfabriek in handen van de staat), was wat dat betreft een aantrekkelijkere werkgever geworden. In plaats daarvan kwamen Italianen, Spanjaarden, Portugezen, Polen en Grieken in de mijnen werken. Hun aandeel steeg nog verder toen tijdens de Eerste Wereldoorlog de Franse mijnwerkers massaal werden opgeroepen voor militaire dienst en bedroeg in sommige mijnen toen inmiddels meer dan een kwart. Midden jaren twintig telde Sain-Étienne meer dan vijfduizend buitenlandse arbeiders, waarvan bijna drieduizend mijnwerkers.Saint-Etienne (5)Afbeelding 5: De ophaalmachine van de Puits Couriot is behouden gebleven en te bezichtigen in het Parc-Musée de la Mine.

De economische malaise van de jaren dertig trof het Loire-bekken zwaar, hoewel de problematiek er niet enkel conjunctureel maar ook structureel van aard  was. Dat laatste blijkt uit het feit dat de Société Anonyme (SA) des Houillières de Saint-Étienne, één van de vier bedrijven die was voortgekomen uit de CML, al in 1929 het faillissement moest aanvragen. De overige ondernemingen gingen hun activiteiten concentreren om de kosten te kunnen verlagen. De oudste en meest verliesgevende schachten werden gesloten of ingezet voor personeelsvervoer of ventilatie. Hiertoe werden mijnstelsels ondergronds met elkaar verbonden tot grotere winningslocaties, waarvan er een handvol overbleef: de Puits Gillier in l’Horme als enige in de vallei van de Gier, de Puits Lacroix in La Talaudière voor alle antracietkool, de Puits Pigeot van Montrambert in het uiterste zuidwesten van het bekken, de Puits Couriot en de Puits Verpilleux in Saint-Étienne, de Puits Issac in Roche-la-Molière en de Puits Flottard in Le Chambon-Feugerolles. Deze zeven vestigingen zouden daarna operationeel blijven totdat ze tussen 1968 en 1983 één voor één gesloten werden. In die laatste drie decennia maakte het Loire-bekken overigens af en toe nog onrustige periodes door, zoals in oktober en november 1948 toen er tweeëntwintigduizend mijnwerkers deelnamen aan de grote, landelijke mijnstaking. De gemoederen liepen toen zo hoog op dat Parijs vierduizend militairen naar Saint-Étienne stuurde om de gendarme te ondersteunen. Op 22 oktober kwam het tot een treffen waarbij twee mijnwerkers gedood werden.

Toen in 1973 de Puits de Couriot haar poorten sloot kwam daarmee een einde aan ruim honderdtwintig jaar industriële steenkolenwinning in wat van oorsprong de concessie ‘Beaubrun’ heette. Vanuit het nabij gelegen gehucht Clapier had de bevolking al eeuwenlang op kleinschalige wijze mijnbouw bedreven, maar vanaf 1850 liet de Compagnie des Mines de Beaubrun een nieuwe, diepe schacht graven om de productie op te kunnen voeren: de Châtelus I. Voor de aanvoer van mankracht en afvoer van steenkool werd in 1857 een station geopend aan de spoorlijn van Saint-Étienne naar Montrambert. Enkele jaren later moesten de meeste huizen van Clapier, inclusief het kasteel, plaats maken voor de zich snel uitbreidende activiteiten en in 1870 was men toe aan een tweede schacht om de bedrijfsvoering verder te stroomlijnen. Deze Châtelus II ging voorlopig dienst doen als ventilatieschacht, maar kon niet voorkomen dat ook dit bedrijf in 1887 werd getroffen door een mijngasexplosie waarbij tachtig dodelijke slachtoffers te betreuren waren. De voortzetting van de exploitatie liet daarna vijf jaar op zich wachten, totdat de concessie in handen was gekomen van de SA des Mines de la Loire, destijds geleid door Henri Couriot. Deze gaf in 1908 opdracht tot de aanleg van een derde schacht, die tien jaar later zijn naam ging dragen.  Daarnaast liet hij de sorteerinrichting moderniseren en richtte in 1911 een coöperatie op voor de huisvesting van zijn arbeiders: La Ruche Immobilière (oftewel ‘de bijenkorf’, omdat hij zijn werknemers graag vergeleek met een zwerm vlijtige bijen). Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag het werk vrijwel stil, om pas in 1919 weer te worden hervat. Na ingebruikname van de Couriot-schacht werd Châtelus II in 1922 gesloten en Châtelus I in 1927 voorzien van een betonnen ophaalgebouw. Om verdere uitbreiding in de toekomst mogelijk te maken kocht het bedrijf zo’n vijf vierkante kilometer grond, waardoor groei van Saint-Étienne in westelijke richting niet meer mogelijk was. Ondanks de teruggelopen inkomsten zag men in de jaren dertig toch kans om de mijn te elektrificeren en daarmee veiliger te maken. Die moderne uitrusting was o.a. reden voor Maarschalk Pétain, leider van het collaborerende Vichy-regime, om in 1941 uit oogpunt van propaganda een bezoek te brengen aan de Puits Couriot.Saint-Etienne (6)Afbeelding 6: In het voormalige badhuis van de Puits Couriot zijn in de ‘salle des pendus’ wederom kleren opgehangen, net zoals de mijnwerkers dit deden voordat ze ondergronds gingen.

De nationalisatie van 1946 betekende dat ook de SA des Mines de la Loire in handen van de staat kwam. De mijnbouwsector was cruciaal voor de wederopbouw van het land en de Puits Couriot leverde daar haar bijdrage aan. Er kwam een tweede mijnsteenberg (crassier) met een kabelbaan om de grotere afstand tot de schacht efficiënt te overbruggen en voor het personeel een nieuw badgebouw. Gedurende de twee laatste decennia van de bedrijfsvoering nam het aantal werknemers van buitenlandse afkomst weer aanzienlijk toe, maar nu kwamen ze ook uit Noord-Afrika waar Frankrijk nog tot eind jaren vijftig, begin jaren zestig de koloniale machthebber was in Algerije, Tunesië en Marokko. Omdat ze er ook gezinnen stichtten keerden ze na de mijnsluitingen van de jaren zeventig niet meer terug naar hun land van herkomst, hoewel er in Saint-Étienne evenmin perspectief was op werkgelegenheid. De stad raakte in een diepe crisis met, na Roubaix in het noorden, het hoogste werkeloosheidspercentage van het land. Uitzichtloosheid, criminaliteit en leegloop waren het gevolg en daar is sindsdien nauwelijks verbetering in gekomen. Niettemin zijn er pogingen ondernomen om dit tij te keren, onder meer door het industrieel erfgoed een nieuwe bestemming te geven. Zo werd de Manufacture d’Armes gerestaureerd en vestigingslocatie van de ‘Cité du Design’ met een ontwerpersopleiding en mediatheek. De Puits Couriot ging in 1991 weer open, maar dan als museum voor de geschiedenis van de mijnbouw. De bezoekers zijn er welkom in het ophaalgebouw (chevalement), het badhuis (lavabo), het lampenmagazijn (lampisterie) en in de machinekamer (centrale électrique). Afdalen is voor hen weliswaar niet meer mogelijk, maar dankzij een vierhonderd meter lange reconstructie van een mijngang kunnen ze toch een indruk krijgen van het ondergrondse werk.