Lille

Afbeelding 1: Na een omvangrijke renovatie heeft de maalderij in Marquette-lez-Lille een tweede leven gekregen als wooncomplex.

Net zoals bij onze Zuider- en Oosterburen de uitdrukkingen ‘(bloem)molens’ en ‘Mühle’ nog gebruikelijk zijn als het om een industriële maalderij gaat, zo is dat in Frankrijk het geval met ‘moulins’. Officieel mag een meelfabriek dan een ‘minoterie’ heten, wie op zoek is naar een exemplaar dat inmiddels tot het industrieel erfgoed behoort maakt met ‘moulins’ meer kans. In de Noord-Franse stad Lille kan het dan alsnog mis gaan, want in het stadsdeel ‘Moulins’ zijn enkel textielfabrieken te vinden, die hier in de negentiende eeuw de plaats innamen van de tientallen windmolens die er voorheen langs de uitvalswegen naar Arras en Douai hadden gestaan. Om de sterk groeiende bevolking dagelijks van brood te kunnen voorzien werden er toen ten noorden van de stad twee meelfabrieken gebouwd in het dorpje Marquette-lez-Lille, waar het graan per schip kon worden aangevoerd over het water van de Deûle en de Marque. In de jaren twintig verrees er een nieuwe, grote fabriek ter vervanging een aantal molens in de regio die tijdens de Eerste Wereldoorlog verwoest waren. Deze ‘Grands Moulins de Paris’ bleven vervolgens tot in de jaren tachtig actief, waarna een lange periode van verval volgde, die pas in 2020 ten einde kwam met de transformatie tot een wooncomplex met een allure die de Franse hoofdstad niet zou misstaan.Afbeelding 2: Stoommaalderij ‘Moulin Despretz’ had zich al in de negentiende eeuw in Marquette-lez-Lille gevestigd. De onderneming kreeg haar graan aangeleverd via de Marque, een zijrivier van de Deûle.

De Deûle was al in de middeleeuwen een belangrijke waterweg voor het transport van handelswaar tussen de Vlaamse steden, waar toen ook Lille nog onderdeel van vormde. Destijds ‘Rijssel’ geheten stond het via deze zijrivier van de Leie in verbinding met Kortrijk en Gent en floreerde eveneens dankzij de linnennijverheid. Marquette-lez-Lille kreeg pas een rol van betekenis toen de rivier in de negentiende eeuw gekanaliseerd werd, vooral ten behoeve van het vervoer van steenkool vanuit de Noord-Franse mijnen naar de textielfabrieken van Lille. Om bovendien de spinnerijen en weverijen van Roubaix hiervan te kunnen voorzien onderging de Marque, die bij Marquette uitmondt in de Deûle, een kanalisatie en verdere verlenging tot aan de Schelde op Belgisch grondgebied. Als knooppunt in dit grensoverschrijdende vaarwegennetwerk werd Marquette-lez-Lille een interessante locatie voor ondernemingen buiten de textielsector. Dat waren in eerste instantie bedrijven die vanwege brandgevaar en stankoverlast niet binnen de stadsgrenzen van Lille gewenst waren, zoals de jeneverstokerij ‘Lesaffre et Bonduelle’ en de chemische fabrieken van Watrigant en Kuhlmann.

De distilleerderij van Louis Lesaffre en Louis Bonduelle was dankzij de nabijheid van een grote afzetmarkt een bloeiend bedrijf, dat ook bekendstond onder de naam ‘Alcools de l’Abbaye’, omdat het gebouwd was op de plaats waar tot 1792 de cisterciënzer abdij van Marquette had gestaan. Toen de Franse overheid in 1923 de prijs van alcohol op basis van graan sterk verlaagde, schakelde men over op de productie van mout voor bierbrouwerijen om toch winstgevend te kunnen blijven. Dat bleek een succesvolle beslissing, want het bedrijf wist haar bestaan daarmee tot 2006 te verlengen, maar dan onder de naam ‘Les Grandes Malteries Modernes’. Na de sloop van het complex in 2011 zijn de fundamenten van de oude abdij blootgelegd en heeft men twee fabrieksgebouwen behouden en een nieuwe bestemming gegeven. De chemicus Frédéric Kuhlmann was een pionier op het gebied van de kunstmestproductie en liet in 1847 de eerste superfosfaatfabriek bouwen in La Madeleine. Deze groeide in de vorige eeuw uit tot een groot chemisch complex dat zich langs de Deûle in noordelijke richting uitstrekte over het grondgebied van Marquette tot aan Saint-André. Als onderdeel van het Rhodia-concern bleven deze ‘Établissements Kuhlmann’ tot 2005 operationeel, waarna een grote saneringsoperatie in gang werd gezet.

Door deze industriële ontwikkeling was de bevolking van Marquette-lez-Lille in de negentiende eeuw vervijfvoudigd en telde rond 1900 bijna vijfduizend zielen, hetgeen daarna nog zou verdubbelen tot het huidige inwonertal van tienduizend. Na de Eerste Wereldoorlog beleefde de gemeente een tweede industrialisatiegolf, waarbij de bouw van een grote meelfabriek direct gevolg was van dit catastrofale conflict. Een groot deel van Noord-Frankrijk had zware oorlogsschade opgelopen en was tijdens de vier bezettingsjaren leeggeroofd. Bij de wederopbouw die volgde had de voedselvoorziening prioriteit en werd deze gelegenheid aangegrepen om een moderniseringsslag te maken. Molenaars uit de omliggende plaatsen Quesnoy-sur-Deûle, Lens, Annoeullin en Roubaix die hun productiefaciliteiten kwijt waren, besloten gezamenlijk tot de bouw van een grote, industriële maalderij op de linkeroever van de Deûle in Marquette-lez-Lille. Tussen 1920 en 1923 verrees daar op een terrein van acht hectare, voorzien van een spooraansluiting, ‘La Meunerie Lilloise’ (de maalderij van Lille). De langgerekte meelfabriek werd in baksteen opgetrokken rond een skelet van gewapend beton en was, naast een toren met waterreservoir, voorzien van zestien betonnen graansilo’s. Architect Vaugnaux baseerde zijn ontwerp op de Vlaamse Neorenaissancestijl, waarvan de natuurstenen speklagen en de steile zadeldaken met trapgevels de belangrijkste kenmerken zijn. Het prestigieuze bouwwerk moest mede symbool staan voor de wederopstanding van de voor Noord-Frankrijk zo belangrijke graansector.Afbeelding 3: De graanaanvoer naar ‘Les Grands Moulins de Paris’ vond plaats per binnenvaartschip over de gekanaliseerde Deûle.

In 1928, vijf jaar na de ingebruikname, kwam de maalderij in handen van de onderneming die er de huidige naam aan gaf: ‘Les Grands Moulins de Paris’. Grondlegger hiervan was Ernest Vilgrain, telg uit een oud molenaarsgeslacht in Lotharingen en oprichter van een grote meelfabriek in Nancy. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij in de regering Clemenceau verantwoordelijk geweest voor de nationale voedselvoorziening en had er toen eveneens in Parijs één laten bouwen. Het complex, tegenwoordig in gebruik als universiteitscampus, kwam bekend te staan als ‘Les Grands Moulins de Paris’, wat vanaf 1919 ook de naam van het bedrijf werd dat maalderijen overnam in Bordeaux (1923), Marseille (1924) en Lille (1928). Het concern is vandaag de dag nog steeds actief in de graanverwerking, hoewel sinds 1989 niet meer als familiebedrijf maar als naamloze vennootschap (Société Anonyme). Dankzij deze overname kreeg men in Marquette-lez-Lille ook toegang tot exportmarkten en produceerde men bijvoorbeeld meel voor landen als Egypte, Marokko, Rusland en Palestina. Deze schaalvergroting heeft ertoe bijgedragen dat de vestiging tot 1989 operationeel kon blijven en op haar hoogtepunt bijna vierhonderd werknemers telde. Het complex kwam in 2001 op de monumentenlijst te staan, waarna het nog bijna twintig jaar duurde vooraleer het tot een renovatie kwam. Samen met de gesaneerde terreinen van Rhodia (Kuhlmann) kreeg het toen een nieuwe bestemming als woongebied, waarbij 245 appartementen gecreëerd werden in het maalderijgebouw.

Twee andere bedrijven die in de jaren twintig een vestiging in Marquette-lez-Lille openden waren Decauville en Massey-Ferguson. Decauville stond toen al een halve eeuw lang synoniem voor smalspoormaterieel dat over de hele wereld zijn diensten bewees in mijnbouw, grondverzet en agrarische sector. De fabriek in Marquette-lez-Lille vervaardigde vooral kolenkarren en -locomotiefjes voor de binnenlandse markt, totdat de neergang van de Franse steenkolensector hier een einde aan maakte. Het Canadese Massey-Ferguson bouwde van 1929 tot 1984 in Marquette-lez-Lille duizenden tractoren en maaidorsmachines die voor een belangrijk deel aan hun weg vonden naar landbouwers door heel Frankrijk. Samen met ‘Les Grands Moulins de Paris’, ‘Les Grandes Malteries Modernes’ en ‘Établissements Kuhlmann’ hadden zij in hun hoogtijdagen duizenden mensen op de loonlijst staan en drukten decennialang hun stempel op het dagelijkse leven in deze industriële satelliet van Lille.