Dortmund

dortmund281129Afbeelding 1: Het directiekantoor in baksteengotiek, met daarvoor een tuin geflankeerd door werkplaatsen, paardenstallen en bijgebouwen, wekt ook nu nog de indruk van een adellijk kasteel. Beide schachtbokken laten er echter geen misverstand over bestaan dat bij Zeche Zollern alles in het teken stond van de steenkolenwinning.

Een parkje met bomen en heggen, gelegen voor een indrukwekkende façade met rijkelijk versierde trappen, hoektorens en gevels met ornamenten – bij de aanblik van Zeche Zollern zou men geneigd zijn te denken dat het hier om een kasteel gaat. En zó ver bezijden de waarheid is dat dan ook niet, want de initiatiefnemers van deze steenkolenmijn in Dortmund Bövinghausen noemden het een ‘Kasteel van de arbeid’. Zoals bij alle kastelen ging het ook bij dit complex om uitstraling en representatie – in dit geval van succesvol ondernemerschap en technische vooruitgang. Wat eens bedoeld was als voorbeeld-mijn is tegenwoordig een industrieel monument, dat een carrière heeft doorlopen die typisch is voor het technisch erfgoed in het Ruhrgebied: Van industriële icoon naar vergane glorie en van sloopobject naar pionier-project van industrieel erfgoed in Duitsland. Vandaag de dag is het zorgvuldig gerestaureerde complex een museum, waarin het dagelijkse leven dat achter dit pronkstuk schuil ging wordt belicht en daarmee de herinnering aan het arbeidsverleden van de mijnwerkers en hun families in leven houdt.

Het contrast met Kokerei Hansa, de cokesfabriek die een kwart eeuw later in Dortmund Huckarde tot stand kwam, kan bijna niet groter zijn. De crisisjaren die volgden op de Eerste Wereldoorlog werden gedomineerd door efficiency, waardoor de weelderige Jugendstil die de bouwers van Zeche Zollern geïnspireerd had plaats maakte voor de ingetogen Art-Deco-stijl. Opkomende branches zoals de automobiel- of elektrotechnische industrie lieten nog wel fabrieksgebouwen in deze stijl optrekken, maar in de steenkoolsector was het louter doelmatigheid wat de klok sloeg. De stijl van de ‘Nieuwe Zakelijkheid’ die hieruit voortkwam bereikte met Zeche Zollverein in Essen een hoogtepunt. Hoewel de namen van beide steenkolenmijnen zo op elkaar lijken, vormen ze architectonisch gezien een wereld van verschil. Kokerei Hansa daarentegen is door een ingenieurshand getekend en zou daarom weinig kans hebben gemaakt de status van industrieel monument te bereiken. Hier is het juist het techniekhistorische aspect geweest dat de doorslag heeft gegeven tot behoud. Cokesfabrieken vormden binnen de ‘Montanindustrie’ de cruciale schakel tussen de steenkolenmijnen en hoogovencomplexen en daarom mocht een representatief voorbeeld hiervan binnen het industrieel erfgoed van het Ruhrgebied niet ontbreken.dortmund28729Afbeelding 2: De batterij van cokesovens (links) vormde het hart van Kokerei Hansa. De steenkool werd via een transportband (rechts) naar de kolenbunker gevoerd. Na vermenging en vermaling belandden de cokeskolen via een transportbrug in de kolentoren, van waar uit de wagens gevuld werden die naar de ovens reden. Waar nu water staat reden de wagens die de cokes van onder uit de ovens in de daarachter gereedstaande bluswagens duwden.

Aanvankelijk was men slechts van plan om in Bövinghausen, dat pas in 1928 een stadsdeel van Dortmund werd, een beluchtingsschacht aan te leggen voor de naburige steenkolenmijn Zeche Zollern. Maar tijdens de werkzaamheden in 1898 werden er aardlagen aangetroffen die dermate rijk waren aan vette steenkool dat de Gelsenkirchener Bergwerks AG (GBAG) besloot om de schacht uit te bouwen tot een steenkolenmijn, ofwel een Zeche. Er kwam alsnog een tweede schacht voor beluchting, aangeduid met nummer IV, zodat de volledige benaming van het nieuwe complex Zeche Zollern II/IV luidde. De oorspronkelijke mijn in Kirchlinde, met productieschacht I en beluchtingsschacht III, kwam bekend te staan als Zeche Zollern I/III. Halverwege de negentiende eeuw was de steenkolenwinning in dit gebied ten noordwesten van Dortmund op gang gekomen en in 1878 met de opening van een spoorlijn naar de Rijnhaven in Ruhrort bij Duisburg (de zogenaamde Emschertalbahn) in een stroomversnelling gekomen.

Deze voor de mijnbouw zo voorspoedige tijden brachten directeur Emil Kirdorf van de GBAG ertoe om van het nieuwe complex in Bövinghausen een prestigeproject te maken. Zeche Zollern II/IV moest wat techniek en architectuur betreft een voorbeeldmijn, ofwel ‘Musterzeche’, worden en hiervoor deed hij een beroep op de architecten Paul Knobbe en Bruno Möhring. Eerstgenoemde baseerde zijn ontwerp op de baksteengotiek, die destijds ook in andere mijnbouwcomplexen toepassing vond, maar het was Möhring die later overschakelde op de Jugendstil die sinds 1900 in zwang was geraakt. Omdat er in ruim honderd jaar tijd nauwelijks iets gewijzigd is aan Zeche Zollern, kunnen beide stijlinvloeden ook vandaag de dag nog goed onderscheiden worden. De gebouwen rondom de binnentuin – met kantoren, werkplaatsen, paardenstallen, lampenzaal en badgelegenheid – zijn opgetrokken in rode baksteen met sierverbanden en wit-gestucte gevelvelden, kenmerkend voor de baksteengotiek. Deze bereikt met zijn weelderige topgevels van het directiekantoor een hoogtepunt, wat in feite een aankondiging vormt op de achtergelegen machinehal die volledig in de Jugendstil is uitgevoerd. Ze bestaat uit een vakwerkconstructie van ijzer die is opgevuld met baksteen. Als voorbeeld diende een tentoonstellingshal waarmee staal- en mijnbouwonderneming Gutehoffnungshütte zich in 1902 op een vakbeurs in Düsseldorf presenteerde. Hierin werd onder andere een elektrische ophaalmachine getoond aan het publiek, die later door de GBAG werd aangekocht voor de machinehal van Zeche Zollern II/IV. Net als in de Düsseldorfer beurshal voorzag Möhring de machinehal in Bövinghausen rijkelijk van Jugendstil-sierelementen, waarvan de hoofdingang met gekleurd glas en een krulvormig afdak veel weg had van een Parijs metrostation.

Zeche Zollern II/IV mocht dan wel als voorloper van een toekomstige generatie steenkolenmijnen bedoeld zijn, voorbeelden van Jugendstil in een technische omgeving zijn daarna een zeldzaamheid gebleven. De waterkrachtcentrale van Heimbach in de Eiffel behoorde tot deze niche en is nu eveneens een industrieel monument. Echter, uit technisch oogpunt wist Zeche Zollern II/IV zijn voorbeeldrol wel degelijk waar te maken. Niet alleen de ijzerconstructie van de machinehal kreeg navolging, maar vooral het gebruik van elektriciteit voor de aandrijving van de installaties was een absolute primeur. Naast de ophaalmachine voor de schachtbok ging het daarbij om de compressoren voor het pneumatisch gereedschap, de ventilatoren voor de aanvoer van frisse lucht en de verlichting van het ondergronds gangenstelsel. Helaas zijn de generatoren die de benodigde stroom opwekten er niet meer, maar het grote bedieningspaneel van marmer met instrumenten en schakelaars getuigt nog altijd van de technische vooruitstrevendheid. De bouwwerkzaamheden vonden plaats tussen 1898 en 1904 en beperkten zich niet tot het mijnbouwcomplex. In de onmiddellijke nabijheid werd voor de huisvesting van de mijnwerkers en beambten de Kolonie Landwehr gebouwd.  Ze bestond uit een directeursvilla, acht opzichters- en drieëntwintig arbeiderswoningen en werd eveneens ontworpen door Paul Knobbe. Geheel volgens de ideeën van de Tuinstad koos hij voor uiteenlopende huistypen met tuinen en veel openbaar groen in plantsoenen en lanen.dortmund281229Afbeelding 3: De machinehal van Zeche Zollern is één van de weinig industriële voorbeelden van Jugendstil-architectuur. Bovendien was het de eerste steenkolenmijn die volledig van elektrische installaties was voorzien.

Om de steenkool ter plaatse te kunnen verwerken was er ook een cokesfabriek opgenomen in het complex, maar deze heeft slechts tot 1918 gefunctioneerd. Ze was te klein om efficiënt te kunnen produceren en voor de nieuwe generatie cokesfabrieken die in de jaren twintig gebouwd werd kwam Bövinghausen als locatie niet in aanmerking. Ook de schaalvergroting in de steenkolenwinning zelf ging aan Zeche Zollern II/IV voorbij, in die zin dat er geen uitbreiding of modernisering van de gebouwen en installaties plaats vond. Dat deze unieke steenkolenmijn grotendeels in haar oorspronkelijke gedaante behouden is gebleven is op de eerste plaats hieraan te danken. In 1926 kwam de GBAG in handen van de nieuwe steenkool- en staalgigant Vereinigte Stahlwerke AG, die een reeks van mijncomplexen liet sluiten, waarbij Zeche Zollern II/IV echter de dans wist te ontspringen. Wel werd enkele jaren later een begin gemaakt met de organisatorisch samenvoeging van Zeche Zollern II/IV, I/III met Germania I/IV en II/III om op termijn de steenkool nog maar op één plaats bovengronds te brengen. Pas in 1939 begon men met de aanleg van deze nieuwe centrale schacht op Germania II/III, die moest worden uitgerust met een zogenaamde ‘skip’ i.p.v. de aloude kringloop van kolenwagens die met liften op en neer getransporteerd werden om bovengronds geledigd te worden. Door het uitbreken van de oorlog liepen deze plannen grote vertraging op en ook in de wederopbouwjaren vond er op Zeche Zollern II/IV nog veel activiteit plaats. Zo duurde het nog tot 1955 vooraleer de steenkolenwinning werd stopgezet en Zeche Zollern II/IV enkel nog een rol speelde in de persluchtvoorziening.

Definitieve stillegging volgde in 1965, waarna de afbraakwerkzaamheden van start gingen. Ondertussen was er echter een bewustzijn gegroeid dat ook industriële objecten een monumentale waarde kunnen hebben en in 1969 was de machinehal het eerste voorbeeld hiervan in Duitsland dat ‘Unter Denkmalschutz’ geplaatst werd. Het Deutsches Bergbaumuseum in Bochum nam de zorg voor de conservering op zich en liet ook de dienst- en kantoorruimten, het facilitair gebouw, de kolenwasserij en de spoorweginfrastructuur restaureren. Toen er eenmaal concrete plannen ontstonden voor een openluchtmuseum haalde men de oude schachtbokken van twee andere steenkolenmijnen naar Bövinghausen ter vervanging van de originele exemplaren die reeds eind jaren zestig waren afgebroken. In 1986 opende het zijn deuren voor het publiek en vormt sindsdien onderdeel van de organisatie van industriemusea binnen het Landschaftsverband Westfalen-Lippe (LWL). Als LWL-Industriemuseum Zeche Zollern laat het de sociale geschiedenis van het Ruhrgebied zien aan de hand van een vaste collectie en wisseltentoonstellingen.dortmund281029Afbeelding 4: Hoewel de ingang van de machinehal in de jaren dertig zijn afdak verloor is het nog altijd een juweeltje van Jugendstil-architectuur.

Architect Paul Knobbe ontwierp in 1905 ook de gebouwen van Zeche Hansa in Huckarde, een dorp dat in 1914 door Dortmund geannexeerd werd. Ook deze steenkolenmijn profiteerde van een aansluiting op de Emschertalbahn, maar was veel langer operationeel dan Zeche Zollern II/IV, namelijk van 1855 tot 1980. Schachtbok en bijbehorend ophaalgebouw zijn na sluiting behouden gebleven en de voormalige smederij doet tegenwoordig dienst als bijeenkomstruimte. De naam ‘Hansa’ gaat overigens in oorsprong terug tot het middeleeuwse handelsverbond en werd daarna in allerlei sectoren nog vaak gebruikt om een samenwerkingsverband aan te duiden. Zo kende Dortmund bijvoorbeeld ook lange tijd een bierbrouwerij Hansa, die organisatorisch niets van doen had met de hiervoor genoemde steenkolenmijn. Net als Zeche Zollern werd ook Zeche Hansa in 1926 overgenomen door de Vereinigte Stahlwerke AG. Naar Amerikaans voorbeeld streefde dit bedrijf naar een verregaande integratie van kolen- en staalindustrie. Met zo’n honderd steenkolenmijnen, cokesfabrieken en hoogovencomplexen stond de onderneming wereldwijd op de tweede plaats. Het concern startte een rationaliseringsprogramma om deze lappendeken van productielocaties tot een efficiënt geheel samen te smeden. Kleine cokesfabrieken op tal van mijnbouwcomplexen werden gesloten en vervangen door zeventien grote ‘Zentralkokereien’ die bij elkaar de helft van de cokesproductie in het Ruhrgebied voor hun rekening namen. Eén daarvan verrees er vanaf 1927 op het terrein van Zeche Hansa. In dit concept leverden de Zentralkokereinen niet alleen cokes voor de ruwijzerproductie, maar ook gas voor de verhitting van de hoogovens. Zo was Kokerei Hansa via een buizenstelsel verbonden met de hoogovencomplexen van de Dortmunder Union en de Phoenixhütte. Het diende ook om de hete gassen die in de hoogovens vrijkwamen weer terug te voeren, ter verhitting van de cokesovens van Hansa. Later bouwde men dit leidingennet uit om ook huishoudens van gas te voorzien voor het koken en verwarmen van hun woning. Verkoop en distributie hiervan werd ondergebracht bij de Ruhrgas AG.dortmund28929Afbeelding 5: Luchtopname van Kokerei Hansa met de aanvoerband voor steenkool (1), sorteertoren met kolenbunkers (2), kolentoren (3), cokesovenbatterij (4), blustorens (5), zeverij (6), kantoorgebouw (7), facilitair gebouw (8), compressorhal (9), koeltorens (10), gaskoeling (11), teertanks (12), benzeen & naftaleenwasser (13), ammoniakfabriek (14), benzeenfabriek (15) en werkplaats (16).

Op basis van de ervaring die in vele tientallen jaren was opgedaan met de productie van cokes kwam er een complex tot stand met een hoge graad van efficiency. Door een verbeterd ontwerp van de cokesovens kon de verhittingstijd sterk bekort worden, waardoor hun dagproductie achttien i.p.v. de gebruikelijke vier ton bedroeg. Aangezien er hiervan honderddertig waren ondergebracht in twee batterijen, bedroeg de totale dagproductie 2200 ton, de jaarproductie 770.000 ton. De benodigde steenkool werd via een transportband aangevoerd uit de naastgelegen Zeche Hansa, maar ook door middel van een kabelbaan uit de naburige steenkolenmijnen Adolf von Hansemann en Westhausen. Het grondplan van de fabriek was dusdanig geoptimaliseerd dat de gebouwen en installaties langs twee straten gerangschikt waren: de zwarte- en de witte straat. Langs de zwarte straat speelde zich de verwerking van steenkool tot cokes af, terwijl langs de witte straat het vrijgekomen gas op chemische wijze gezuiverd werd. Door menging en sortering van de kolen optimaliseerde men de grondstof en sloeg die op in een kolentoren, van waar uit de ovens met wagens van bovenaf gevuld werden. Via een rails reden wagens onder langs de batterijen en duwden de gloeiendhete cokes machinaal in een bluswagen, die vervolgens onder één van beide blustorens reden om hun inhoud door een enorme hoeveelheid water te laten afkoelen. De vorming van stoomwolken en het gesis dat hiermee gepaard ging was kenmerkend voor de cokesfabriek. Na te zijn vermalen en gezeefd was de cokes gereed voor transport per spoor naar de hoogovens. Tijdens afkoeling van het cokesgas scheidde zich weliswaar al teer af, maar reiniging was noodzakelijk voor verder gebruik en daarnaast profijtelijk vanwege de nevenproducten benzeen, naftaleen en ammoniak die in chemische wasinstallaties vrijkwamen. Na omzetting met zwavelzuur verliet het ammoniak de fabriek als kunstmest. Het gereinigde gas was na koeling en compressie geschikt voor levering aan industriële en huishoudelijke klanten.

Kokerei Hansa onderging later nog diverse uitbreidingen, waardoor ze in 1981 met 314 ovens een maximale jaarproductie van 1,9 miljoen ton bereikte. Omdat in het oorspronkelijke ontwerp met een dergelijke groei al rekening was gehouden, hoefde men hiervoor geen oude installaties af te breken, zoals voorheen het geval was geweest. Vooruitlopend op beëindiging van de steenkolenwinning in het Ruhrgebied bouwde men de cokesproductie in Huckarde tussen 1986 en 1992 stapsgewijs af. Als locatie voor de nieuwe generatie fabrieken, die gebruik gingen maken van geïmporteerde steenkool, lagen de hoogovencomplexen het meest voor de hand en het was Großkokerei Kaiserstuhl op het terrein van de Dortmunder Westfalenhütte die het van Hansa overnam. Dankzij het feit dat de fabriek nog grotendeels over haar originele machines en installaties beschikte kwam ze in aanmerking voor plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. Sinds 1997 is het complex voor het publiek toegankelijk en vormt het een van de ankerpunten in de Route der Industriekulturdortmund28829Afbeelding 6: Om een compleet beeld te geven hoe de cokesfabriek er oorspronkelijk uitzag zijn recent ook weer houten koeltorens gebouwd volgens origineel ontwerp.