London

London (1)Afbeelding 1: Hoewel Battersea Power Station geldt als een icoon van industrie-architectuur en nog vóór buitendienststelling de monumentenstatus ontving, liet herbestemming toch drie decennia op zich wachten.

Toen eind negentiende eeuw elektriciteit zich als nieuwe energiedrager aandiende, bevond het British Empire zich op het hoogtepunt van zijn macht, met Londen als het kloppende hart. Het was dan ook niet meer dan vanzelfsprekend dat deze innovatie er al vroeg haar intrede deed: eerst in bedrijven en openbare voorzieningen voor verlichting en machine-aandrijving, daarna pas in huishoudens. De eerste elektriciteitsopwekking vond dan ook plaats voor eigen gebruik op locatie, alvorens na 1890 ondernemingen centrales gingen bouwen om via een netwerk elektrische stroom aan klanten te gaan leveren.  Het lag voor de hand dat deze hoofdzakelijk verrezen aan de oevers van de Thames, vanwege de mogelijkheid om de benodigde steenkool over deze rivier aan te laten voeren en haar water te benutten voor koeling van de installaties. Drie van deze elektriciteitscentrales zijn na buitendienststelling behouden gebleven en hebben een nieuwe bestemming gekregen. De bekendste van dit drietal is Bankside Powerstation in Southwark, dat sinds 2000 de Tate Modern Art Gallery & Museum huisvest. Lots Road Power Station in Chelsea onderging tussen 2013 en 2018 een transformatie tot appartementencomplex en datzelfde gold enkele jaren later voor het veel grotere Battersea Power Station, maar dan in combinatie met een veelheid aan voorzieningen. Deze reportage gaat nader in op de rol die deze drie centrales gedurende hun operationele bestaan gespeeld hebben in de elektriciteitsvoorziening van de metropool en hun herbestemming na een lange periode van leegstand en verval.London (2)Afbeelding 2: Luchtopname van Lots Road Power Station waarop te zien is dat de centrale oorspronkelijk vier schoorstenen had.

Lots Road Power Station is een voorbeeld van een bedrijfscentrale die, zoals gezegd, in de beginjaren de elektriciteitsopwekking domineerden. In dit geval was het de Metropolitan District Electric Traction Company die in 1902 opdracht gaf tot de bouw. Het oorspronkelijke plan dateerde echter al uit 1897 en was opgesteld door de Brompton & Piccadilly Circus Railway (B&PCR) om er haar metrolijn tussen deze beide eindstations mee te kunnen elektrificeren. Net als over de andere Londense metrolijnen reden ook hierover aanvankelijk nog stoomtreinen. Overschakeling op elektrische aandrijving ging echter gepaard met fusies en overnames omdat de investeringskosten niet door één enkele maatschappij op te brengen waren. Zo werd de B&PCR in 1898 overgenomen door District Railway (DR), die in 1901 de elektriciteitsopwekking onderbracht in de eerder genoemde Metropolitan District Electric Traction Company. Uiteindelijk zou dit bedrijf in 1908, samen met nog drie andere metrobedrijven opgaan in de Underground Electric Railways Company of London Ltd. (UERL), kortweg ‘London Underground’. De nieuwe centrale was gelegen bij Chelsea Creek, de monding van het riviertje Counter’s Creek in de Thames, en werd in 1905 operationeel. Met een vermogen van 50 MW en dagelijks kolenverbruik van zevenhonderd ton was het destijds – kortstondig –  de krachtigste centrale van het land, die in de loop der jaren vrijwel alle lijnen van de UERL van stroom voorzag.London (3)Afbeelding 3:  Deze foto toont het ‘sump and hopper system’ waarmee de steenkool tot hoog boven in het ketelhuis kon worden getransporteerd.

De eerste modernisering vond begin jaren twintig plaats en bij die gelegenheid werd een intern transportsysteem geïnstalleerd om de steenkool van boven af in de ketels te kunnen storten. Het bleef in gebruik tot in de jaren zestig, toen de centrale werd omgebouwd om op stookolie te gaan draaien. Het meest ingrijpende gevolg daarvan was dat twee van de vier schoorstenen gesloopt werden. De ontdekking van aardgas onder de bodem van de Noordzee was ruim tien jaar later aanleiding om de ketels ook voor gebruik van deze energiebron geschikt te maken. Het was eveneens in die tijd dat de Lots Road Power Station een opmerkelijke rol speelde in de opkomst van de eerste commerciële radio in Groot-Brittannië. Omdat London Broadcast Company (LBC) en Capital Radio bij hun oprichting in 1973 nog niet over een eigen zender konden beschikken, kregen ze toestemming om er één aan een kabel tussen beide schoorstenen op te hangen. Na bijna een eeuw lang in gebruik te zijn geweest kwam daar in 2002 door sluiting een einde aan. Sindsdien ontvangt London Underground haar elektriciteit van het nationale stroomnet. Een eerste plan voor herontwikkeling van het acht hectare grote terrein mislukte als gevolg van de financiële crisis van 2008, maar in 2013 werd onder de naam ‘Chelsea Waterfront’ de aftrap gegeven voor een project dat uiteindelijk zevenhonderd woningen heeft opgeleverd, waarvan tweehonderdzestig appartementen in de gerenoveerde centrale.London (4)Afbeelding 4: Lots Road Power Station kort voor de ombouw tot appartementencomplex.

De ‘City of London Electric Lighting Company (CLELCo) begon in 1891 met het opwekken van elektriciteit in Southwark in een experimentele centrale. Deze leverde gelijkstroom voor de booglampen in Queen Victoria Street en wisselstroom voor de huishoudens en bedrijven in de directe omgeving daarvan. De stroomkabels liepen via Southwark Bridge en Blackfriars Bridge van de centrale op de zuidoever van de Thames naar de ‘City’ op de noordoever. De eerste fase van Bankside Power Station, ‘Bankside A’, kwam gereed in 1893. Zes generatoren, aangedreven door stoommachines, leverden een gezamenlijk vermogen van bijna 2 MW. De benodigde stoom kwam uit een ketelhuis met een negental ketels van zowel het Babcock- als Wilcox-type, maar dat aantal werd twee jaar later al uitgebreid tot tweeëntwintig. In 1907 bedroeg het vermogen reeds 25,5 MW, waarvan 15 MW gelijkstroom. In 1910 installeerde men de eerste turbine, goed voor een vermogen van 2,5 MW. Tien jaar later waren dat er al zeven, waarmee in totaal 19,5 MW kon worden opgewekt. Tussen 1921 en 1928 verrees er een nieuw ketelhuis met achttien ketels, waarvan er zes geschikt waren voor stookolie. Laatstgenoemde keuze was ingegeven door de mijnwerkersstaking van 1921, toen de aanvoer van steenkool stagneerde. In 1926 bleek hoe waardevol deze vooruitziende blik was geweest, aangezien er toen maandenlang gestaakt werd, niet alleen in de kolenmijnen maar in de hele Britse industrie. Ondertussen was ook een tweede generatie turbines van 10 en 15 MW geplaatst, zodat eind jaren twintig het totale vermogen inmiddels 89 MW bedroeg.London (5)Afbeelding 5: Luchtopname uit begin jaren vijftig van Bankside Power Station B, dat dan nog in aanbouw is, en Bankside Power Station A, dat direct daarboven herkenbaar is aan het woud van schoorstenen.

Ondanks de economische depressie stonden de ontwikkelingen binnen de elektriciteitssector in de jaren dertig bepaald niet stil en aan het einde van het decennium begon de CLELCo al plannen te maken voor een ‘Bankside B’. Met een thermisch rendement van slechts zestien procent was de centrale inefficiënt en vervuilend, wat tot veel klachten leidde. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog liep de realisatie echter vertraging op, waardoor de bouw van de nieuwe centrale pas in 1947 aanving. Het ontwerp kwam van de hand van architect Sir Giles Gilbert Scott, bekend van de kathedraal van Liverpool en de karakteristieke rode telefooncellen. Blikvanger was de schoorsteen met een hoogte van negenennegentig meter. De centrale zelf strekte zich over honderdvijfenvijftig meter uit, parallel aan de Thames, met in het midden de turbinehal, aan de noordzijde het ketelhuis en aan de zuidzijde het trafogebouw. Het geheel werd opgetrokken uit baksteen rond een staalskelet. Oorspronkelijk was het de bedoeling om Bankside B op steenkool te laten draaien, maar door de naoorlogse schaarste besloot men om de ketels alsnog geschikte te maken voor stookolie. Bovendien legde men drie grote ondergrondse olietanks aan met elk een capaciteit van vierduizend ton. De bouw verliep in twee fasen, zodat Bankside A ondertussen operationeel kon blijven. De eerste fase werd in 1952 afgerond met de ingebruikname van vier stoomketels en twee turbines van 60 MW. Nadat Bankside A in 1959 buiten dienst was gesteld volgde de tweede fase, waarin nog één ketel en twee turbines van respectievelijk 60 en 120 MW geïnstalleerd werden. Bij oplevering in 1963 beschikte de centrale daarmee over een totaal vermogen van 300 MW.London (6)Afbeelding 6: Turbinehal en schoorsteen van Bankside Power Station B in aanbouw. Met zijn kubische vormen, bestaande uit een staalskelet bekleed met baksteen, is het een typisch voorbeeld van ‘functional architecture’ (nieuwe zakelijkheid).

De ‘Great Smog’ van 1952 had nog eens duidelijk gemaakt hoe urgent het luchtvervuilingsprobleem van Londen was. Daarom werd de centrale in navolging van Battersea- en Fulham Power Station uitgerust met een gaswasser. Deze bestond uit torenvormige scrubbers van cederhout waarin het hete rookgas uit de ketels in contact werd gebracht met een tegenstroom van Thameswater waaraan kalk was toegevoegd. Op deze manier kon de zwaveluitstoot met zevenennegentig procent worden teruggebracht en kwam er een opvallend witte pluim uit de grote schoorsteen, die door zijn lage temperatuur onder sommige atmosferische condities evenwel de neiging had om neer te dalen. Het vervuilde water uit de gaswasser werd na een beluchtingsbehandeling (om het sulfiet in sulfaat om te zetten) terug in de Thames gepompt. Pas decennia later zou blijken hoe hardnekkig deze bodemafzettingen waren, toen men aandacht begon te krijgen voor de kwaliteit van het rivierwater. Door de oliecrisis van 1973 was Bankside Power Station, met een verbruik van bijna 70 ton stookolie per uur, niet meer rendabel in vergelijking met kolengestookte centrales. In de jaren die volgden werden één voor één de opwekkingseenheden buiten werking gesteld, totdat de centrale in 1981 volledig gesloten werd. Het draagvlak om het beeldbepalende gebouw te behouden was groot, maar geen enkel voorstel voor een nieuwe bestemming haalde de eindstreep. Nadat het achtereenvolgens mislukt was om er een industriemuseum, evenementenhal, operagebouw, conferentiecentrum of hotel van te maken, maakte de Tate Gallery in 1994 bekend dat Bankside Powerstation onderdak zou gaan bieden aan het ‘Tate Modern’. In 2000 opende dit museum haar deuren voor het publiek, dat er sindsdien ontvangen wordt in de voormalige turbinehal. In datzelfde jaar kwam de ‘Millennium Bridge’ gereed, een voetgangersverbinding tussen de stadsdelen ‘City’ en ‘Bankside’. Deze had aanvankelijk nog te kampen met ‘aanloopproblemen’ in de vorm resonanties, die menige passant de bibbers bezorgde.  Pas na het aanbrengen van een variëteit aan dempers kon dit fenomeen worden onderdrukt. Tenslotte werden tien jaar later de grote olietanks omgebouwd tot expositieruimte voor ‘performance art’.London (7)Afbeelding 7: Bankside Power Station in zijn nieuwe rol als onderkomen van het ‘Tate Modern’, met links de ‘Millennium Bridge’.

Battersea Power Station was in 1929 de eerste elektriciteitscentrale die in opdracht van de London Power Company (LCP) gebouwd werd.  Deze organisatie was kort daarvoor ontstaan uit een fusie van een aantal kleine energiebedrijven, nadat het parlement in 1925 had bepaald dat er in de toekomst een landelijk elektriciteitsnetwerk tot stand moest komen, gevoed door grote, moderne centrales. Al eeuwenlang kenmerkte de zuidelijke Thamesoever ter hoogte van Battersea zich door veel bedrijvigheid. Wat begonnen was met brouwerijen, blekerijen en ververijen, was na 1900 uitgegroeid tot een omvangrijk industriegebied, waar een grote elektriciteitscentrale prima op zijn plaats was. Ook dit keer kwam het ontwerp van Sir Giles Gilbert Scott en voltrok de bouw zich in twee fasen: Station A tussen 1929 en 1935, Station B tussen 1950 en 1955. Oorspronkelijk had men een vermogen van 400 MW op het oog, maar in 1955 was dit al opgelopen tot 500 MW, wat destijds een vijfde deel was van de totale elektriciteitsbehoefte van Londen. Veelzeggend genoeg moest de overige tachtig procent toen nog worden opgewekt in achtentwintig kleinere centrales. Door tussenkomst van de Tweede Wereldoorlog was er van het moderniseringsplan uit 1925 namelijk nog niet veel terecht gekomen, hoewel dat snel zou gaan veranderen nadat de elektriciteitssector in 1948 was genationaliseerd. Als gevolg hiervan was Battersea Power Station in handen van de British Electricity Authority overgegaan.London (8)Afbeelding 8: De turbinehal van Battersea Power Station A met zijn Art Deco-interieur.

De ‘Brick Cathedral’ die Sir Giles Gilbert Scott geschapen had oogstte alom bewondering en werd veelvuldig omschreven als een ‘Temple of Power’. Het is nog altijd het grootste bakstenen gebouw van Europa. Terwijl de buitenzijde een toonbeeld was van functionele architectuur, domineerde binnen de ‘Art Deco’. Deze stijl manifesteerde zich vooral in de controlekamer met zijn grote schakelwanden, de turbinezaal met vloer van Italiaans marmer en trappenhuizen met smeedijzeren leuningen. Overigens had alleen Station A zo’n sierlijk interieur gekregen, want vanwege de naoorlogse schaarste was Station B veel soberder ingericht. Beide opwekkingseenheden bestonden uit een langgerekt ketelhuis met een honderd meter hoge, betonnen schoorsteen aan beide uiteinden en geflankeerd door een turbinehal en transformatorgebouw. Via een aanlegsteiger met hijskranen en transportbanden kon de benodigde steenkool vanuit de scheepsruimen direct aan de ketels worden toegevoerd. Op jaarbasis betrof dat ruim een miljoen ton, die grotendeels met kustvaarders (zgn. coastal colliers) vanuit de steenkolenmijnen van Zuid-Wales en Noord-Oost-Engeland werd aangeleverd. Station A was uitgerust met twee turbines van 69 MW en één van 105 MW, wat destijds de krachtigste binnen Europa was. Station B kreeg er twee van 100 MW en één van 60 MW. Haar stoomketels waren de grootste die tot dan toe in Groot-Brittannië waren gebouwd en haar hoge thermische rendement bleef twaalf jaar lang onovertroffen.London (9)Afbeelding 9: Battersea Power Station, in 1972 geschilderd door Robert C.D. Lowry (1924-2011).

In 1975 werd Station A na veertig jaar elektriciteitsopwekking stilgelegd. De installaties waren verouderd en uit milieuoogpunt werd meer en meer de voorkeur gegeven aan aardgas en nucleaire brandstof in plaats van aardolie en steenkool. Omdat dit moment voor Station B ook niet lang op zich zou laten wachten, kwam er een campagne op gang om het iconische gebouw de status van nationaal erfgoed te verlenen, teneinde het na buitendienststelling te kunnen behouden. Met de toekenning van de monumentenstatus was deze bescherming in 1980 een feit, drie jaar voor de hele centrale uit productie werd genomen. Weinigen zullen zich toen gerealiseerd hebben dat het herbestemmings-proces dertig jaar zou gaan duren. In die tijd deden consortia van diverse projectontwikkelaars pogingen om tot herontwikkeling van het terrein en renovatie van de centrale te komen, maar pas in 2012 kwam het dankzij een Maleis initiatief tot een doorbraak. De werkzaamheden gingen in 2013 van start en bestaan uit acht fasen die uiteindelijke achthonderd woningen, een park aan de oever van de Thames en een nieuw metrostation moeten opleveren: Battersea Power Station Tube Station. Zoveel mogelijk Art Deco-elementen werden weer in hun oorspronkelijke staat teruggebracht, de vier schoorstenen volledig gerestaureerd en de aanlegsteiger met hijskranen voor het publiek toegankelijk gemaakt. In 2021 konden de eerste bewoners hun appartement in de voormalige centrale betrekken.