De Kempen

De Kempen (1)Afbeelding 1: Typisch tafereel van een sigarenmakerij in de Kempen, kort voor de Tweede Wereldoorlog.

In verschillende reportages binnen deze rubriek is al ter sprake gekomen dat sigarenfabrikanten zich al vroeg bij voorkeur vestigden in regio’s waar de loonkosten laag waren, gezien het arbeidsintensieve karakter van het productieproces. De provincie Noord-Brabant was daarbij favoriet en in steden als Den Bosch en Eindhoven ontstonden grote fabrieken zoals die van Goulmy & Baar, Mignot & De Block en Karel I. Echter, er waren er ook die nog goedkoper uit wilden zijn en de kleine plaatsen opzochten in het Nederlands-Belgisch grensgebied: De Kempen. De grote boerengezinnen die daar op de schrale zandgronden woonden vormden een aantrekkelijk arbeidspotentieel en de investeringen om er fabrieken te openen waren laag, gezien de beperkte productiemiddelen die men nodig had om sigaren te maken. Rond 1870 werden de eerste sigarenmakerijen actief in de Kempen, aanvankelijk opgezet door tabakshandelaren uit het noorden, maar al spoedig eveneens door plaatselijke ondernemers. Sommige van deze dorpen groeiden na de eeuwwisseling uit tot echte centra van sigarenproductie, zoals Valkenswaard en Arendonk. In eerstgenoemde plaats bereikten bedrijven als ‘Hofnar’ en ‘Willem II’ op hun hoogtepunt een personeelsomvang van rond de duizend werknemers. Dat bleven echter uitzonderingen want midden- en kleinbedrijf domineerde de sector en de fabrieken waren niet zelden grote woonhuizen met een atelier, droogkamer en magazijn. Om die reden is er in deze reportage voor gekozen om niet één enkele plaats, maar een hele streek als uitgangspunt te nemen en dan ook nog eens grensoverschrijdend. In Nederland gaat het daarbij om de plaatsen Valkenswaard, Duizel en Reusel, in België om Peer, Arendonk en Turnhout. Indrukwekkende gebouwen waren het over het algemeen niet, maar de geselecteerde voorbeelden behoorden in ieder geval tot de middelgrote ondernemingen en onderscheiden zich door architectuur en omvang duidelijk van de kleine sigarenmakerijen, die door verbouwing tot woonhuis of winkel meestal nauwelijks nog herkenbaar zijn.De Kempen (2)Afbeelding 2: In de voormalige sigarenfabriek ‘Lord Carnarvon’ in Valkenswaard is tegenwoordig kinderdagverblijf ‘Mira’ ondergebracht.

De Pioniers van de sigarenindustrie in Valkenswaard waren de tweelingbroers Jan en Jasper van Best. Nadat ze in Eindhoven ervaring hadden opgedaan in de tabakshandel begonnen ze in 1864 in hun woonplaats een kerverij voor snuif-, pruim- en pijptabak, die rond 1870 werd uitgebreid met een sigarenmakerij. Jasper koos voor het burgemeesterschap van Valkenswaard en werd opgevolgd door zijn broer Antoon, die door het vroegtijdig overlijden van Jan de firma alleen voortzette en later werd opgevolgd door zijn zoon Frans. Met zo’n tweehonderd werknemers was de firma Gebroeders Van Best tot 1920 de grootste sigarenfabriek van het dorp, met vanaf 1917 ook nog een filiaal in Bergeijk. Het sigarenmerk ‘Furore’ leverde het bedrijf de grootste bekendheid op, hoewel het na de oorlog de concurrentie met ‘Hofnar’ en ‘Willem II’ niet meer wist vol te houden en in 1955 zijn deuren moest sluiten.

Het merk ‘Hofnar’ werd in 1919 geïntroduceerd door Jacobus Heesterbeek, die zijn sigarenfabriek in 1893 was begonnen en in 1911 was gaan samenwerken met compagnon Alex Wolters uit Venlo. De hofnar uit de opera Rigoletto van Giuseppe Verdi zou als inspiratiebron hebben gediend voor de merknaam. Ook J. Heesterbeek & Co. had aanvankelijk een filiaal in Bergeijk, maar uiteindelijk concentreerde men de volledige productie in Valkenswaard en groeide die fabriek uit tot een omvang van ruim negenhonderd werknemers aan het einde van de jaren vijftig. Het bedrijf hield in 1990 op te bestaan, maar het merk was zo populair dat het in 2008 nogmaals op de markt werd gebracht.

Harrie Kersten had de kunst afgekeken bij de Gebroeders Van Best voordat hij in 1916 zijn eigen fabriek begon en sigaren onder de merknaam ‘Willlem II’ op de markt bracht. Mede door de export verliepen de zaken zo voorspoedig dat hij in 1929 de fabriek van Goulmy & Baar in Den Bosch overnam om de productiecapaciteit op te kunnen voeren. Niettemin opende het bedrijf net als de concurrenten later ook filialen in dorpen die verder in de Kempen gelegen waren zoals Reusel (1936), Budel (1954), Overpelt (1962) en Bocholt (1968). De leiding was toen al in handen van Harrie’s zonen Anton en Gerard en het aantal werknemers oversteeg medio jaren zestig de tweeduizend, waarvan meer dan twaalfhonderd in Valkenswaard. Mechanisering en verminderde afzet deed dat aantal daarna overigens snel dalen. In 1977 werd het bedrijf overgenomen en na een korte periode van zelfstandigheid nog tweemaal, om uiteindelijk in handen te komen van Swedish Match Cigars, dat de productie verplaatste naar het Belgische Houthalen, maar wel het hoofdkantoor tot 2010 in Valkenswaard handhaafde.

Van alle drie deze grote sigarenproducenten zijn de fabrieken inmiddels gesloopt en alleen van een aantal kleinere ondernemingen zijn de bedrijfspanden behouden gebleven. De enige daarvan die, dankzij naamsvermelding op de gevel, nog industriële uitstraling heeft is die van de Gebroeders Jeurissen. Zij startten hun bedrijf in 1916 en lieten de fabriek in 1926 bouwen nadat ze het merk ‘Lord Carnarvon’ hadden gelanceerd. Het verwees naar de steenrijke opdrachtgever van Howard Carter, de archeoloog die in 1924 het graf van farao Toetanchamon ontdekte. Dertig jaar later moest men de productie al beëindigen en na diverse gebruikers is er sinds kort een kinderdagverblijf in het gebouw gehuisvest. De herinnering aan de sigarenindustrie, die op haar hoogtepunt aan een derde van de dorpsbevolking werk bood en vijftien fabrieken telde, wordt levend gehouden in een museum. Dat combineert dit thema met de geschiedenis van de plaatselijke valkeniers, die eeuwenlang hun diensten verleenden aan de adellijke hoven van Europa en het dorp bovendien haar naam gaven.

De enige grote Nederlandse sigarenproducent die ook nu nog actief is heeft zijn hoofdkantoor in Duizel. Het is de firma Agio Cigars, die er op dezelfde plaats in 1904 zijn productie begon, nog altijd een familiebedrijf is (thans vierde generatie) en bovendien het predicaat ‘Koninklijk’ mag voeren. Grondlegger was Jacques Wintermans, maar nadat zijn broer in 1934 onder de naam ‘Henri Wintermans’ sigaren ging verkopen koos Jacques voor de handelsnaam ‘Agio’. Wat begon met filialen in Reusel (1928), Arendonk (1957), Mol (1958) en Geel (1961) is tegenwoordig de vierde sigarenproducent ter wereld met fabrieken in Sri Lanka en de Dominicaanse Republiek. De productie voor de Europese markt is grotendeels geconcentreerd in het Belgisch Westerlo. Deze moderne fabriek is de grootste van het continent en biedt werk aan driehonderd mensen. In Duizel maakt de oude sigarenfabriek, met sheddakhal, nog steeds onderdeel uit van het bedrijfscomplex, maar dan als personeelsrestaurant en expeditieafdeling.De Kempen (3)Afbeelding 3: Na sluiting ging de sigarenfabriek van Karel I in Reusel dienst doen als bedrijfsverzamelgebouw.

De plaatsnaam Reusel is in het voorafgaande al een aantal maal aangehaald in verband met de vestiging van bedrijfsfilialen. Ook sigarenproducent Henri van Abbe uit Eindhoven koos er in 1928 voor om in deze plaats een fabriek te laten bouwen, en wel dicht bij de grens met België aan de Turnhoutseweg. Hij voerde slechts één merk, Karel I, maar dat was zo succesvol dat hij uitgroeide tot de op één na grootste werkgever van Eindhoven. Door de druk op de arbeidsmarkt van Eindhovens grootste bedrijf, NV Gloeilampenfabriek Philips, was Henri van Abbe echter genoodzaakt om voor capaciteitsuitbreiding uit te wijken naar het platteland. Zoals gezegd naar Reusel, maar later ook naar Waalre en Arendonk. De fabriek in Reusel vertoont sterke gelijkenis met die van Agio in Duizel, met een langgerekt kantoorgebouw van twee bouwlagen aan de straatzijde, waarachter zich een sheddakhal uitstrekt. Ook vier dienstwoningen aan de overzijde van de straat maakten onderdeel uit van het project. Tijdens de hoogtijdagen werkten er zo’n zeshonderd mensen en moest het gebouw een aantal malen uitgebreid worden. In 1975 werd het bedrijf verkocht aan Swedish Match en hield de merknaam ‘Karel I’ op te bestaan. De grote fabriek in Eindhoven was vier jaar daarvoor door brand verwoest en het enige wat daar nog aan herinnert is een muur met daarop de naam van het merk en de eigenaar in een tegeltableau. Eenzelfde tegeltableau siert de voorgevel van de fabriek in Reusel, die sinds 2001 een rijksmonument is en gebruikt wordt als bedrijfsverzamelgebouw.De Kempen (4)Afbeelding 4: Grandcafé-bistro DeVille te Arendonk is gevestigd in de voormalige sigarenfabriek van Henri van de Pas uit 1907.

Voordat de Turnhoutseweg in dit stadje uitkomt voert deze eerst nog door het dorp Arendonk. De enige nijverheid die dit dorp rijk was voor de komst van de sigarenmakerijen waren tijk- en kousenweverijen, hoewel het hier grotendeels huisarbeid betrof. Door de opkomst van de textielindustrie konden deze in de tweede helft van de negentiende eeuw niet meer concurreren en kwijnden weg. Deze ontwikkeling ontging de Nederlandse sigarenfabrikanten niet in hun zoektocht naar goedkope productiecentra en de eerste die er een atelier opende was in 1876 Henri van de Pas. Wat begon met vijf werklieden was twintig jaar later al uitgegroeid tot bijna honderd, en dan bezat hij ook nog fabrieken in Reusel en Bladel. Reeds een jaar later volgden de gebroeders Göppel zijn voorbeeld en zij hadden in 1896 veertig mensen aan het werk. Deze aantallen zijn bekend dankzij een bezoek dat de provinciale geneeskundige commissie in dat jaar aan Arendonk bracht. Zij stelde een gebrek aan licht en frisse lucht vast en was van mening dat stofvorming de gezondheid van het personeel in gevaar bracht. De gebroeders Göppel werden verplicht om vensters aan te brengen, petroleumlampen te installeren en twee schoorstenen op het dak te plaatsen.

Na de Nederlanders begonnen ook plaatselijke ondernemers met het vervaardigen van sigaren. De meesten werkten thuis op een zolderkamer met enkele helpers, enkelen zouden relatief groot worden zoals Van Gool & Maes en Lenaerts & Schillebeeckx, die bij de inspectie van 1896 allebei zo’n zestig sigarenmakers op de loonlijst hadden staan. Kort voor de Eerste Wereldoorlog verdiende vrijwel de hele werkende bevolking van Arendonk haar brood in de sigarenindustrie. Nadien ontstonden de eerste ‘echte’ fabrieksgebouwen, waarvan het aantal opliep tot negen en er nu nog een drietal overgebleven is. De grootste daarvan is die van de Gebroeders Verellen & Cie. aan de Wampenberg uit 1920, later overgenomen door ‘Karel I’ uit Eindhoven. Na 1975 diende het gebouw enkel nog als opslagplaats, waarna de gemeente het kocht en het liet verbouwen om er de Academie voor Schone Kunsten in te huisvesten. De oorspronkelijke sigarenfabriek is er sindsdien nauwelijks nog in te herkennen. Die herkenbaarheid is ook een probleem bij de voormalige fabriek van Van de Pas aan de Vrijheid. Maar in dit geval ligt dat niet aan een ingrijpende verbouwing, maar aan het feit dat de weelderige architectuur van de voorgevel meer weg heeft van een chique winkelpand en onderdeel uitmaakt van een huizenrij. Het pand uit 1907 is alweer geruime tijd in gebruik als grandcafé-bistro, de laatste jaren onder de naam ‘De Ville’. Het fabrieksgebouw in de Torenstraat heeft de originele merknaam nog op de gevel staan: P.P. Rubens Sigaren. Aangezien er tot 2015, zij het op zeer bescheiden schaal, nog sigaren zijn gemaakt door een eenmansbedrijfje is dit overigens wel toepasselijk. Het gebouw verkeert in slechte staat en door het ontbreken van een monumentale status moet voor sloop gevreesd worden.De Kempen (5)Afbeelding 5: In de sigarenfabriek van Meeuwesen-Quinet, gelegen aan de spoorlijn Turnhout-Herentals, werden later negen woningen ondergebracht.

Het westelijk van Arendonk gelegen Turnhout telde in 1870 al veertien tabakskerverijen, waarvan er één tevens sigaren produceerde. Kerverijen waren veel minder arbeidsintensief dan sigarenfabrieken, omdat ze alleen mensen nodig hadden om de hakmachine te bevoorraden en het versneden product te verpakken. De drie voornaamste sigarenfabrieken die Turnhout na de eeuwwisseling telde waren die van Amsens, Straelen-Wilrijckx en Meeuwesen-Quinet met in hun glorietijd respectievelijk 98, 30 en 140 werknemers. Laatstgenoemde onderneming was een samenwerking tussen Meeuwesen uit Nederland en Quinet uit Antwerpen, die in 1875 tot stand was gekomen. In 1890 lieten ze een langgerekt fabriekspand van twee verdiepingen bouwen langs de spoorlijn Tilburg-Herentals. De directie liet niet na te vermelden ‘dat er geene mekanieken worden gebezigd’, aangezien handenarbeid in de branche nog lange tijd gold als een garantie voor kwaliteit. Zakelijk gezien heeft dit blijkbaar niet mogen baten, want na de Eerste Wereldoorlog sloot Meeuwesen-Quinet haar deuren en kreeg het fabriekspand de woonbestemming die het nog altijd heeft.De Kempen (6)Afbeelding 6: Jan Hoefnagels uit Valkenswaard trok al in 1832 naar Peer om sigaren te gaan produceren. Zijn neef Jan Hendrik Timmermans verplaatste de fabriek naar het naburige Wijchmaal vanwege de spooraansluiting aldaar. Tegenwoordig ontvangt B&B Factorij 10 er haar gasten.

Eveneens langs een spoorlijn gelegen, maar dan één die al lang geleden buiten gebruik werd gesteld en is veranderd in een fietspad, was de sigarenfabriek van J.W. Hoefnagels & Zonen in Peer uit 1867. De spoorlijn was een jaar daarvoor geopend en verbond Eindhoven via Hasselt met Luik. Deze verbinding stelde het bedrijf in staat om te exporteren, waardoor het kon groeien en rond 1900 zo’n honderd werknemers telde. Deze produceerden jaarlijks ruim drie miljoen sigaren onder hoofdzakelijk Franse merknamen zoals ‘Le Dessert’, ‘La Fraude’, ‘Porte-Bonheur’ en ‘Sans Pareils’. Ondanks dit succes moest ook J.W. Hoefnagels & Zn. het na de oorlog afleggen tegen de concurrentie van de grote sigarenfabrieken in Nederland. Het fabrieksgebouw met directeurswoning bleef vrijwel gaaf bewaard en werd na de laatste eeuwwisseling omgebouwd tot een B&B onder de naam ‘Factorij 10’. Met een centrale middenbouw van twee verdiepingen, geflankeerd door twee langgerekte, lage zijvleugels, doet het eerder denken aan een station dan aan een fabriek en vermoedelijk dat haar ligging aan een spoorlijn hieraan ten grondslag heeft gelegen.