Lennep

Lennep (2)Afbeelding 1: In de gebouwen waarin Friedrich Haas in 1826 zijn machinefabriek begon zijn tegenwoordig Pizzeria Pommodoro en appartementencomplex Weberhof gevestigd.

Als grootste en bekendste industrielandschap van Europa werd het Duitse Ruhrgebied in 2010 nog eens extra in de schijnwerpers gezet toen het zich als Culturele Hoofdstad mocht presenteren. Veel minder bekend is echter dat in het zuidelijk daarvan gelegen Bergisches Land industrie en ambacht ook vele sporen hebben nagelaten. In plaats van grootschalige hoogovencomplexen en steenkolenmijnen zijn het hier vooral metaalverwerkende ondernemingen en textielfabrieken die hun stempel op het landschap gedrukt hebben. De streek mag dan erg heuvelachtig zijn, het is niet daaraan dat ze haar naam ontleent. Het was het adellijke geslacht ‘Berg’ dat er eeuwenlang als graaf, en later als hertog, de macht in handen had en er haar naam aan verbond. Daar waar het grenst aan het Ruhrgebied in het noorden en het Rijndal in het westen ontstonden steden als Wuppertal, Solingen, Remscheid, Leverkusen en Bergisch Gladbach, terwijl het gebied elders het plattelandskarakter heeft van het Westerwald en Sauerland, waar het in het zuiden en oosten in overgaat. Vanaf de zeventiende eeuw ging de bevolking er de waterkracht van snelstromende riviertjes en beken benutten voor de ijzerverwerking. Dit metaal was afkomstig uit de koepelovens van het naburige Siegerland en werd in het Bergisches Land tot gereedschappen verwerkt voor de ambachtslieden in de grote steden aan de Rijn en Ruhr of nog verder. De metaalbewerkers uit Remscheid en Wuppertal specialiseerden zich in de staalveredeling en de vervaardiging van gereedschappen zoals zeisen, sikkels, veilen, zagen, hamers beitels en tangen. In Solingen concentreerde men zich op zwaarden, degens, messen, vorken, lepels en scharen.

In plaatsen als Rade, Hükeswagen, Wipperfürth en Lennep kwam naast de metaalverwerking ook de lakennijverheid tot ontwikkeling, die wol verwerkte uit het Münsterland, Silezië en later ook Spanje. Vooral laatstgenoemde stad bereikte een grote bloei toen haar wolwevers hun stoffen niet meer aan Keulse kooplieden verkochten, maar zelf actief werden in de handel. Dankzij de goede reputatie die ze opbouwden met de kwaliteit van hun textielwaren verwierf Lennep het alleenrecht op de verwerking van fijne lamswol, terwijl de wevers in de omliggende plaatsen genoegen moesten nemen met wol van tweede of derde keuze. Tot ver buiten het Bergisches Land was het ‘Lenneper Laken’ gewild en werd het verhandeld op de beurzen van steden als Braunschweig en Leipzig. Via exportondernemingen in Bremen en Hamburg kwamen de producten uit Lennep zelfs overzee terecht. Perioden van neergang waren er ook, zoals na de verwoestende stadsbrand van 1746 of tijdens de Franse bezetting, toen veel Lenneper lakenfabrikanten naar textielcentrum Eupen uitweken, omdat de Rijn in die jaren een grens vormde waar veel tol betaald moest worden. Na de val van Napoleon keerden ze echter weer snel terug en verhoogden hun productie door de bouw van spinnerijen aan de Wupper, waarmee de industrialisatie haar intrede deed. Het was tussen 1830 en 1860 vooral de Amerikaanse markt waar grote volumes ‘Lenneper Tuch’ afgezet werden en daar zelfs succesvol de concurrentie aanging met de producten van de Engelse textielindustrie. Lennep behoorde gedurende deze decennia tot de leidende textielsteden van Duitsland.Lennep (1)Afbeelding 2: De fabriek van Friedrich Haas in haar begindagen.

Bepalend voor de kwaliteit van de wollenstoffen was het zogenaamde ‘scheren’, waardoor het oppervlak van het weefsel een gelijkmatige en gesloten structuur kreeg. Het was lange tijd een moeizaam, handmatig proces, want hoewel men er grote scharen voor gebruikte, kon nooit de volledige breedte van het geweven doek in één keer onder handen worden genomen. Vanwege dit arbeidsintensieve karakter was er in textielcentra zoals Lennep daarom al gauw een leger van lakenscheerders nodig die eeuwenlang een goede boterham konden verdienen met werk waar ze trots op waren. Maar evenals wevers en spinners ondervonden ook de scheerders rond 1800 de gevolgen van de industrialisatie. Achtereenvolgens John Harmar (1787), Isaak Kellogg (1807), John Lewis (1815) en John Collier (1816) vroegen patent aan op een scheermachine. De eerste machine was niet veel meer dan een gemechaniseerde schaar, die echter verbeteringen onderging door een statisch mes te combineren met meerdere bewegende messen. Eerst vier messen aan een vierkantstang, daarna zes in een cilinder en tenslotte acht messen spiraalsgewijs in een cilinder, wat de standaard zou gaan worden.

Hoewel de Engelse regering er alles aan deed om de geheimen achter deze en andere uitvindingen binnen haar grenzen te houden, kon zij op den duur niet voorkomen dat ze ook in handen kwamen van industriëlen op het continent. De Zuidelijke Nederlanden, het huidige België, liepen hierin voorop en het was in Verviers, het hart van de wollenstoffenindustrie, dat een ondernemer in 1819 de eerste scheermachine liet installeren. Net als in Engeland veroorzaakte ook in Verviers de introductie van deze machine grote onrust onder de arbeiders. Zij zagen zich in hun bestaan bedreigd, aangezien een scheermachine op één dag evenveel doek kon verwerken als alle lakenscheerders samen in een hele week. Het kwam tot gewelddadigheden, waarbij de scheermachine vernield werd. Friedrich Haas, een textielmachinetechnicus uit het nabij Aken gelegen Stolberg, was hiervan getuige en wist enkele sleutelonderdelen in veiligheid te brengen. Op basis van zijn technisch inzicht en ervaring slaagde hij erin om daaruit weer een werkende scheermachine samen te stellen. Niet in het onrustige Verviers, maar in een textielcentrum ver daar vandaan in het Bergisches Land: Lennep.

Vóór de Schwelmer stadspoort, tegenwoordig de splitsing van de Schwelmer Straße en de Hackenberger Straße, kocht de jonge ondernemer in 1826 een klein huis en breidde dat uit met een werkplaats en een loods. Nog in datzelfde jaar verkocht hij zijn eerste scheermachine aan textielfabriek Johann Wülfing & Sohn in het nabijgelegen Dahlerau. Met het gereedkomen van een eigen ijzergieterij en smederij was het bedrijf binnen enkele jaren tijd uitgegroeid tot een machinefabriek. Daarnaast begon hij een spinnerij voor strijkgaren, wat doet vermoeden dat de inkomsten uit de machinebouw in deze aanvangstijd nog niet stabiel waren. Als krachtbron voor fabriek en spinnerij construeerde hij zelf een balansstoommachine waarvoor hij steenkool liet aanvoeren uit een mijn bij Hasslinghausen (tegenwoordig Sprockhövel). Dit was niet alleen de eerste stoommachine van Lennep, maar ook van Remscheid, de buurstad waar het sinds 1929 onderdeel van uitmaakt. Naast scheermachines ging Friedrich Haas ook andere apparaten bouwen voor de nabewerking van textiel. Walkvaten voor het ‘vollen’ van het laken, een proces om het weefsel voor toepassing in kleding een waterdichte structuur te geven. Ruwmachines om stoffen volumineuzer, zachter en warmer te maken, zoals voor dekens en handdoeken. Appreteermachines om wollenstoffen extra glans te geven door er een dunne laag stijfsel over aan te brengen. Walsen en kalanders waarmee de stoffen samengeperst konden worden alvorens ze op te wikkelenen voor de verkoop. Om zijn klanten te overtuigen van de kwaliteit van deze machines breidde Friedrich zijn spinnerij uit tot een kleine textielfabriek, waarvan hij beweerde dat het er mogelijk was om in twee etmalen tijd een kostuum te vervaardigen uit een baal ruwe wol. Na decennia van voorspoed, waarin Friedrich Haas onder andere de eer te beurt viel om tot gemeenteraadslid te worden benoemd, werd zijn onderneming in 1867 door het noodlot getroffen. Een ontploffing van de stoomketel verwoestte een groot deel van het fabrieksgebouw, inclusief zijn woonhuis. Omdat hij geen verzekering had afgesloten, moest het schadeherstel volledig uit het bedrijfskapitaal gefinancierd worden, hetgeen de onderneming bijna ruïneerde. In 1872 ging het nogmaals mis, toen een uitslaande brand de spinnerij, gieterij, smederij en timmerwerkplaats volledig in de as legde. Deze catastrofe hoefde Friedrich echter niet meer mee te maken, aangezien hij in 1870 overleden was. Dat het voor een tweede keer tot wederopbouw kwam was te danken aan de inzet van zijn zonen Fritz en Hermann die hem ondertussen opgevolgd hadden. De spinnerij werd vanaf die tijd verhuurd en beide broers gingen zich helemaal toeleggen op de machinebouw.Lennep (6)Afbeelding 3: Een bedrijfsbrochure van de firma Friedrich Haas uit 1926 vermeldt dat de afgebeelde scheermachine inmiddels een eeuw lang tot volle tevredenheid van de eigenaar functioneert. Mogelijk gaat het hierbij om de textielfabriek Johann Wülfing & Sohn in Dahlerau.

Dat de machinefabriek nog voor het einde van de eeuw een nieuwe weg insloeg was niet in de eerste plaats te danken aan beide zonen van Friedrich, maar in feite aan diens schoonzoon Albert Schmidt. Hij vroeg in 1881 patent aan op een apparaat, bestaande uit meerdere compartimenten, voor het drogen van wollen- en katoenen weefsels. En dat terwijl Schmidt van huis uit helemaal geen machinebouwer was, maar architect en ontwerper van stuwdammen. Het idee voor deze ‘stufenmäßiger Mehr-Kammer-Trockner’ was echter voortgekomen uit de constructie van de steenoven in het bedrijf van zijn vader. Vermoedelijk betrof het hier een ringoven, omdat dit type eveneens is opgebouwd uit meerdere compartimenten met op- en aflopende temperaturen. In de patenttekst was daarom ook aanvankelijk nog sprake van ‘muurwerk’ waaruit de installatie was opgebouwd.

Na overdracht van dit patent aan Maschinenfabrik Friedrich Haas kwam er al snel een prototype van ijzer tot stand, dat onder de naam ‘Universal-Schnell-Trockenapparat’ bij haar klanten onder de aandacht werd gebracht. De drogende werking van het apparaat berustte op het tegenstroomprincipe, hetgeen betekende dat het te drogen doek zich via een stelsel van rollen in tegengestelde richting van de aangezogen lucht verplaatste. Hierdoor koelde de lucht na het binnentreden van het apparaat het gedroogde doek af, terwijl bij het verlaten juist warmte werd overgedragen op het natte textiel. Zo was het mogelijk om verdampingscapaciteiten te bereiken die opliepen van vijfhonderd tot zelfs duizend kilogram water per uur. De machines vonden niet alleen toepassing in de textielsector, maar bijvoorbeeld ook in de voedingsmiddelenindustrie en men ontwikkelde later zelfs een variant voor het drogen van borden in de keukens van hotels, ziekenhuizen en kazernes. Deze uitbreiding van het productassortiment was uitermate welkom voor het bedrijf. Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van scheermachines hadden zich sinds halverwege de negentiende eeuw nauwelijks nog voorgedaan. Illustratief wat dat betreft is een vermelding in de bedrijfsbrochure die in 1926 ter gelegenheid van het eeuwfeest werd uitgebracht. In de regio Lennep waren toen nog zes scheermachines in gebruik die in de eerste tien jaar van het bedrijf gebouwd waren. Vanzelfsprekend presenteerde men dit als een teken van kwaliteit.Lennep (4)Afbeelding 4: Een textieldroogmachine uit de catalogus die in verband met het eeuwfeest in 1926 werd uitgebracht.

In 1905 droegen Fritz en Hermann Haas het bedrijf in blakende gezondheid over aan hun gelijknamige zonen. Met het oog op verdere expansie lieten die een nieuw fabrieksgebouw met representatief kantoorpand optrekken aan de Leverkusser Straße. De moderne basilicale montagehal bestond uit een staalskelet bekleed met bakstenen gevels, waarin de langgerekte ramen samen met de dakvensterpartijen een optimale lichtinval gaven. Loopkranen maakten het mogelijk om deels- of geheel gemonteerde machines te verplaatsen. Dankzij een technische afdeling met een grote tekenzaal verbeterden ook de arbeidsomstandigheden voor de ontwerpers. De orders waaraan gedurende de eerste jaren in deze nieuwe fabriek gewerkt werd waren echter van een andere aard dan de bedrijfsleiding voor ogen had gestaan. Enkele maanden na de opening in het voorjaar van 1914 brak de oorlog uit en werd de Maschinenfabrik Friedrich Haas ingeschakeld in de oorlogsproductie. In opdracht van de koninklijke geschutfabrieken in Siegburg en Spandau ging men granaten produceren. Toch bleef er vraag bestaan naar droogmachines, maar nu voor andere doeleinden, zoals het drogen van schietkatoen in de springstoffabrieken. Het bedrijf leverde ook mobiele drooginstallaties met vet-extractor aan het leger om achter het front paardenkadavers tot voedingsmiddelen te kunnen verwerken. Toen hiervan een exemplaar in Britse handen viel leidde dat tot verontrustende artikelen in de kranten die beweerden dat ze bedoeld waren voor de lijken van gesneuvelde militairen. Het leidde zelfs tot vragen in het Lagerhuis, waar deze speculaties door de regering overigens ontzenuwd werden. De dochteronderneming Tomlinson-Haas Ltd. in Manchester was al in de eerste oorlogsmaanden geconfisqueerd en dat gold ook voor het Belgische Société Fr. Haas in Brussel.Lennep (3)Afbeelding 5: Het fabriekscomplex van Friedrich Haas aan de Leverkusser Straße in de jaren ’50.

De naoorlogse jaren met hun politieke onrust (1918-’19), hyperinflatie (1922) en bezetting van het Ruhrgebied door Franse troepen (1923) betekenden voor de bedrijven in Duitsland een overlevingsstrijd waarin velen ten onder gingen of hoge kapitaalverliezen leden. Als reactie hierop ontstonden er bedrijfsverbanden binnen sectoren om het voortbestaan te garanderen, hoewel dat ten koste ging van de vrije concurrentie. De firma Friedrich Haas sloot zich aan bij het verband van de textielveredelingsmachinebouwers, dat bekend kwam te staan onder de naam TEMA-Konzern. De doorbraak van de kunstzijde-industrie in de jaren twintig leverde talloze orders op voor drooginstallaties, die een essentieel onderdeel vormden in het productieproces van dit nieuwe Rayon-garen. Het was ook de tijd waarin de vierde generatie Haas zich begon te manifesteren, dit keer met vier familieleden die allen een studie aan een technische- of economische hogeschool hadden voltooid: Fritz, Heinz, Hermann en Günther. Zij moesten de onderneming door de crisis van de jaren dertig en de daaropvolgende oorlog loodsen. Geluk speelde daarbij zeker een rol, want hoewel ook Lennep gebombardeerd werd bleef de fabriek gespaard en vervulde ze dit keer geen rol in de wapenproductie.

De wederopbouw stond ook voor de firma Haas weliswaar in het teken van herstel van beschadigde, en vervanging van vernietigde machines bij haar klanten,  toch was er al weer snel ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Dit maal ging het om de bouw van vacuümdroogmachines in samenwerking met het Berlijnse bedrijf Passburg-Block. Dankzij de ongekende welvaartsontwikkeling van de jaren vijftig deed de firma goede zaken. Niet alleen in eigen land, maar vooral ook buiten de grenzen, waarvoor het maar liefst tachtig vertegenwoordigingen onderhield en samenwerkte binnen de exportgemeenschap Combitex. Met twaalf miljoen D-Mark bereikte de omzet in 1957 een hoogtepunt. Het personeelsbestand bedroeg in datzelfde jaar bijna vierhonderd werknemers. Zestig procent van die omzet was nog altijd afkomstig uit de textielindustrie en dat had zijn uitwerking toen deze begin jaren ’60 in een structuurcrisis kwam, die uiteindelijk tot haar einde leidde. Maschinenfabrik Friedrich Haas reageerde hierop door in 1967 te fuseren met branchegenoot Büttner AG uit Krefeld. Een jaar later verkocht de vijfde generatie Haas haar belang in de firma, waarmee een einde kwam aan ruim honderdveertig jaar familiebedrijf. Voordat het doek definitief viel werden er nog tien jaar lang droogmachines gebouwd in Lennep onder de naam Famatex, een onderneming die tot de Barmer Maschinenfabrik (Barmag) behoorde. De oude machinefabriek aan de Schwelmer Straße bleef nog lang dienst doen als bedrijfspand van de weverij Schulte, voordat ze aan het einde van de vorige eeuw verbouwd werd tot appartementencomplex. Dit verklaart waarom het thans de naam ‘Weberhof’ draagt, terwijl een verwijzing naar de machinefabriek van Friedrich Haas in feite meer op zijn plaats was geweest.Lennep (5)Afbeelding 6: Drietalige reclamebrochure uit de jaren twintig, speciaal gericht aan  klanten in de voedingsmiddelenindustrie. Niettemin bleef de textielsector de belangrijkste afnemer van het bedrijf.