Turnhout

Turnhout (1)Afbeelding 1: Delen van de voormalige bloemmolens van Antoine Coppens zijn opgenomen in het appartementencomplex ANCO-torens.

Onze Zuiderburen kennen in het dagelijks spraakgebruik een schat aan uitdrukkingen die Nederlanders soms vreemd in de oren klinken. Dit manifesteert zich ook op industrieel gebied. Zo spreken Vlamingen van een ‘schouw’ in plaats van een fabrieksschoorsteen en een ‘site’ in plaats van een fabrieksterrein. Een ander fraai voorbeeld is de uitdrukking ‘bloemmolens’, waar een Nederlander het heeft over een meelfabriek. Dat niet de Belgen maar wij op dit punt afwijken blijkt wel uit het feit dat men ook in Duitsland en Frankrijk industriële maalderijen nog steeds aanduidt als ‘mühlen’ en ‘moulins’. De Engelsen gaan hierin nog verder door allerlei fabrieken met een lange historie tot ‘mill’ te bestempelen. De verklaring voor dit verschil moet waarschijnlijk gezocht worden in de bijzondere rol die de klassieke molen in de Nederlandse geschiedenis speelt en wel zodanig dat we ons er bijna mee identificeren. Anders gezegd, het is voor ons veel meer dan enkel een mechanisme dat door wind of water wordt aangedreven en zomaar zijn naam kan behouden als hier stoomkracht of elektriciteit voor in de plaats komt. Alleen al het feit dat een groot deel van ons land op het water is veroverd dankzij de inzet van molens draagt in belangrijke mate bij aan deze bijzondere status, die een fabrieksgebouw met een rokende schoorsteen nooit zal kunnen bereiken. Onze buurlanden gaan hier wat rationeler mee om en dat de industrie in hun historie een grotere rol heeft gespeeld zal hier ook wel toe bijdragen. In deze reportage gaan we overigens maar een klein stukje de grens over voor een bezoek aan Turnhout, waar de voormalige bloemmolens van Antoine Coppens recent zijn omgebouwd tot het appartementencomplex ANCO-Torens.Turnhout (7)Afbeelding 2: Het ANCO-complex in haar volle omvang, medio jaren zestig.

Ook als het om landstreken gaat kunnen er misverstanden ontstaan tussen Nederlanders en Belgen. Want denkt menig Nederlander bij de Kempen enkel aan de streek ten zuiden van Eindhoven, in werkelijkheid strekken deze zich uit van de Scheldevallei tot de Maasvallei en beslaan in België een oppervlak dat drie keer zo groot is als in Nederland. Eeuwenlang was het een gebied van uitgestrekte heidevelden, met vennen waar het natter, en zandverstuivingen waar het droger was. Steden van enige omvang kwamen er nauwelijks tot ontwikkeling en de boerenbedrijven op de schrale zandgronden waren maar weinig productief. Het is dan ook niet voor niets dat dit een grensgebied werd, want noch Den Haag, noch Brussel, had er belangstelling voor. In Nederland bleef dat zo, maar voor onze Zuiderburen was het gebied te groot om onbenut te laten. Dat begon al direct na afsplitsing van België uit het Koninkrijk der Nederlanden, waardoor de Luikse industrie beroofd was van haar vaarverbinding met de zeehavens via de Zuid-Willemsvaart. Al snel ontstond er een plan voor een kanaal door de Kempen van de Zuid-Willemsvaart bij Bocholt naar de Scheldehavens van Antwerpen. De aanleg begon in 1843 en drie jaar later was deze Kempische Vaart voltooid. Het kanaal kon alleen bevaren worden door schepen van beperkte afmetingen die men later ging aanduiden als Kempenaars en een vertrouwd beeld werden op de kanalen en rivieren van de Lage Landen. Om er ook andere delen van de Kempen van te laten profiteren groef men zijkanalen naar Turnhout (1846), Leopoldsburg (1857) en Hasselt (1858). Dit stelsel van Kempische kanalen was niet alleen bedoeld als binnenvaartnetwerk, maar moest ook kalkrijk water uit de Maas aanvoeren om de droge heidevelden te bevloeien tot vruchtbare weiden. Het vee dat hiermee gevoed werd zou zorgen voor voldoende mest om tarwe, haver, rogge en gerst te produceren, dat via diezelfde kanalen naar de sterk groeiende steden vervoerd kon worden. Het plan slaagde slechts gedeeltelijk omdat het debiet van de kanalen te laag was om zowel transport als bevloeiing mogelijk te maken. Veel heidevelden maakten plaats voor naaldbossen in plaats van weilanden om de steenkolenmijnen van stuthout te voorzien. Toch droeg het graven van de kanalen wel degelijk bij tot de ontwikkeling van de Kempen. Bij Mol trof men dikke lagen kwartszand, of zilverzand, aan dat zijn weg vond naar de omvangrijke glasindustrie in Wallonië. De afgravingen vulden zich met water en vormen tegenwoordig een uitgestrekt recreatiegebied. Toen men het kanaal van Turnhout naar Antwerpen verlengde (het huidige Kanaal Dessel-Schoten, gereed 1875) stuitte men op dikke kleilagen die vestiging van steenfabrieken mogelijk maakten. Aan het einde van de negentiende eeuw begon ook de metallurgische industrie belangstelling te tonen voor het gebied, echter niet vanwege de grondstoffen maar vanwege de afvalstoffen. Met name zinkfabrieken, maar ook producenten van koper, lood, tin en arseen, waren door hun vervuilende uitstoot niet meer gewenst in de nabijheid van stedelijke gebieden en kozen daarom voor verhuizing naar de Kempen. Na de eeuwwisseling kwamen daar nog eens de zeven steenkolenmijnen van het Kempens Bekken bij die tussen 1917 (Winterslag) en 1930 (Zolder) geopend werden en zoveel werkkrachten nodig hadden dat deze zelfs vanuit het verre buitenland moesten worden aangetrokken. Ook de Kempische Vaart bood toen, ondanks de verbredingen die ze had ondergaan, niet meer voldoende transportcapaciteit en werd vervangen door het Albertkanaal. De aanleg vond plaats tussen 1930 en 1939, mede als werkverschaffingsproject vanwege de economische crisis, en sindsdien is het de belangrijkste gegraven binnenvaartverbinding van België. Vandaag de dag worden delen van het Kempische Kanalenstelsel weliswaar nog steeds benut voor vrachtvaart, maar het is vooral de pleziervaart die de afgelopen jaren sterk gegroeid is.Turnhout (3)Afbeelding 3: De silogebouwen van ANCO langs het Kanaal Dessel-Schoten.

Turnhout trok pas profijt van haar ligging aan het kanaal toen dit in 1875 verbonden was met Antwerpen. Samen met de spoorverbinding naar deze stad, die gereed kwam in 1867, maakte dit een einde aan haar geïsoleerde ligging en kon ze op bescheiden wijze meedelen in de economische boom die het jonge koninkrijk België sinds haar onafhankelijkheid in 1831 doormaakte. Artikelen die in Turnhout op transport gingen waren hoofdzakelijk bouwmaterialen van de steenfabrieken, mijnhout en brandhout, terwijl steenkool, kalk en meststoffen van elders werden aangevoerd. De steenkool en kalk waren niet alleen voor de stad maar eveneens voor het uitgestrekte platteland bestemd. Toen Europa aan het einde van de negentiende eeuw overspoeld werd door goedkoop graan uit de Amerika kon dit via de Antwerpse haven en het kanaal ook Turnhout gemakkelijk bereiken. Een groot deel van de traditionele akkerbouw in Nederland en België ging hieraan ten onder in de grote Landbouwcrisis en maakte plaats voor veeteelt, waarvoor het geïmporteerde graan tot mengvoeder werd verwerkt. Dit proces voltrok zich ook in de Kempen, zij het dat de akkerbouw er nooit veel voorgesteld had. De productie en handel van mengvoeder bood nieuwe kansen voor ondernemers en Antoine Coppens was één van hen. Hij kocht in 1922 een oude melkfabriek in de Hannuitstraat nabij het Turnhoutse treinstation en bouwde het om tot een mengvoederfabriekje. De zaken verliepen zo voorspoedig dat hij in 1930 grond aankocht bij het Nieuwe Bassin, de zwaaikom in het kanaal ten noordwesten van Turnhout. Daar liet hij niet alleen een nieuwe olie- en veekoekenfabriek, maar ook een volledig gemechaniseerde bloemmolen bouwen. Eerstgenoemde afdeling produceerde samengesteld veevoeder voor runderen, varkens, paarden en kippen, terwijl in de maalderij tarwebloem voor bakkerijen en roggebloem voor de productie van peperkoek geproduceerd werd dat zijn weg vond naar de afnemers onder de merknaam ANCO: Antoine Coppens.  Tijdens de Tweede Wereldoorlog liepen de fabrieksgebouwen grote schade op, die pas in 1947 zodanig hersteld was dat de productie kon worden hervat. Met de ontsluiting van de grenzen na de oorlog kreeg de uitwisseling van technologieën een krachtige stimulans. Terwijl de veevoederindustrie in Europa nog een jonge bedrijfstak was, hadden de Verenigde Staten grote vooruitgang geboekt op het gebied van fabricagetechnieken en de samenstelling van veevoeders. De firma Coppens trok er haar lessen uit en vernieuwde de eigen veevoederproductie. Tevens richtte het bedrijf een proefboerderij op waar nieuwe veevoedervarianten in de praktijk werden uitgetest. In de jaren zeventig werd de buitenlandse concurrentie meer en meer voelbaar en stegen bovendien de transportkosten in sterke mate. De export naar traditionele afnemers in Duitsland, Frankrijk en Italië daalde daardoor aanzienlijk en toen de veevoederfabriek in 1981 door brand getroffen werd besloot men dan ook om deze niet meer op te bouwen. De bedrijfspolitiek bij Coppens richtte zich steeds op maximale integratie. Na een grondige studie van de meest moderne productiemethoden in Italië en Zwitserland kwam er in 1949 een deegwarensectie tot stand. Een griesmaalderij, die de grondstoffen voor deze deegwaren leverde, werd kort nadien geïnstalleerd en in 1960 startte een beschuitenfabriek.Turnhout (5)Afbeelding 4: Een batterij maalstoelen in de meelfabriek.

In deze hoogtijdagen wist Antoine Coppens met zijn deegwaren een aandeel van dertig procent op de binnenlandse markt te halen. Voor de aan- en afvoer had hij de beschikking over twee binnenvaartschepen en veertig vrachtwagens. Een nieuwe uitbreiding volgde in 1975 na overname van Remy in Wijgmaal, waarvan de productie van meel- en deegwaren naar Turnhout werd verplaatst. In een halve eeuw tijd was het personeelsbestand gegroeid van drie naar driehonderd medewerkers, al halveerde dat weer toen men in 1981 de veevoerproductie staakte. Was ANCO in de jaren zeventig zelf nog ‘jager’ in de consolidatieslag binnen de meel- en deegwarenindustrie, in de overnamegolf van de jaren negentig werd ze prooi en kwam in handen van het Nederlandse voedingsmiddelenconcern CSM. Na sluiting van afdelingen en verplaatsing van productie deed dit bedrijf het nog voor de laatste eeuwwisseling over aan het Amerikaanse Heinz, dat op dezelfde weg voortging tot in 2002 definitief het doek viel voor de Turnhoutse vestiging, waar toen nog maar dertig mensen werkten. Tegenwoordig bestaat ANCO enkel nog als merknaam en wordt gevoerd door de Belgische meelproducent Soubry voor haar zelfrijzend bakmeel. Het fabriekscomplex stond ruim tien jaar leeg tot er plannen ontwikkeld werden om het Nieuwe Bassin te transformeren van industrie- tot woongebied met jachthaven. De silo’s langs het kanaal en enkele bedrijfspanden vielen in 2014 onder de slopershamer, terwijl de overige fabrieksgebouwen in combinatie met nieuwbouw een tweede leven kregen als appartementencomplex onder de naam ANCO-torens. De maalderij mag dan te midden van de nieuwbouw misschien niet meer zo herkenbaar zijn, dankzij het behoud van de fabrieksschoorsteen kan er geen misverstand over bestaan dat het hier om industrieel erfgoed gaat. Niet alleen is de naam van oprichter Antoine Coppens nog steeds zichtbaar op de fabriekswand, maar is hij ook geëerd door het voorgelegen plein naar hem te vernoemen. Overigens vindt er in Turnhout nog steeds graanoverslag plaats, maar dan aan de Oude Kaai (eerste zwaaikom) waar de silogebouwen van de firma Joosen-Luyckx nog altijd operationeel zijn.Turnhout (6)Afbeelding 5: De merknaam ANCO is nog altijd in gebruik, tegenwoordig bij Soubry.