Aardewerkfabrieken

Aardewerk Fabrieken (11)Afbeelding 1: Het vullen van de oven bij Steingutfabrik Franz Anton Mehlem in het Duitse Bonn, omstreeks 1900.

Zoals enkele andere rubriektitels op deze website geldt ook in dit geval dat de vlag de lading niet volledig dekt. Want niet alles wat men in het dagelijks leven als aardewerk aanduidt behoort in de strikte zin tot deze materiaalcategorie, zoals steengoed en porselein. Beter zou het dan ook zijn om te spreken van keramiek, maar daar vallen dan weer bouwmaterialen als bakstenen, drainagebuizen en dakpannen onder. Fijnkeramische industrie is in feite de beste benaming voor de bedrijfstak waarvan het erfgoed op deze pagina aan bod komt, omdat het gaat om ondernemingen die serviesgoed, sanitair en tegels produceerden. Echter, omwille van de herkenbaarheid is er voor gekozen om het dagelijks spraakgebruik als uitgangspunt te nemen, temeer daar deze beter aansluit bij de historische invalshoek van deze website. Daarnaast zal het hier in lang niet alle gevallen om voormalige fabrieken gaan, omdat de productieprocessen er lastiger te mechaniseren waren dan in andere sectoren. Vormgeving en decoratie van aardewerk bleven nog lang arbeidsintensieve activiteiten en veel ondernemingen hadden daarom meer het karakter van een manufactuur dan van een fabriek. Binnen het hoogste segment, namelijk de vervaardiging van porselein, is men zich altijd als dusdanig blijven afficheren en niet enkel uit oogpunt van de geringe mechanisatiegraad. Vooral omdat fabrieken al snel synoniem kwamen te staan voor de massaproductie van goedkope artikelen, was er de porseleinondernemers veel aangelegen om zich daar verre van te houden door zich als manufactuur te presenteren richting hun chique clientèle.

Onder aardewerk verstaan we voorwerpen die gevormd zijn uit klei of leem en na droging doormiddel van verhitting in een oven gebakken worden. Hoe hoger de baktemperatuur, des te harder en minder poreus het aardewerk is. De klei in onze streken was dermate onzuiver (vooral door een hoog ijzergehalte, vandaar de rode of grijze kleur) dat de pottenbakkers hun oven niet hoger konden opstoken dan 1100oC zonder dat er misbaksels ontstonden als gevolg van vervorming en versmelting. Om het poreuze aardewerk dat zo ontstond toch ondoorlatend te maken, dompelden ze het te bakken voorwerp onder in een bad met loodglazuur dat bij verhitting een dichte, glasachtige laag vormde. Nadeel van de rode kleur was wel dat de decoratiemogelijkheden zich beperkten tot eenvoudige motieven en afbeeldingen die er als gele of groene slibversiering op werden aangebracht. Het zogenaamde Majolica-aardewerk dat in de zestiende eeuw naar Arabisch voorbeeld in Spanje en daarna Italië (daarom vernoemd naar doorvoerhaven Majorca) opgang maakte had dit probleem niet dankzij haar witte tinglazuur dat met mangaanpaars, kopergroen, kobaltblauw, antimoongeel en ijzeroranje kleurrijk versierd kon worden. Net als veel andere invloeden tijdens de Renaissance kwam deze technische ontwikkeling via Frankrijk in de Nederlanden terecht, waarbij ze ondertussen wel van naam veranderde in Faience (Faenza was een vermaard Italiaans pottenbakkerscentrum). In de Republiek der Zeven Provinciën groeiden vanaf begin zeventiende eeuw Delft en Makkum uit tot centra van Faiencenijverheid, waarbij de Delftse pottenbakkers zich lieten inspireren door het Chinese porselein dat destijds door de VOC-schepen werd meegebracht uit het Verre Oosten. Het viel op door zijn gedetailleerde afbeeldingen en motieven in blauw pigment op witte ondergrond, die aanvankelijk geïmiteerd werden, maar waaruit zich later een geheel eigen stijl ontwikkelde: Delfts Blauw.

Het belangrijkste porseleinkenmerk, de zeer dichte structuur, wist men in Delft echter niet te na te maken omdat hiervoor kaolien vereist is, een zeer zuivere witte klei waarvan de afzettingen schaars gelokaliseerd zijn. Door deze te mengen met zilverzand (kwarts) en veldspaat (of graniet) ontstaat een mengsel dat bij 1400oC gebakken kan worden. Daarbij treedt verglazing die het materiaal zijn hardheid, glans en typische klank geeft. In eerste instantie worden de objecten overigens bij 900oC verhit om ze in een toestand te brengen die als ‘biscuit’ wordt aangeduid. Daarna worden de decoratie en glazuurlaag aangebracht, alvorens het zogenaamde ‘gladbakken’ bij 1400oC plaatsvindt. In 1709 slaagde men er in het Saksische Meissen voor het eerst in om Europees porselein te maken, waarna in de loop van de achttiende eeuw elders op het continent porseleinmanufacturen in bedrijf kwamen. Meestal waren deze aan vorstelijke hoven verbonden, omdat het vanwege de schaarse grondstoffen en lage opbrengst (veel misbaksels) een kostbaar materiaal bleef en daarom ook wel als het ‘witte goud’ werd betiteld. Pogingen om het in Nederland te vervaardigen (Weesp en Loosdrecht) mislukten, niet alleen om technische- maar ook om commerciële redenen, aangezien hier de concurrentie met het Chinees porselein van de VOC te sterk was.Aardewerk Fabrieken (12)Afbeelding 2: De aardewerkindustrie bleef nog lang arbeidsintensief en stelde daarom meisjes en vrouwen te werk om de loonkosten te drukken.

Hoewel porseleinen serviesgoed dus voorbehouden was aan de adel en gegoede burgerij, hadden de lagere bevolkingsklassen toch in zekere zin een alternatief voor het eenvoudige, geglazuurde aardewerk. Sinds de late middeleeuwen werd er vanuit het Duitse Rijnland namelijk al steengoed geïmporteerd. De zuivere klei die men er aantrof in de omgeving van plaatsen als Siegburg, Frechen, Langerwehe, Westerwald en Raeren maakte het mogelijk om de baktemperatuur op te voeren tot 1200 à 1300oC. In dit temperatuurbereik treedt een fenomeen op dat ‘sintering’ heet en dat de baksels een dichte structuur geeft die ze geschikt maakt voor de opslag van vloeistoffen en bederfelijke voedingswaar. Het waren dan ook schenkkannen, bierpullen, jeneverkruiken, mineraalwaterflessen en inmaakvaten (Keulse potten) die men er van ging vervaardigen. Toepassing van zoutglazuur gaf steengoed zijn typische bruine kleur. In Nederland ging men het pas in de negentiende eeuw bakken, maar dan hoofdzakelijk om rioolbuizen te produceren die bekend kwamen te staan als ‘gresbuizen’. Deze bedrijvigheid concentreerde zich in de Limburgse plaatsen Tegelen, Belfeld en Swalmen.

De industrialisatie van de pottenbakkersnijverheid voltrok zich, net zoals in veel andere sectoren, als eerste in Engeland en is onlosmakelijk verbonden met de naam van Josiah Wedgwood. Door te experimenteren met witte klei en flint (kwartssediment) slaagde hij er rond 1759 in om aardewerk te produceren met de kwaliteit van steengoed, maar dan bij een lagere baktemperatuur. Daardoor kon hij het doorzichtige lood- in plaats van zoutglazuur gebruiken, zodat het baksel nagenoeg wit van kleur bleef en daarom ‘Creamware’ genoemd werd. Export liet niet lang op zich wachten en betekende ook in Nederland al snel de nekslag voor de faiencenijverheid. Later bracht Wedgewood een verbeterd Creamware op de markt dat echt wit was (Pearlware) en een ongeglazuurd, basaltkleurig steengoed met witte decoraties (Jasperware). Het productieproces zelf ontsnapte evenmin aan zijn aandacht. Zo maakte de klassieke draaischijf plaats voor mallen van gips waarin de kleimassa gegoten werd, hetgeen de reproduceerbaarheid ten goede kwam. Zijn methode om de oventemperatuur vast te leggen (pyrometer) en techniek om het pigment voor een afbeelding efficiënt op het te bakken aardewerk aan te brengen (transfer printing) droegen mede bij tot zijn lidmaatschap van de wetenschappelijke ‘Royal Society’. Het bedrijf Wedgwood bestaat tot op de dag van vandaag, maar niet meer als zelfstandige onderneming.

In Nederland was het Petrus Regout die als eerste aardewerk fabrieksmatig ging produceren en daarmee tevens het industrietijdperk voor ons land inluidde. Maar dat was een kleine eeuw later en bovendien meer geïnspireerd door de industrialisatie in het naburige Luik dan door Wedgwood. Maastricht groeide uit tot hét hart van de aardewerkindustrie in ons land (met nu alleen nog Royal Mosa), op grote afstand gevolgd door Gouda (plateel en pijpen, geheel verdwenen), Makkum (nog altijd Koninklijke Tichelaar) en Delft (De Porceleyne Fles). Het is ook enkel Maastricht dat industrieel erfgoed van formaat heeft dat nog herinnert aan de hoogtijdagen van deze sector.Aardewerk Fabrieken (10)Afbeelding 3: Productie van sanitair bij ‘Sphinx’ in Maastricht, kort voor de oorlog. Petrus Regout legde in 1834 de basis voor dit bedrijf.

In Delft, het bekendste aardewerkcentrum van Nederland, staat slechts één fabriek die de herinnering aan deze sector levend houdt en bovendien nog altijd in bedrijf is. Het betreft ´De Porceleyne Fles´ waarvan de wortels teruggaan tot een pottenbakkerij in 1653. Hoewel ook in ´De Delftse Pauw´ en ´De Candelaer´ nog Delfts Blauw wordt vervaardigd, is hun productie te gering om als fabriek beschouwd te worden. Dat het industrieel erfgoed van de Faience-productie er zo beperkt is, kan eenvoudig verklaard worden uit het feit dat deze tak van nijverheid al voor 1800 was uitgebloeid en daarom nauwelijks tot industrialisatie gekomen is. Haar hoogtepunt beleefde ze tussen 1650 en 1750 en telde toen ruim dertig pottenbakkerijen, maar de opkomst van het goedkope aardewerk uit Engeland (Wedgewood) aan het einde van de achttiende eeuw betekende haar ondergang. De Porceleyne Fles wist echter lang genoeg te overleven om eind negentiende eeuw aan te haken bij de heroplevende belangstelling voor de Gouden Eeuw en ging het Delfts Blauw toen uitsluitend als sieraardewerk produceren. Het waren ingenieur Joost Thooft en ondernemer Abel Labouchere die destijds deze koerswijziging ingezet hebben en het bedrijf zo succesvol uitbouwden dat het in 1919 het predicaat ‘koninklijk’ ontving.

Het fabriekscomplex aan de Rotterdamseweg, nu een rijksmonument, ontstond in de jaren twintig en kreeg uit oogpunt van verkoopdoeleinden een representatieve uitstraling, wat zich onder andere manifesteerde in een binnenplein met zuilengalerij en de toepassing van decoratief bouwkeramiek. Het productieproces onderging weinig verandering en bestaat nog altijd uit twee bakstappen: een eerste om het voorwerp ‘biscuit’ te bakken, waarna de decoratie en het glazuur wordt aangebracht alvorens het voor een tweede maal in de oven gaat om het eindresultaat te bereiken. Het schilderen gebeurt nog steeds handmatig, al tekent men het motief over het algemeen eerst uit met een sjabloon. Kenmerk van het pigment voor het typische Delftse blauw, kobaltoxide, is dat het in ongebrande toestand zwart is. De artikelen lopen uiteen in vorm (tegels, serviezen en vazen), afbeeldingen (Chinese motieven, Hollandse landschappen en stadsgezichten, adellijke wapens etc.) en grootte en hebben inmiddels een status bereikt dat ze in diverse museumcollecties vertegenwoordigd zijn. Vandaag de dag is de productie vooral afgestemd op het (internationaal) toerisme, wat zich zowel uit in de grote bezoekersaantallen van de fabriek als in het assortiment van geschenkartikelen. Aardewerk Fabrieken (4)Afbeelding 4:  Toen de fabriek van ‘De Porceleyne Fles’ honderd jaar geleden gebouwd werd had het Delfts Blauw al zoveel status dat men voor een ontwerp in hoogwaardige architectuur koos.

Aan het Merwedekanaal in Utrecht staat sinds 1913 Keramiekfabriek Mobach, waar al vijf generaties lang sieraardewerk wordt vervaardigd. In 1894 verliet Klaas Jaans Mobach Friesland, waar het pottenbakken reeds een familietraditie was, en vestigde zijn werkplaats in een oude dakpannenfabriek aan de Vaartsche Rijn. Zijn assortiment, dat zowel huishoudelijke artikelen als kunstnijverheid omvatte, verkocht hij in een eigen winkel aan de Maliebaan. Het succes, vooral te danken aan de destijds populaire Jugendstilmotieven, deed hem besluiten om een fabriekje te laten bouwen op de industriezone aan het Merwedekanaal, dat bestond uit een woonhuis en twee bedrijfshallen. Eén hal diende voor de opslag van klei en in de andere bevonden zich de vier moffelovens waarin het aardewerk werd gebakken nadat het op de draaischijf gevormd was. Mobach onderscheidde zich met manshoge plantenbakken en vazen, voorzien van niet alledaagse glazuren, waarvan er thans velen te bewonderen zijn in de expositieruimte van de fabriek, die de status van rijksmonument heeft.Aardewerk Fabrieken (5)Afbeelding 5: Op het buitenterrein van Keramiekfabriek Mobach in Utrecht staan enkele exemplaren van de grote siervazen waarmee het bedrijf zich ook nu nog onderscheidt.

Maastricht mag dan nu bekend staan als stad van kunst, cultuur en mode, twee eeuwen geleden was het de bakermat van de industrialisatie in Nederland toen Petrus Regout er begon met de productie van glas en aardewerk. De stormachtige ontwikkelingen op industrieel gebied in het naburige Luik dienden hem daarbij als voorbeeld en ook voor machines, gereedschappen en steenkool kon hij een beroep doen op de ondernemers aldaar. Aanvankelijk kocht hij er zelfs de halffabricaten, want gedurende de eerste tien jaar beperkten zijn activiteiten zich tot het slijpen van kristalglas dat bij de beroemde fabrieken van Val St. Lambert in Seraing geblazen werd. Toen de Belgische opstand en –afscheiding hier een einde aan maakte, besloot Regout in 1834 de glasproductie zelf ter hand te nemen en richtte daarvoor een fabriek in aan het Bassin, de binnenhaven die de schakel vormde tussen de Zuid-Willemsvaart en de Maas. Twee jaar later voegde hij hier een aardewerkfabriek aan toe om zijn klanten naast glaswerk ook van serviesgoed te kunnen voorzien. In eerste instantie betrof het faience, maar met behulp van Engelse vakarbeiders en -grondstoffen slaagde hij er later in om het kwalitatief hoogstaandere creamware te produceren. Met een eigen kalkbranderij, zinkwit- en gasfabriek groeide ‘Petrus Regout & Co.’ uit tot een industrieel imperium dat rond 1860 al meer dan tweeduizend werknemers telde en waarvan de gebouwen zich inmiddels uitstrekten tot aan de Boschstraat. Na zijn dood in 1878 zetten zijn vijf zonen de onderneming voort, breidden deze verder uit op de gronden van de geslechte vestingwerken en gingen vanaf 1879 de merknaam ‘Sphinx’ voeren, wat twintig jaar later ook de nieuwe bedrijfsnaam werd.Aardewerk Fabrieken (2)Afbeelding 6: In het ‘Eiffelgebouw’, de voormalige sanitairfabriek van ‘Sphinx’, wonen sinds 2017 studenten van de Hogeschool en Universiteit van Maastricht. Ook de fabriekspoort uit 1865 werd in ere hersteld.

Kleinzoon Louis Regout begon in 1883 aan de overzijde van de Maas, op wat toen nog grondgebied van de gemeente Meerssen was, een porseleinfabriek onder de naam ‘Mosa’. Even ten zuiden daarvan, in Wyck, was in 1851 nog een derde aardewerkfabriek, de ‘Société Céramique’, opgericht door de ondernemers Clermont en Chainaye. Zo werd Maastricht een echte industriestad met tientallen fabrieksschoorstenen en duizenden arbeiders, inclusief erbarmelijke huisvesting, frequente stakingen en, zoals de Arbeidsenquête van 1887 aan het licht bracht, wijdverbreide kinderarbeid. Sterke daling van de afzet tijdens de beide Wereldoorlogen en de crisis van de jaren dertig leidden tot hoge werkeloosheid en dat gold ook voor de verschuiving van serviesgoed naar sanitair die zich gedurende die decennia voltrok. In 1958 fuseerden ‘Sphinx’ en de ‘Société Céramique’ tot een bedrijf dat toen nog altijd zo’n vierduizend werknemers telde en in de halve eeuw die volgde nog talloze overnames deed, maar op de thuisbasis in Maastricht toch vooral afslanking na afslanking doorvoerde. Toen ‘Sphinx’ in 2004 haar terreinen in de binnenstad aan de gemeente verkocht en een nieuwe sanitairfabriek opende aan de Beatrixhaven werkten daar nog maar vierhonderd mensen. Na overname door het Zwitserse Geberit in 2015 sloot ook deze fabriek en verdween vijf jaar later eveneens de merknaam.Aardewerk Fabrieken (1)Afbeelding 7: De Wiebengahal uit 1912 maakte onderdeel uit van het fabriekscomplex van de ‘Société Céramique’ en geldt als een vroeg voorbeeld van het ‘Nieuwe Bouwen’.

De fabriek van de ‘Société Céramique’ was al in 1980 dicht gegaan en maakte in de jaren negentig grotendeels plaats voor de nieuwe stadswijk ‘Céramique’. Deze kreeg landelijke bekendheid door de prestigieuze nieuwbouw die er naar ontwerp van een aantal gerenommeerde architecten verrees zoals het Bonnefantenmuseum en het Centre Céramique. Slechts twee fabrieksgebouwen bleven gespaard. De ‘Bordenhal’ uit 1880 ging dienst doen als huisvesting van de Toneelgroep Maastricht. Een bedrijfshal uit 1912 met betonskelet en schaaldak, vernoemd naar zijn architect Jan Wiebenga, is na renovatie een architectuurcentrum geworden. Vergelijkbaar ambitieuze plannen had de gemeente Maastricht met het fabriekscomplex van de Sphinx, maar deze liepen door de kredietcrisis van 2007 jaren vertraging op. Het industrieel erfgoed bestaat hier uit aantal bakstenen gebouwen uit de late negentiende eeuw (Molengebouw, Brikkenbouw en Gipsfabriek), sheddakmagazijnen (nu poppodium ‘De Muziekgieterij’), een elektriciteitscentrale uit 1910 (nu filmhuis ‘Cinema Lumière’) en de sanitairfabriek die in drie fasen tot stand kwam tussen 1929 en 1941. Laatstgenoemde werd opgetrokken als hoogbouw van acht verdiepingen rond een betonskelet, kreeg ‘De Eiffel’ als bijnaam en biedt sinds 2017 onderdak aan studenten. Het gehele ‘Sphinxkwartier’ werd in 2019 opgenomen in de ‘European Routes of Industrial Heritage (ERIH)’. Mosa, dat zich sinds 1983 ‘koninklijk’ mag noemen, is als enige van het drietal nog actief en bovendien op dezelfde locatie, hoewel van de oorspronkelijke fabrieksgebouwen weinig resteert. Reeds in 1932 schakelde men er over van porselein op aardewerk, waarvoor bekende vormgevers werden aangetrokken. Thans beperkt het assortiment zich tot vloer- en wandtegels.Aardewerk Fabrieken (8)Afbeelding 8: Nadat er anderhalve eeuw lang Meissener porselein was geproduceerd in de Albrechtsburg, werd hiervoor in 1863 een nieuwe Porzellanmanufaktur in gebruik genomen. Deze is, zij het op bescheiden schaal, nog altijd in bedrijf.

De vervaardiging van het eerste Europese porselein in opdracht van de Saksische koning August de Sterke werd later weliswaar aangedikt tot een spannend verhaal, maar blijft in de kern een mooi, vroeg voorbeeld van product- en procesontwikkeling. In zijn jarenlange zoektocht naar een manier om goud te maken had alchemist Johann Friedrich Böttger systematisch leren experimenteren en veel materiaalkennis opgedaan. Graaf Ehrenfried Walther von Tschirnhaus beschikte over ruime ervaring op het gebied van ovens en bakprocessen. In 1708 slaagden zij er samen in om een aantal objecten te vervaardigen met eigenschappen die maar weinig afweken van het begeerde Chinese porselein. Zoals zo vaak bij uitvindingen kwam hier ook een dosis geluk bij kijken, want niet ver van Dresden was een bij toeval een bijzonder zuivere, witte klei aangetroffen die achteraf bezien het essentiële bestanddeel van porselein bleek te zijn: kaolien. Om pottenkijkers te weren liet August de Sterke dit werk voortzetten in de leegstaande Albrechtsburg te Meissen, die in de daaropvolgende decennia werd omgebouwd tot een fabriek met grote ateliers, droogruimtes en reusachtige bakovens. Tot aan zijn dood tien jaar later was Böttger de eerste directeur van deze ‘Königliche Sächsische Porzellan-Manufaktur’, die tot 1863 in de Albrechtsburg gevestigd bleef. In dat jaar werd in het Triebischtal de nieuwe ‘Porzellan-Manufaktur Meißen’ in gebruik genomen, die tot op heden in bedrijf is en zo’n vierhonderd medewerkers telt. De onderneming lijdt al jaren verlies en wordt hoofdzakelijk om cultuur-historische redenen op de been gehouden. Daarom werd de fabriek in 2006 uitgebreid met een bezoekerscentrum dat de ontwikkeling van drie eeuwen Meissener porselein toont. De belangrijkste topstukken zijn overigens te bewonderen in het Zwingerpaleis te Dresden, terwijl het Rijksmuseum in Amsterdam met veertienhonderd objecten de grootste collectie buiten Duitsland bezit.Aardewerk Fabrieken (3)Afbeelding 9: De Königliche Porzellan-Manufaktur Berlin wist ook recent nog nieuwe wegen in te slaan, zonder daarbij overigens het oude te verwaarlozen. De fabriek uit 1872 werd tussen 1998 en 2003 namelijk grondig gerestaureerd.

In de jaren die volgden op de ‘uitvinding’ van Böttger opende in Europa de ene na de andere porseleinfabriek haar deuren. Deze waren meestal verbonden aan een adellijk- of koninklijk hof omdat een eigen productiecentrum voor dit kostbare materiaal was uitgegroeid tot een statussymbool. Frederik de Grote van Pruisen gaf  in 1763 opdracht tot een dergelijk prestigeproject en stichtte de ‘Königliche Porzellan-Manufaktur Berlin’ (KPM). Omdat Saksen als gevolg van de Zevenjarige Oorlog bezet was door Pruisische troepen, bood dit de gelegenheid om porseleinspecialisten uit Meissen onder dwang naar Berlijn te halen voor het succesvol opstarten van de productie. Opeenvolgende koningen plaatsten grote orders bij de KPM, waarvoor toonaangevende kunstenaars de decoraties ontwierpen. Aanvankelijk was de fabriek aan de Leipziger Straße gevestigd, maar toen ze daar plaats moest maken voor het Pruisische parlementsgebouw bouwde men in 1872 een nieuwe complex in de Wegelystraße (Tiergarten). Dankzij haar ligging aan de Spree konden de grondstoffen per schip worden aangevoerd en in een chemisch-technologische ontwikkelafdeling kwamen innovaties tot stand op het gebied van porseleinsamenstellingen, glazuren en pigmenten. Nieuwe kunststromingen vormden iedere keer aanleiding om deze door gerenommeerde ontwerpers in porseleinwaren tot uitdrukking te brengen, tot die van Bauhaus en de Nieuwe Zakelijkheid in de vorige eeuw aan toe. Vanwege de verwoestingen was de KPM genoodzaakt om na de oorlog tijdelijk uit te wijken naar elders, maar na afronding van het herstel keerde men in 1957 weer terug naar de fabriek in Berlin-Tiergarten. Vanaf 1988 ging het bedrijf als GmbH (Besloten Vennootschap) functioneren en tien jaar later begon een omvangrijke restauratie om de monumentale gebouwen weer in hun oorspronkelijke toestand te brengen. Daarbij werden tegelijkertijd de productiefaciliteiten volgens de laatste stand der techniek opgewaardeerd. Sindsdien is de oude ringovenhal ingericht als verkoopgalerie, zijn samenwerkingsverbanden aangegaan met luxemerken als Bugatti en Bottega Veneta en werd in 2019 zelfs een eigen hotel geopend in de onmiddellijke nabijheid van de Manufaktur.SONY DSCAfbeelding 10: De ‘Four des Casseaux’ is één van de vier laatste porseleinovens van Limoges. De oven meet bijna acht meter in doorsnee en was in gebruik tot 1959.

Het meest vooraanstaande koninklijke hof van Europa, namelijk dat van Frankrijk, kon uiteraard niet achterblijven in de prestigestrijd om het porselein en in 1740 stichtte Lodewijk XV een fabriek in het in onbruik geraakte Château de Vincennes nabij Parijs. In 1756 verhuisde de productie naar een nieuwe ‘Manufacture Royale’ in Sèvres, een plaatsnaam die sindsdien verbonden is gebleven met het meest luxueuze porselein. Na de Franse Revolutie in 1789 werd het een staatsonderneming en deze situatie is blijven bestaan tot 2009. Toen werden museum en manufactuur, samen met het porseleinmuseum in Limoges samengevoegd tot ‘Cité de la Céramique Sèvres et Limoges’. Want al in de achttiende eeuw ontstond in de Zuid-Franse stad Limoges een tweede porseleincentrum, dat in productieomvang veel groter was dan Sèvres. In 1767 had men in het nabijgelegen Saint-Yrieix-la-Perce rijke afzettingen van kaolien aangetroffen die twee jaar later koninklijk bezit werden. Lodewijk XV verleende een privilege aan de gebroeders Fournérat om in Limoges een ‘Manufacture Royale’ op te richten voor de productie van porselein. Na de revolutie konden ook andere ondernemers kaolien laten afgraven en in 1807 telde Limoges al vijf fabrieken met zeven ovens en tweehonderd arbeiders. De klei was zo helderwit, en daardoor begeerd, dat ze ook verkocht werd aan buitenlandse fabrieken. Voor deze export bouwde men grote watermolens langs het riviertje de Vienne om de klei te vermalen tot een fijn poeder.

Halverwege de negentiende eeuw was het aantal porseleinfabrieken al opgelopen tot negentien, waaronder die van de Amerikaan David Haviland. Hun ovens stookten ze nog lang op hout uit uitgestrekte bossen van de Haute-Vienne. Rond 1900 vonden zo’n tienduizend mensen werk in deze industrie, die overigens berucht was vanwege haar beroerde arbeidsomstandigheden. Regelmatig werd de sector geteisterd door stakingen en Limoges was een broeinest van anarchisme en socialisme. Door crises, beide wereldoorlogen, maar vooral een veranderde smaak van het publiek, raakte de porseleinindustrie in verval. Met als resultaat dat er na de laatste eeuwwisseling in Limoges slechts een tiental bedrijven resteren, die zich als ‘Maison’ presenteren en samen nog maar duizend werknemers hebben. Het industrieel erfgoed omvat vier grote bakovens verspreid over Limoges, waarvan de ‘Four des Casseaux’ voor het publiek toegankelijk is. Dat gaat echter in aanzienlijk grotere getalen naar het ‘Musée Nationale de la Porcelaine Adrien Dubouché’ dat zo’n tienduizend objecten tentoonstelt in een voormalig hospitaal.fabrique des casseauxAfbeelding 11: De ‘Four des Casseaux’ werd in 1884 gebouwd door de Usine Gérard-Dufraisseix-Morel, waarvan het volledige ovengebouw behouden is gebleven.