Maalderijen

Maalderijen (1)Afbeelding 1: Stoommeelfabriek De Vrede aan het Noordzeekanaal in Zaandam dateert uit 1918, het jaar waarin WOI eindigde. Opgetrokken rond een betonskelet bestaat het uit een fabrieksgebouw, betonnen silo, ketelhuis, watertoren en elevatortoren.

Als het gaat om ons dagelijks voedsel is er al een jarenlange trend gaande naar meer waardering voor de ambachtelijke bereiding ervan, hoewel het overgrote deel nog steeds industrieel tot stand komt en dat uit technisch-logistiek oogpunt niet (snel) zal veranderen. In geval van ons brood heeft de positieve associatie die verbonden is aan het ambacht eigenlijk altijd stand weten te houden, getuige het feit dat er nog veel meer zelfstandig gevestigde warme bakkers zijn dan slagers of groentemannen. En hoewel vlees en groenten in de vorm van de ‘kiloknaller’ en ‘watertomaat’ inmiddels ook een negatief symbool hebben voor alles wat industrieel is voortgebracht, gaat de uitdrukking ‘fabrieksbrood’ veel verder terug in de tijd en laat er ook geen misverstand over bestaan wáár het is misgegaan. De broodfabrieken die hier anderhalve eeuw geleden aan de oorsprong van stonden hadden daarentegen een goed imago bij hun klanten vanwege de goede kwaliteit en gunstige prijs. Die waren te danken aan het industriële maalproces waar zij gebruik van maakten en dat vandaag de dag ook de meeste warme bakkers nog van hun belangrijkste grondstof voorziet. Maar terwijl hun ambachtelijke voorgangers, de korenmolens, nog prominent aanwezig zijn in menig landschap en om hun monumentale waarde gekoesterd worden, bestaat er voor deze meelfabrieken nauwelijks of geen aandacht. Vaak is bij het publiek wél bekend waar in de buurt een molenaar op gezette tijden graan maalt en dit in zijn gezellige, geurige winkelruimte verkoopt, maar niet waar een industriële producent van bakkersmeel gevestigd is. Nog bedroevender is het gesteld met bekendheid en imago van bedrijven die met maal- en mengprocessen diervoeder produceren voor de veehouderijen: de mengvoederindustrie. Deze sector is onlosmakelijk verbonden met de intensieve veeteelt die de afgelopen jaren steeds meer onder vuur is komen liggen vanwege de impact op milieu en gezondheid. Dat tegenstanders deze bedrijfstak ‘gepromoveerd’ hebben van de primaire- naar secundaire sector door het woord bio-industrie te introduceren is niet in de laatste plaats ingegeven door de negatieve connotatie. Omdat ondertussen een aantal van deze industriële maalderijen buiten bedrijf is gesteld en een nieuwe bestemming heeft gekregen, is dit voldoende aanleiding om er in een aparte rubriek aandacht aan te besteden. De populariteit van de windmolen, die nu eenmaal een nationale icoon is, zullen ze nooit evenaren, maar iets meer kennis over de onmisbare rol die ze in onze voedselvoorziening  gespeeld hebben, en nog steeds spelen, zou al verdienstelijk kunnen zijn.Meelfabrieken (2)Afbeelding 2: Veel molenaars wisten het tot diep in de vorige eeuw vol te houden door met motoraandrijving te gaan malen. Dit vereiste wel een uitbreiding van de opslagcapaciteit, zoals hier het pakhuis van De Eendracht in Alphen aan de Rijn.

Hoewel reeds in de middeleeuwen het malen van tarwe, rogge, gerst en andere granen gemechaniseerd werd met behulp van wind- en watermolens, is de term pre-industrialisatie hier nog niet op van toepassing. Het was de molenaar namelijk niet toegestaan om zelf aan handel te doen door partijen graan van boeren te kopen en deze na vermaling aan bakkers te verkopen. Hij was aan strenge regels – tot 1795 gildevoorschriften – gebonden, die hem enkel toestonden om afzonderlijke partijen te malen die hem door boeren of bakkers werden aangeboden. Daarvoor ontving hij een maalloon, maar bij slecht werk kon hij een boete opgelegd krijgen. Door de zogenaamde molendwang waren tot 1795 de inwoners uit een bepaald gebied bovendien verplicht om hun graan bij de lokale molenaar te laten malen. Van vrij ondernemerschap was dus geen sprake. Na het ancien regime raakten de molenaars weliswaar hun lokale monopolie kwijt, van gezonde concurrentie was nog lang geen sprake. In de steden wisten de molenaars door kartelafspraken de markt nog lange tijd te verdelen, op het platteland bleef men vaak aangewezen op de enige plaatselijke molen. Strenge wet- en regelgeving rond de accijns op het gemaal die binnen het nieuwe koninkrijk was uitgevaardigd, maakte het voor nieuwe toetreders weinig aantrekkelijk om een molenbedrijf te beginnen. Het was de molenaar nog steeds verboden om handel te drijven, een voorraad aan te houden, door herhaald malen fijner meel te produceren of meel te zuiveren. Hij was verplicht om een uitgebreide administratie bij te houden ten einde de belastingambtenaar in staat te stellen zijn controles uit voeren. Het kwam er op neer dat grootschalige productie nog steeds niet mogelijk was omdat men zak voor zak moest malen en procesverbeteringen niet gestimuleerd, maar eerder belemmerd werden. Afschaffing van deze accijns op het gemaal liet nog tot 1854 op zich wachten en de pogingen tot innovatie die in de eerste helft van de negentiende eeuw werden ondernomen hadden dan ook weinig of geen succes. Die hadden vooral betrekking op het inzetten van stoomaandrijving om niet meer afhankelijk te zijn van windkracht of waterstand. Terwijl normaliter de bovenste molensteen, de loper, door windkracht werd aangedreven via molenas, koningsspil en staakijzer, was het in de stoomkorenmolen de onderste molensteen, de ligger, die via een overbrengmechanisme met een stoommachine was verbonden (na ontkoppeling van de bovenste steen). Maar ook een afzonderlijke ‘maalstoel’ in combinatie met een stoommachine, los van de windmolen, kwam wel voor. Dergelijke stoomkorenmolens waren echter alleen maar rendabel als er continu geproduceerd kon worden, aangezien hun exploitatielasten aanzienlijk hoger waren dan van een windmolen. Door het eerder genoemde gebrek aan marktwerking ontbrak het echter aan voldoende afzetmogelijkheden en echt succesvol waren deze stoomkorenmolens dan ook niet.Meelfabriek (3)Afbeelding 3: Al aan het einde van de achttiende eeuw ontstonden de eerste meelfabrieken op waterkracht. Deze tekening toont gedetailleerd het verticale maalproces.

Juist omdat het maalproces al gemechaniseerd was, zij het niet altijd even betrouwbaar, kon stoomkracht alléén hier onvoldoende aan toevoegen om het verschil te maken. Ontwikkelingen in het buitenland gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw maakten duidelijk dat kwaliteit de doorslaggevende factor was om een fabrieksmatige productie te laten slagen. In landen als Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije en Pruissen waren al voorbeelden van meelfabrieken die aanvankelijk zelfs nog van waterkracht gebruik maakten. Het verschil was echter dat het meel enkele maalbehandelingen achter elkaar onderging, waarbij het tussentijds gezeefd en gekoeld werd. Dit leverde een veel grotere fractie fijn meel op waarvan het duurdere wittebrood en gebak gemaakt konden worden en waarvoor men dus een hogere prijs kon vragen. Net als in windmolens hadden deze meelfabrieken een verticale procesgang en bestonden uit verschillende verdiepingen voor zuiveraars, zeven (vaak bestaande uit ronddraaiende cilinders van fijn gaas, ook wel als ‘buil’ aangeduid), koelers en maalstenen. Voor iedere herhaalde maalbehandeling werd het meel met elevators weer naar boven gevoerd, maar ook Jacobsladders, transportbanden en Archimedesschroeven vonden toepassing. Continuïteit was bepalend voor dit nieuwe, gecompliceerde maalproces en hoewel waterkracht wat dat betreft betrouwbaarder was dan windkracht, genoot stoomaandrijving uiteindelijk de voorkeur. Genoemde landen kenden al eeuwen een omvangrijke graanteelt en exporteerden dit naar landen die door klimatologische omstandigheden niet zelfvoorzienend waren zoals Nederland. Ze hadden nu de mogelijkheid om meel in plaats van graan te verhandelen en daar meer aan te verdienen. Daar kwam bij dat het meel door het lagere gehalte aan zemelen ook nog eens langer houdbaar was.  Meelfabrieken (4)Afbeelding 4: De Hongaarse tarwe stond bekend om zijn harde korrel. De Victoria Dampfmühle in Pest wist hier met een procedé dat werd aangeduid als ‘hoogmalen’ toch een zeer fijn en zuiver bakmeel uit te bereiden.

Na de wetswijziging van 1854 kwamen ook in Nederland al snel initiatieven tot stand om industrieel te gaan malen, maar deze beperkten zich tot de grote steden. Alleen daar waren voldoende (koopkrachtige) klanten om van het gewenste afzetvolume gegarandeerd te zijn. De investeerders realiseerden zich tevens dat het verstandig was om het bakproces in eigen hand te hebben, aangezien ze ten volle wilden profiteren van de hogere opbrengsten van het betere meel en die winst niet deels in de zakken van traditionele bakkers wilden laten belanden. Zo ontstonden er broodfabrieken waarin de stoom niet alleen de maalderij bekrachtigde, maar ook aandrijving leverde voor de kneedmachines en warmte voor de heteluchtovens. De combinatie van meel- en broodfabriek achtte men noodzakelijk om de kwaliteit van het bakproces te waarborgen. Bakkers kneedden in die tijd het brooddeeg nog op onhygiënische wijze met de voeten en waren soms geneigd om met het meel te knoeien door het te vermengen met boekweit of kalkpoeder. Er had altijd al een verschil bestaan tussen het westen van het land, waar dankzij import en teelt op de vruchtbare kleigronden licht tarwebrood werd gebakken, en de rest van het land waar op de arme zandgronden enkel rogge groeide en men overwegend dit groffe en donkere brood at. Daar kwam nu het nieuwe witte brood bij dat lange tijd een voorrecht zou blijven voor de grote steden van Holland. Overigens was niet iedereen lovend over deze nieuwe ontwikkeling. Van deskundige zijde liet de kritiek op de voedingswaarde van dit brood niet lang op zich wachten, omdat uit wetenschappelijk onderzoek al bekend was dat met verwijdering van de zemelen het proteïnegehalte sterk daalde. Dat na twee decennia voorlopig een einde kwam aan de opmars van de meelfabriek lag echter niet hier aan, maar had te maken met de opkomst van nieuwe graan-exporterende landen. In Europa ging het om de regio rond de Zwarte Zee en in Amerika om Argentinië en de Verenigde Staten waar de landbouw na afloop van de burgeroorlog in een stroomversnelling was gekomen. De lage prijzen waarvoor dit graan op de Europese markten kwam veroorzaakte vanaf 1880 een landbouwcrisis die decennia zou aanhouden. Tegelijkertijd was in de VS een nieuwe generatie meelfabrieken ontstaan die was uitgerust met walsen in plaats van molenstenen en daardoor nog efficiënter kon produceren. Ook dit goedkope meel kwam op den duur in de Nederlandse havens aan en vond gretig aftrek bij de traditionele bakkerijen die nu ook witbrood gingen bakken. Dit ontnam de broodfabrieken hun concurrentievoordeel en in korte tijd waren enkele tientallen van hen genoodzaakt om hun deuren te sluiten. Aan het einde van de eeuw bedroeg het aandeel van de industriële maalderijen in de totale meelproductie nog maar twintig procent en was de rol van de klassieke molenaars nog geenszins uitgespeeld. Met name op het platteland zouden zij het nog tientallen jaren weten vol te houden, vooral dankzij de beschikbaarheid van elektro- en verbrandingsmotoren. Vaak lieten ze een kleine machinale maalderij naast hun molen bouwen, waar ze in geval van windgebrek op terug konden vallen. Door deze flexibilisering van hun bedrijfsvoering, de nabijheid van klanten en leveranciers  en het feit dat rogge moeilijk te vermalen was met walsen, wist de ambachtelijke molenaars verrassend lang te overleven.Meelfabrieken (5)Afbeelding 5: In 1893 schakelde de bloemfabriek van Sas van Gent over op een maalproces met stalen walsen, dat met de nieuwe bedrijfsnaam ‘NV Walzenmolen’ aan de buitenwereld kenbaar werd gemaakt. Ondanks initiatieven tot behoud werd de fabriek in 1995 gesloopt.

Het industriële maalbedrijf onderging na 1900 een concentratiegolf om te kunnen investeren in moderne meelfabrieken. Daarin werd niet alleen het walsenproces toegepast, maar ook het nieuwe bouwmateriaal gewapend beton. Hiermee was het mogelijk om verdiepingsvloeren te construeren die zwaardere machines konden dragen en over te gaan op een nieuwe vorm van opslag: de silo. Ook in andere industrieën die met de landbouw waren verbonden ging voorraadvorming een belangrijkere rol spelen en werd, zij het veel later, de silo geïntroduceerd zoals bijvoorbeeld in de suikerfabrieken en bierbrouwerijen. De torenhoge betonnen silo’s vervingen daarnaast de graanpakhuizen in de havens en het silocomplex in de Rotterdamse Maashaven was daar in 1910 het eerste voorbeeld van. Omdat dit soort silo’s ook de aanblik van meelfabrieken waren gaan domineren, was er voor het grote publiek al snel geen onderscheid meer tussen industrie en overslag. En de overzichtelijkheid zou er voor de oppervlakkige waarnemer niet op vooruit gaan, want ook de fabriekscomplexen van de nieuwe veevoederindustrie kenmerkten zich door silo’s, elevatoren en loskades. Als gevolg van de agrarische crisis waren veel akkerbouwers gestopt of overgegaan op een gemengd- of veeteeltbedrijf. Door de toegenomen welvaart was de behoefte aan vlees en zuivel groter geworden en naast tarwe exporteerde Amerika inmiddels ook op grote schaal goedkope graansoorten voor de veevoederproductie zoals maïs en soja. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was Nederland in Europa na Engeland en Duitsland het derde importland van maïs. Van oudsher al diende afval van agrarische processen en levensmiddelennijverheid als veevoeder. Brouwerijen verkochten voor dit doel hun bierbostel aan de boeren en later gingen de bietsuikerfabrieken dit men hun schuimaarde doen. Maar ook de spoeling van jeneverstokerijen en het afval van de olieslagerijen, stijfselfabrieken en rijstpellerijen vond zijn weg naar de veehouderij. De veekoeken die hieruit geperst werden bleken een gunstige invloed te hebben op de melkproductie en wetenschappelijk onderzoek naar het effect van eiwitten ondersteunde dit. Toen er nieuwe inzichten ontstonden over de rol van vitamines en mineralen (ijzer en fosfor) in onze voeding, werden dit na verloop van tijd ook ingrediënten van mengvoeder. De producenten hadden verschillende achtergronden. Zo waren er met name in de Zaanstreek olieslagerijen die via hun afvalproducten zoals lijnkoeken, kokoskoeken, sojakoeken, palmpitkoeken of raapkoeken actief werden in de mengvoederindustrie, waarvan Wessanen de bekendste is. Maar er zijn ook voorbeelden van meelfabrieken en korenmolenaars die zich gingen toeleggen op productie van veevoeder, omdat ze door levering van griesmeel een klantenkring hadden opgebouwd onder de veeboeren. In het zuiden des lands ontstond een mengvoederbedrijf op coöperatieve grondslag. Daar besloot de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB) in 1911 tot oprichting van een Coöperatieve Handels Vereniging (CHV) voor gezamenlijke inkoop van kunstmest en veevoeder. Al in 1918 werd in Veghel een fabriek in gebruik genomen om zelf mengvoeder te gaan produceren. Naast een financiële reden om op dit vlak tot een coöperatie te komen, was het de aangesloten boeren ook om de kwaliteit te doen. Omdat reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie lange tijd de basis vormden voor het veevoer, bestond er bij sommige producenten de neiging om het niet zo nauw te nemen met de samenstelling en herkomst ervan of soms ronduit te ‘knoeien’. Er was weliswaar een wettelijke regeling, maar de overheidscontrole stelde niet veel voor en met een coöperatief bedrijf was er tenminste toezicht uit eigen gelederen. Het betekende de aanzet tot een professionalisering binnen de sector. Er ontstonden proefboerderijen en laboratoria waar geëxperimenteerd werd met nieuwe samenstellingen, wat leidde tot verbeterde mengvoederrecepturen met soms wel meer dan tien bestanddelen. Wat begonnen was met voeder voor runderen, werd uitgebreid naar varkens en pluimvee met korrels en brokjes in plaats van koeken. Specialiteiten voor melk- en mestvee en leg- en mestkippen volgden al snel dankzij samenwerkingsverbanden met de zuivelfabrieken en slachterijen. De mengvoederindustrie groeide hierdoor uit tot een volwaardig onderdeel van de agrarische productieketen. Door voortschrijdende schaalvergroting zijn het vandaag de dag een paar grote ondernemingen die het grootste deel van de markt in binnen- en buitenland bedienen, met naast Wessanen ook De Heus uit Barneveld.Meelfabrieken (6)Afbeelding 6: Het silocomplex aan de Rotterdamse Maashaven tijdens restauratiewerkzaamheden van de elevatoren.

Er zijn in Nederland nog tal van maalderijen behouden gebleven en enkele succesvolle voorbeelden hebben inmiddels laten zien dat herbestemming in principe mogelijk is. In een stedelijke omgeving en gelegen aan het water blijkt ombouw tot een appartementencomplex haalbaar te zijn, zoals de rijstpellerij van Zwaardenmaker in Zaandam en het silocomplex van Korthals Altes in Amsterdam tonen. Nadat meelfabriek De Zijlstroom in Leiderdorp als brasserie een nieuwe toekomst heeft gekregen, is het momenteel de beurt aan meelfabriek De Sleutels in Leiden om een metamorfose te ondergaan. Andere geslaagde projecten rond deze categorie van industrieel erfgoed zijn De Fabrique in Maarssen, De Cereolfabriek in Utrecht, De Tramkade in Den Bosch en CHV Noordkade in Veghel.