Oud Gastel

Hoewel suikerfabriek St. Antoine, die in deze reportage centraal staat, tot het grondgebied van de gemeente Oud-Gastel behoorde, lag zij hemelsbreed veel dichter bij de dorpen Oudenbosch en Standaardbuiten. Binnen een straal van ruim een kilometer waren hier tussen 1872 en 1902 maar liefst vijf suikerfabrieken operationeel, waarmee de bedrijvigheid op dit vlak die in Zevenbergen, Roosendaal en Bergen op Zoom overtrof, aangezien deze gemeenten in diezelfde periode ieder drie fabrieken binnen zijn grenzen telde. Dat vijftal was dan ook nog eens aan drie verschillende waterwegen gelegen. De St. Antoine lag aan de Dintel, die even verder stroomopwaarts nog Mark heet en waaraan ter hoogte van Standaardbuiten tussen 1867 en 1924 de Noordbrabantsche Beetwortelsuikerfabriek produceerde. De naamsverandering van de rivier hangt samen met de vaart naar Oudenbosch die tegenover Standaardbuiten in de Mark uitkomt en waarover eens de bieten voor drie suikerfabrieken werden aangevoerd. Aan de westzijde van de vaart, achter de Havendijk, lagen twee productielocaties van de NV Nederlandsche Beetwortelsuikerfabriek. Deze onderneming was in 1862 opgericht door de Amsterdammers Jean Gustave Rivière Verninas en Sebastièn Abraham Corneille Dudok van Heel. Laatstgenoemde was telg uit een familie die nauw betrokken was bij de suikerindustrie in Nederlands-Indië en er in Amsterdam machines en installaties voor liet bouwen. De eerste fabriek werd in 1862 vernoemd naar zijn vrouw, Amunda, de tweede, die in 1866 in gebruik werd genomen, naar de vrouw van zijn zakenpartner: Marie Cateau. Het zakelijke avontuur van beide heren duurde niet lang, want reeds in 1874 werd de Nederlandsche Beetwortelsuikerfabriek geliquideerd, waarna beide vestigingen onder een nieuwe naam een doorstart beleefden. De ‘Amunda’ werd door de commanditaire vennootschap Granpré Molière, Jäger & Co gekocht en voortgezet tot 1902. De ‘Marie-Cateau’ ging met een deel van de oorspronkelijke aandeelhouders verder onder de naam NV ‘De Mark’, waarna de fabriek van 1908 tot haar stillegging in 1916 samen met die van Breda en Bergen op Zoom onderdeel uitmaakte van de NV Algemeene Suiker Maatschappij. Aan de oostzijde van de vaart naar Oudenbosch, de Standaardbuitense Dijk, verwerkte de fabriek van de commanditaire vennootschap Daverveldt, Blinck & Co van 1871 tot 1917 bieten tot suiker. Enkel van deze fabriek zijn vandaag de dag, hoewel niet direct herkenbaar, nog wat sporen terug te vinden. Een meer tastbare herinnering aan het suikerverleden van Oudenbosch vormen twee voormalige fabrikantenwoningen: het Huis Daverveldt aan de haven en de Villa Sancta Maria nabij het station, dat Rivière Verninas liet bouwen, maar slechts kortstondig bewoonde.Sind Antoine (2)Afbeelding 1: De voormalige suikerfabriek St. Antoine, gezien vanaf de gelijknamige dijkweg.

Dankzij de suikerindustrie vond er gedurende die laatste decennia van de negentiende eeuw veel transport plaats over de vaart naar de haven van Oudenbosch en moet het weer even geleken hebben op de beginjaren uit het bestaan van deze verbinding. Van oorsprong was het namelijk een turfvaart die rond 1300 was gegraven naar het moergebied ten zuiden van Oudenbosch dat werd aangeduid als het Bosschelaag. Straatnamen als Westvaardeke en Oostvaardeke herinneren nog aan deze tijd toen vletten de turf vanuit Bosschenhoofd en Rucphen (‘Rukveen’) naar Oudenbosch brachten, om vanaf het Turfhoofd per schip over de Bosschevaart en Dintel naar de klanten in met name Vlaanderen gebracht te worden. Het waren enkele abdijen in dit graafschap die met de exploitatie van de venen in West-Brabant waren begonnen, nadat door de snelle stedelijk ontwikkeling (Gent, Brugge en later Antwerpen) er in eigen regio een tekort aan deze brandstof ontstond. Na de tachtigjarige oorlog kwam hieraan een einde, niet zozeer door de scheiding tussen Noord en Zuid, maar omdat veengebieden grotendeels ontgonnen waren en de steden in Holland hun turf uit de veenkoloniën in Groningen en Drenthe gingen betrekken. De vaarten waarover eeuwenlang vanuit het zuiden turf was aangevoerd naar Bergen op Zoom, Roosendaal, Oudenbosch, Etten, Leur, Zevenbergen en Breda raakten in verval. De havens van deze plaatsen beleefden echter een heropleving toen dit deel van Noord-Brabant nogmaals als het ‘Wilde Westen’ betiteld kon worden, nu vanwege de suikerbietenteelt. Dit keer kwamen de vrachten niet uit het zuiden maar hoofdzakelijk uit het noorden en werden deze op de kades gelost in plaats van geladen. En het waren ook nu weer Vlamingen, zoals de fabrikantenfamilies Meeus en Wittouck, die met hun investeringen de exploitatie van dit gebied mede mogelijk maakten.oud-gastel-3Afbeelding 2: De suikerfabriek tijdens de bietencampagne, gezien vanaf de Dintel.

De geschiedenis van suikerfabriek St. Antoine begint in 1871 als een drietal vennoten, waaronder grondeigenaar Marinus Hoendervangers uit Bergen op Zoom, een bedrijf sticht onder de naam Hoendervangers & Co. Nog voor voltooiing van de fabriek gaat de onderneming echter failliet en wordt het geheel gekocht door de weduwe Charlotte Storm-Cuijpers die woonachtig is op de buitenplaats Wolfslaar bij Breda. Zij laat de bouw voortzetten en in 1873 komt de fabriek gereed onder de naam St. Antoine, een heilige die wordt aangeroepen voor verloren zaken. Een beeld van deze Antonius van Padua siert nog altijd de westgevel van de fabriek. De eigenaresse is overigens geen onbekende in deze regio. Haar beide ouders waren opgegroeid in Oudenbosch en de invloedrijke familie had generatieslang veel bezittingen in West-Brabant. Zo was haar broer eigenaar van het landgoed Mattemburgh onder Bergen op Zoom en haar neef Lambert de Ram in 1864 oprichter van de gelijknamige suikerfabriek in Roosendaal (die in 1916 overging en coöperatieve handen en tot 1997 produceerde onder de vlag van de Suikerunie). Van de directeuren die de St. Antoine gedurende de halve eeuw van haar bestaan als suikerfabriek geleid hebben is Jan Frederik Vlekke ongetwijfeld de meest markante. In 1881 benoemden de aandeelhouders van de NV Gastelsche Beetwortel-suikerfabriek in Stampersgat deze voormalige onderwijzer uit Oud-Gastel tot hun directeur. In voorgaande jaren had hij zich als boekhouder al kunnen inwerken en was zo uitstekend op de hoogte geraakt van tal van suikerzaken. Binnen korte tijd wist hij de omzet en winst nog verder op te voeren, maar investeerde tegelijkertijd ook stevig en zette vanaf 1889 een sociaal personeelsbeleid op met onder meer een spaarkas, ziekenfonds, pensioenfonds en invaliditeitsuitkering, waaraan ook de onderneming bijdroeg. In 1892 volgde zijn benoeming tot directeur van de andere in Oud-Gastel staande suikerfabriek, de St. Antoine.  Na de arbeiders zagen ook de bietenboeren hun positie verbeterd worden toen Vlekke in datzelfde jaar het ‘participatiecontract’ invoerde. Door de bouw van een laboratorium aan de fabriek in Stampersgat en aanstelling van een landbouwkundig ingenieur kon voortaan het suikergehalte van de bieten bepaald worden. Boeren konden nu kiezen tussen gewone levering op gewicht of volgens het participatiecontract, waarbij ze meer betaald kregen boven de normale bietenprijs naarmate de bieten beter waren. Bovendien konden ze in de fabriekswinst delen naar rato van de hoeveelheid en kwaliteit van de geleverde bieten. Bij twijfel mochten ze een onafhankelijke analyse laten uitvoeren door het laboratorium van de Landbouwhogeschool in Wageningen op kosten van de fabriek. Vlekke voerde intensief ‘campagne’ voor dit nieuwe contract en begon daarnaast met de uitgave van een tijdschrift dat leveranciers van de twee suikerfabrieken van Oud-Gastel gratis ontvingen. De boeren konden er onder andere in lezen over het gebruik van chilisalpeter- en superfosfaatbemesting. Ondanks het succes namen slechts twee andere fabrieken, die van Halfweg en Groningen, het participatiecontract over. Niettemin leerde het de boeren hoe ze zelf op een winstgevende en eerlijke manier naar gehalte konden betalen en suiker maken en effende het in feite de weg voor de coöperatieve suikerfabrieken,  waarvan de eerst in 1899 in Sas van Gent tot stand kwam.oud-gastel-2Afbeelding 3: Het beeld van naamgever Antonius van Padua heeft onlangs nog een schilderbeurt gehad, maar is helaas vanaf de straatzijde niet zichtbaar.

Tot aan zijn dood in 1903 bleef Vlekke directeur van beide suikerfabrieken in Oud-Gastel. De oprichting in 1908 van een grote, moderne coöperatieve suikerfabriek in het naburige Dinteloord had grote gevolgen voor de particulieren. In datzelfde jaar nog ging de fabriek van Stampersgat, net als die van Oudenbosch, op in de Algemeene Suiker Maatschappij (ASMij). Toen er in 1916 ook nog coöperatieve fabrieken tot stand kwamen in Roosendaal en Bergen op Zoom, reageerden de particulieren hierop door zich te verenigen in de Centrale Suiker Maatschappij (1919). Belangrijke doelstelling daarbij was het wegnemen van overcapaciteit door het opkopen van kleine, verouderde fabrieken en deze direct te sluiten. Daardoor viel het doek voor de St. Antoine in 1920. Een andere strategische keuze van de CSM leidde er echter toe dat haar machines en installaties in 1925 een tweede leven kregen. Kort daarvoor was in Engeland namelijk een invoerheffing op suiker van kracht geworden, waardoor export naar dat land niet meer aantrekkelijk was. Dit deed de CSM ertoe besluiten om in dat land zelf actief te worden als suikerproducent en wel in het district East Anglia. Ruim tien jaar eerder had de ASMij hier al enige ervaring mee opgedaan door de inventaris van de buiten werking gestelde NV Dordrechtsche Suikerfabriek  over te brengen naar Cantley en er daar een nieuwe fabriek mee in te richten. Nu werden de installaties van de St. Antoine en ‘De Mark’ op transport gesteld en weer opgebouwd door Nederlands personeel in respectievelijk Ipswich en Ely. Ingenieurs en scheikundigen uit Nederland maakten de Engelsen vertrouwd met alle aspecten van de suikerbietverwerking en ook in de directie van beide fabrieken namen Nederlanders plaats. In 1927 volgde de bouw van nog een vierde fabriek in Kings Lynn. Aangezien de invoerheffing slechts een looptijd had van tien jaar verkocht de CSM ze weer in 1934. Daarna hebben deze fabrieken in Ely, Kings Lynn en Ipswich nog gedraaid tot resp. 1981, 1994 en 2000. Die van Cantley is nog altijd operationeel en daarmee één van de laatste vier bietsuikerfabrieken in het Verenigd Koninkrijk. Het lege complex van de St. Antoine aan de Dintel leed tijdens de Tweede Wereldoorlog zware schade en diende kort daarna nog als detentiecentrum voor krijgsgevangenen. Na herstel van de fabriek vestigde zich er een conservenbedrijf in, eerst onder de naam ‘Lama’, daarna ‘De Westhoek’. Tegenwoordig biedt het onderdak aan een kabelrecyclingbedrijf (Gebr. Timmermans, KRT) en een staalconstructeur (Van Alphen Werktuigbouw) en is met volledig witgeschilderde muren een blikvanger in het buitengebied. Hoewel de beide schoorstenen na de oorlog niet meer opgebouwd werden, heeft het complex verder weinig van haar oorspronkelijke architectuur verloren en kreeg daarom een plaats op de Rijksmonumentenlijst. Karakteristiek aan de gevel langs de St. Antoinedijk zijn met name de getoogde vensters met ijzeren roederamen. Wat het interieur vooral waardevol maakt zijn de door gietijzeren kolommen gedragen troggewelven en de kapconstructies met Polonceau-spanten. Het verwerkingsproces van biet tot suiker voltrok zich in het langgerekte gebouw aan de dijkzijde, ketelhuis, machinekamer, kalkovens en werkplaatsen bevonden zich aan de rivierzijde van het complex. Aan de overzijde van de dijk staat verspreid over een afstand van enkele honderden meters een achttal voormalige opzichterswoningen in twee-onder-een-kapuitvoering, zodat hier van een waardevol industrieel ensemble kan worden gesproken. Dat de St. Antoine  behouden is gebleven, moet worden toegeschreven aan het hergebruik voor andere bedrijvigheid. De suikerfabriek ‘Frisia’ in Franeker, van vergelijkbare architectuur en eveneens vrijwel gaaf gebleven na buitendienststelling, had dit geluk niet en viel in 1995 onder de slopershamer