Amsterdam

Amsterdam (7)Afbeelding 1: De voormalige brouwzaal uit 1913, tegenwoordig onderdeel van de Heineken Experience.

Van de vier grote industriële bierbrouwerijen die Amsterdam gekend heeft zijn alleen van die van Heineken enkele productiegebouwen bewaard gebleven. Het betreft het brouwhuis, keldergebouw en de moutopslag die een gesloten gevelwand vormen aan de Stadhouderskade en tegenwoordig als ‘Heineken Experience’ te bezoeken zijn. Dit is maar een bescheiden gedeelte van het complex waar nog tot 1989 bier werd gebrouwen en dat toen het gehele oppervlak tussen de Stadhouderskade, Ferdinand Bolstraat, Quellijnstraat en Eerste van der Helststraat besloeg. Van de Koninklijke Nederlandsche Beijers Bierbrouwerij (1864-1927), die als eerste in Nederland dit nieuwe ondergistende bier ging brouwen en aan de Weesperzijde was gevestigd, resteert vandaag de dag niets meer. De Gekroonde Valk (1733-1949) kwam in handen van de Rotterdamse familie Van Vollenhoven die vanaf 1878 onder haar eigen naam bier lieten produceren in een modern brouwerijcomplex aan de Hoogte Kadijk. Een zuil van de toegangspoort met daar boven op een valk is het enige wat er nu nog aan herinnert.  Brouwerij De Amstel (1871-1968) aan de Mauritskade kwam als laatste in handen van Heineken, waarna in 1982 sloop volgde en enkel het kantoorgebouw gespaard bleef, dat sindsdien in gebruik is bij de Hogeschool Amsterdam. Omdat het industrieel erfgoed zich dus beperkt tot de bierbrouwerij van Heineken, zal deze bijdrage daar dan ook volledig op gericht zijn.Amsterdam (11)Afbeelding 2: De voormalige Heinekenbrouwerij maakt tegenwoordig onderdeel uit van de European Routes of Industrial Heritage (ERIH).

De malaise die de bierbrouwersnijverheid in de achttiende- en negentiende eeuw trof door de opkomst van het gedistilleerd, manifesteerde zich eveneens in de hoofdstad. Van de twaalf brouwerijen die Amsterdam in 1786 nog telde waren er in 1863 nog maar drie over: De Gekroonde Valk, De Haan & Sleutels en De Hooiberg. Was van dit drietal De Hooiberg in 1786 nog de grootste, in 1863 was ze de kleinste. Dankzij succesvolle export naar West- en Oost Indië was De Gekroonde Valk uitgegroeid tot de grootste brouwerij, niet alleen van Amsterdam maar van heel Nederland. De Hooiberg had nog geprofiteerd van een lucratief leveringscontract met de VOC, maar toen deze in 1795 ten onder ging betekende dit een grote klap voor het bedrijf. De brouwerij, opgericht in 1592 aan de Nieuwezijds Voorburgwal, was sinds 1744 overigens zelf ook een ‘compagnie’ toen het na een faillissement door acht participanten werd overgenomen en de naam Pieter Bolten & Co ging voeren. Al voordat Gerard Adriaan Heineken de brouwerij in 1863 aankocht ging het dankzij twee doorgevoerde vernieuwingen zakelijk weer een stuk beter. In 1855 was het compagnieschap omgezet in een naamloze vennootschap, een bedrijfsvorm die pas sinds 1838 bestond en in de nijverheidssector nog niet veel voorkwam. Het aandelenkapitaal dat op deze manier werd verworven diende onder andere om in 1856 een stoommachine aan te schaffen, waarover in Nederland tot dan toe nog maar één brouwerij beschikte. Hiermee was ‘Stoombierbrouwerij De Hooiberg’ een modern bedrijf geworden en dit zal voor Gerard Heineken een belangrijke reden zijn geweest om er zijn geld in te steken, want van bierbrouwen had hij geen kennis. Al enkele generaties lang woonde de van oorsprong Duitse familie Heineken in Nederland en Gerards vader was rijk geworden als koopman in kaas. Na diens overlijden zocht Gerard naar een bedrijf om het geld uit de erfenis in te investeren en de sterk groeiende populariteit van het nieuwe Beierse bier, waarmee De Hooiberg experimenteerde, zal door hem beschouwd zijn als een business opportunity. Al snel werd hem duidelijk dat het brouwen van ondergistend bier vanwege de omvangrijke lagerkelders een schaalgrootte vereiste die niet aan de Nieuwezijds Voorburgwal gerealiseerd kon worden. Bovendien waren er al veel overlastklachten uit de omgeving en zou door demping van het water van de Nieuwezijds Achterburgwal (huidige Spuistraat) aan- en afvoer per schuit niet meer mogelijk zijn. Zo ontstonden in 1866 de plannen voor een nieuwe brouwerij aan de toenmalige stadsrand, waar vestinggracht en bolwerken kort tevoren waren omgevormd tot de Singelgracht met Nassau-, Maurits- en Stadhouderskade daar omheen. De oude brouwerij verhuurde Gerard als bierhuis, dat na nieuwbouw op die locatie de naam ‘Die Port van Cleve’ kreeg. Het huidige hotel op die plaats heet nog altijd zo.Amsterdam (12)Afbeelding 3: De nieuwe stoombierbrouwerij aan de Stadhouderskade in 1868.

De nieuwe stoombierbrouwerij aan de Stadshouderskade, getekend door architect Isaac Gosschalk en voltooid in 1868, bestond uit twee delen: de brouwerij zelf met daarnaast het ketelhuis met de stoommachine. Daarachter stond een hoge schoorsteen. Het hoofdgebouw was symmetrisch van opzet. Aan weerszijden waren hoge bouwdelen met trapgevels, die dienden als opslagplaats voor mout, hop en fusten, en deels als koelhuis. In het middelste deel flankeerden twee torentjes bovenin de gevel een groot boogvenster. Daar zat het brouwhuis met daarachter een gistruimte. Er was ook een kantoortje. Een monumentale poort gaf er toegang tot de brouwerij. Boven de poort prijkte de naam Heineken Bierbrouwerij Maatschappij (HBM) en het jaar van oplevering. Rondom deze eerste fase breidde de brouwerij jaar na jaar verder uit, allemaal naar ontwerp van Gosschalk, totdat er ten slotte een heel complex van gebouwen aan de Stadhouderskade stond. De eerste brouwerij uit 1868 moest uiteindelijk in de jaren dertig wijken voor het nieuwe keldergebouw met koelschip. Voor de dagelijkse leiding van zijn nieuwe brouwerij nam Gerard Heineken in 1869 de Duitse brouwmeester Wilhelm Feltmann in dienst. Hij zou jarenlang verantwoordelijk zijn voor alle technische en organisatorische aangelegenheden op de werkvloer, niet alleen in Amsterdam maar later ook in de Rotterdamse brouwerij van Heineken. Op zijn beurt haalde Feltmann weer Duitse vakarbeiders naar Nederland, waarvoor het bedrijf huisvesting regelde. Via zijn netwerk kwam Feltmann in contact met de brouwerij Carlsberg in Kopenhagen, waar recent met succes twee innovaties tot stand waren gebracht: de introductie van een koelmachine van dr. Carl Linde en het opzetten van een laboratorium voor het kweken van gist door dr. Emil Hansen. In 1881 was de HBM de eerste in Nederland die een koelmachine in gebruik nam en in 1885 kwam de scheikundige dr. Hartog Elion in dienst om met een kweekapparaat van Hansen voor zuivere giststammen te zorgen, hetgeen al in 1886 lukte. Dankzij deze bekwame mensen in de brouwerij kon Gerard Heineken zich helemaal richten op het zakendoen, waaronder de promotie van zijn bier. Internationale tentoonstellingen, zoals die van 1869 in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt waar hij een medaille ontving voor zijn bier, waren de negentiende-eeuwse manier om nieuwe producten aan het publiek te tonen en om als concullega’s onderling ervaringen uit te wisselen. Het eerste buitenlandse bezoek betrof de wereldtentoonstelling van Wenen in 1873, waar hij nog buiten de prijzen valt, maar op die van 1889 in Parijs ontving hij de hoogste onderscheiding in de categorie van Nederlandse bieren. Met het oog op de export werd er vanaf 1874 bier gepasteuriseerd en gebotteld in gecapsuleerde flessen om bederf tijdens overzees transport te voorkomen. Handelsagenten brachten dit bier aan de man in de hoofdsteden van Zuid-Amerika, havenplaatsen van de Afrikaanse kusten en de bastions van het British Empire in het Verre Oosten. Vanaf 1881 waren de flessen voorzien van de nog altijd bekende vijfpuntige rode ster en met de aanduidingen ‘Vienna’, ‘Pilsener’ en ‘Bavarian’ moest het de klanten meteen duidelijk maken dat het om ondergistend bier ging, volgens de brouwtradities van Wenen, Pilsen en Beieren. Naast zijn zakelijke activiteiten manifesteerde Gerard Heineken zich ook op maatschappelijk gebied als lid van de Amsterdamse gemeenteraad en pleitbezorger voor de bouw van het Rijksmuseum, Amstelhotel en aanleg van het Noorzeekanaal. Deze lijst was ongetwijfeld langer geweest als hij niet in 1893 onverwacht op 51-jarige leeftijd was overleden. Zijn zoon Henry was op dat moment nog maar zeven jaar oud en dus te jong om hem op te volgen. Verrassend genoeg verkocht de weduwe Heineken-Tindal haar aandelenpakket niet aan mededirecteur Wilhelm Feltmann, maar behield het en droeg haar vriend en latere echtgenoot Julius Petersen als nieuwe directeur voor. Van laatstgenoemde beweerden sommigen overigens dat hij al voor Gerards dood haar minnaar was en dat Henry zijn zoon zou zijn. In de jaren rond de eeuwwisseling, die zich kenmerkten door hoogconjunctuur, bleef de HBM zich voorspoedig ontwikkelen en profiteerden de aandeelhouders in de NV van interessante dividenden. Er bleef voldoende kapitaal in de onderneming om regelmatig de productiecapaciteit uit te breiden teneinde aan de stijgende vraag naar het populaire pilsener bier te kunnen voldoen. Het tweede brouwhuis, dat tussen 1911 en 1913 gebouwd werd (voor de bouwtekening: zie afbeelding 3 op de pagina ‘Bierbrouwerijen’) is het oudste deel van Heinekens brouwerijcomplex aan de Stadhouderskade dat tegenwoordig nog overeind staat. De Rotterdamse architect Arie Heederik ontwierp het gebouw waar in acht grote koperen ketels mout in warm water tot wort gebrouwen werd, de basis voor het bier. Het brouwhuis is een stoer, maar sierlijk bouwwerk waarvan de gevel uit twee vierkante torens bestaat. Rondom de ramen zijn decoratieve patronen in rode baksteentjes en grijze natuursteen aangebracht. De versieringen zijn geïnspireerd door de Art Nouveau stijl, net als de glas-in-loodramen. Prominent in de gevel bevindt zich een groot tegelplateau met de naam van de brouwerij: Heineken’s Bierbrouwerij Maatschappij.Amsterdam (8)Afbeelding 4: Luchtopname van het brouwerijcomplex in 1923, met de oorspronkelijke stoombierbrouwerij uit 1868 (1), uitbreidingen uit 1880 (2) en het brouwhuis in Art-Nouveau-stijl uit 1913 (3).

In 1914 trad Henry Heineken, opgeleid als scheikundige aan de Universiteit van Amsterdam en daar zelfs in gepromoveerd, toe tot de directie, om vervolgens al drie jaar later president directeur te worden. De invloed van zijn moeder, die er met haar aandelenpakket naar streefde om de NV toch het karakter van een familiebedrijf te laten houden, heeft hier ongetwijfeld een rol bij gespeeld. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kreeg hij geen gemakkelijke start. Nederland bleef weliswaar neutraal, maar de invoer van mout en hop begon al snel te stagneren en door het kwaliteitsverlies en prijsstijging van het bier die hiervan het gevolg waren daalden de verkopen drastisch. In de jaren twintig herstelden de verkopen zich weliswaar, de vooroorlogse groei keerde echter niet terug. De Nederlandse brouwerijsector reageerde hier op met kartelvorming, hetgeen binnen de economie van de interbellumjaren eerder regel dan uitzondering was. De periode kenmerkte zich ook door protectionistisch overheidsbeleid, waardoor exportgroei er voor de HBM ook niet in zat. Behoudens een sterkere relatie met caféhouders, o.a. door kredietverstrekking, en overname van enkele brouwerijen was het vooral stagnatie dat deze jaren tekende. Dat betekende overigens niet dat het Amsterdamse brouwerijcomplex geen veranderingen onderging. Het thans meest in het oog springende onderdeel is het grote keldergebouw op de hoek met de Ferdinand Bolstraat. Architect Bert Ouëndag ontwierp het in 1932; na zijn dood werd het in 1935 voltooid onder leiding van zijn zoon Willem. Het herbergde vooral gistkuipen en lagerkelders, voor de eerste gisting en de rijping van het bier. Het hoge, massief ogende bouwwerk heeft nauwelijks ramen in de gevel. Er mocht namelijk geen daglicht in de kelders komen. Alleen op de begane grond is een plint waarin oorspronkelijk een rij vensters zat. Aan de Ferdinand Bolstraat heeft het bouwwerk een puntgevel. Langs de Stadhouderskade doet een vooruitspringend deel van de gevel denken aan een kerktoren, met bovenin een klok. In grote goudkleurige letters stond aanvankelijk de naam Heineken’s Brouwerij in de gevel – die ‘s’ is er in de jaren zestig van de vorige eeuw vanaf gehaald, waardoor er nu net iets te veel ruimte tussen de woorden is. Helemaal bovenin had het zogeheten koelschip juist wel ramen. Daar stonden grote bakken kokendhete wort die direct uit het brouwhuis kwam. Met de ramen open kon de wort snel afkoelen, voordat de gist die het ging omzetten in bier eraan toegevoegd werd. Het schuine plafond zorgde ervoor dat de condens naar beneden kon lopen.Amsterdam (9)Afbeelding 5: Het nieuwe keldergebouw op de hoek met de Ferdinand Bolstraat kort na gereedkomen in 1935.

Na de Tweede Wereldoorlog, wederopbouwperiode en dekolonisatie stond ontstond er weer volop gelegenheid voor export, waar Heineken, net al veel andere Nederlandse bedrijven, volop van profiteerde. Deze expansie speelde zich vooral op andere continenten af vanwege de consolidatie op de Europese biermarkt en het feit dat Oost-Europa tot 1989 ‘op slot’ zat. Er werden tientallen brouwerijen overgenomen, die overigens vaak nog lang onder eigen merknaam bleven produceren. Zelfs op de moeilijke markt van de Verenigde Staten was het bedrijf succesvol, dankzij het handelsagentschap van verkooptalent Leo van Munching en de zakenreizen die Alfred Heineken er maakte. Nadat zijn vader Henry in 1940 was teruggetreden, werd ‘Freddie’ een jaar later werkzaam binnen het bedrijf, maar trad pas in 1962 toe tot de raad van bestuur en was daar van 1971 tot 1989 voorzitter van. Terwijl in het verleden het adagium gold dat kwaliteit zich zelf verkoopt, was Freddie Heineken zich bewust van het belang van reclamecampagnes en drukte daar persoonlijk een stempel op, zoals met de slogan ‘Heerlijk, helder Heineken’ en zijn bemoeienis met reclamespotjes. Ingrijpende technische ontwikkelingen in het bierbrouwproces vonden er niet meer plaats. De brouwerij aan de Stadhouderskade werden in 1989 dan ook niet zo zeer uit technisch oogpunt, maar veel meer om logistieke redenen gesloten. Sindsdien vindt in Nederland de productie van Heinekenbier plaats in de veel grotere brouwerijcomplexen van Den Bosch en Zoeterwoude.Amsterdam (10)Afbeelding 6: Het koelschip op de zolderetage van het keldergebouw.