Essen

Essen (1)Afbeelding 1: Zeche Zollverein gold als een doorbraak van de stijl van de ´Nieuwe Zakelijkheid´ in de industrie-architectuur. De dubbele schachtbok is sinds 2017 het logo van de ´Route der Industriekultur´.

In 2010 was Essen culturele hoofdstad en werd deze gelegenheid aangegrepen om onder de titel ‘Ruhr 2010’ het gehele Ruhrgebied aan het Europese publiek te presenteren. Het motto luidde ‘Wandel durch Kultur – Kultur durch Wandel’, daarmee duidend op de grote verandering (‘Wandel’) die de regio de afgelopen decennia heeft ondergaan door het verdwijnen van de industrie. Door industrieel erfgoed te koppelen aan culturele activiteiten liet men de bezoekers kennis maken met wat men in Duitsland ‘Industriekultur’ is gaan noemen. Geheel toepasselijk vond het openingsfeest plaats op Zeche Zollverein, het mijnbouwcomplex in Essen dat in een kwart eeuw tijd werd omgevormd tot een gebied dat in het teken staat van kunst, cultuur, recreatie en innovatie. De meeste buitenlandse bezoekers zullen voordien onbekend zijn geweest met de uitdrukking ‘Zeche’ die in het Ruhrgebied staat voor wat met elders in Duitsland een ‘Steinkohlenbergwerk’ noemt. Om de dramatische gevolgen van de mijnsluitingen voor de direct betrokkenen te benadrukken spreekt men in dat geval ook wel van ‘Zechensterben’. Dat proces zal in 2018 eindigen als de laatste steenkolenmijn, Prosper Haniel in Bottrop, dicht gaat. In deze reportage zullen we zien dat Zeche Zollverein eveneens verbonden is met de naam van ondernemersfamilie Haniel, die net als die bekendere familie uit het Ruhrgebied, staalfabrikant Krupp uit Essen en zijn nazaten, aan de basis stond van Duitsland als industrienatie.Essen (5)Afbeelding 2: Een roltrap in de vorm van een kolentransportkoker geeft toegang tot het Ruhrmuseum in de voormalige kolenwasserij. De roodoranje gloed van de verlichtingsinstallatie moet de sfeer van het industriële verleden oproepen.

Grondlegger van Zeche Zollverein was ondernemer Franz Haniel (1779-1868) uit Duisburg Ruhrort die naast een rederij, scheepswerf en kolenhandel ook belangen had in een hoogovencomplex bij Oberhausen. Daarnaast nam hij deel in een gezamenlijke onderneming ter exploitatie van veertien kolenvelden in de toen nog grotendeels agrarische streek ten noordoosten van de stad Essen, destijds de noordelijkste concessiezone van het Ruhrgebied. Toen daar vanaf 1845 de Köln-Mindener Eisenbahn werd aangelegd, bood dit de mogelijkheid om de gewonnen steenkool in een veel groter gebied af te gaan zetten en voor Haniel was dit het moment om de overige deelnemers uit te kopen. Een andere omstandigheid die grootschalige afzet van steenkool uit het Ruhrgebied bevorderde was de totstandkoming van het tolverbond (Zollverein) in 1834, waarin een groot aantal Duitse staten zich op handelsgebied verenigden door tolbarrières op te heffen en gelijke maten en gewichten in te voeren. Door de mijnbouwonderneming de naam Zollverein mee te geven hadden de oprichters laten blijken hoge verwachtingen te hebben van dit handelsverbond. Het boren van de schachten 1 en 2 begon in 1848 en in 1851 kon Franz Haniel de eerste lading steenkool verkopen. Het concessiegebied, dat de dorpen Katernberg, Stoppenberg en Schonnebeck omvatte en een oppervlakte van dertien vierkante kilometer besloeg, telde amper twaalfhonderd inwoners en stond aan de vooravond van een ingrijpende metamorfose. Naast de gebouwen en steenbergen van de mijn kwamen er ook cokesovens en legde men een uitgebreid bedrijfsspoornetwerk aan. Spoedig ontstonden ook de eerste mijnwerkersdorpen (Bergarbeitersiedlungen) om de werknemers, die voor een belangrijk deel uit Oost Pruisen, Pommern, Mecklenburg en Silezië afkomst waren, te kunnen huisvesten. Met scholen, kerken, ziekenzalen en coöperatieve winkels waren deze gemeenschappen lange tijd zelfvoorzienend en pas in 1929 zouden de drie dorpen in een gemeentelijke herindeling bij de stad Essen gevoegd worden.Essen (6)Afbeelding 3: Schacht 1 en 2, ergens in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Drie decennia later was het kolenfront zover van de eerste schachten verwijderd geraakt, dat in 1882 begonnen werd met de aanleg van drie nieuwe, genummerd 3,7 en 10,  in de zuidoostelijke sector van het concessiegebied. In de jaren negentig herhaalde dit zich met de schachten 4 en 11 in het noordoosten en 6 en 9 in het zuidwesten. Aan het einde van WOI was de bedrijfsvoering van deze verspreide schachtcomplexen nog grotendeels zelfstandig, maar ontstond het besef bij de erven Haniel dat een moderniseringsslag noodzakelijk was om concurrerend te blijven met jongere mijnbouwondernemingen in het Ruhrgebied. Om de hiervoor benodigde investeringen te kunnen doen kwam er in 1920 een fusie tot stand met het staalbedrijf Phoenix AG. Door de inflatiecrisis van 1923 bleef het bij een modernisering van schacht 11. In een volgende consolidatieslag binnen de staal- en kolensector ging Zeche Zollverein in 1926 op in de Vereinigten Stahlwerken AG, die dankzij het verbeterde economische klimaat tot grootschalige investering kon overgaan. Kern van het plan was de bouw van één centraal schachtcomplex, nummer 12, voor de winning van 12000 ton steenkool per dag, met de bedoeling om op termijn de vier verouderde te kunnen sluiten. Hoe ambitieus men was blijkt wel uit het feit dat er in die tijd geen Zeche was die boven de 2500 ton uit kwam. Ondanks de wereldcrisis die in 1929 uitbrak slaagde het project en in 1932 kwamen alle kolen via de nieuwe schacht 12 bovengronds en was Zeche Zollverein uitgegroeid tot de grootste van het Ruhrgebied met een jaarproductie van 3,6 miljoen ton en een personeelsbestand van bijna zevenduizend werknemers.Essen (4)Afbeelding 4: Luchtopname van Zeche Zollverein, kort na het gereedkomen van het nieuwe schachtcomplex 12. Rechtsonder is ook het oudere schachtcomplex 1/2/8 te zien dat eveneens behouden is gebleven.

Niet alleen de hoge productiecapaciteit van schacht 12 baarde opzien, ook de architectuur van het complex trok veel aandacht. Het ontwerp werd geleverd door Fritz Schupp en Martin Kremmer en geldt nog altijd als een schoolvoorbeeld van industrie-architectuur volgens de principes van de Nieuwe Zakelijkheid. De consequente wijze waarop zij de functionele vormentaal hanteerden leidde tot een schoonheid en perfectie die later nooit meer bereikt is. Nadat eerder de cokesfabrieken Alma en Nordstern (Gelsenkirchen, 1927) volgens een eenheidsconcept gebouw waren, was Zollverein de eerste complete Zeche die op zo’n manier tot stand kwam tussen 1928 en 1932. Hoe omvangrijk het plan ook was, het beperkte zich tot de productiegebouwen aangezien de reeds bestaande kantoor- en facilitairgebouwen in gebruik bleven. Schupp en Kremmer tekenden weliswaar ook voor dit gedeelte nieuwbouw in kubistische stijl, hun opdrachtgevers voelden zich niet geroepen deze ook in uitvoering te geven. De esthetisch vormgegeven dubbele schachtbok was de eerste in zijn soort en stond prototype voor een hele generatie. De gerasterde façadebekleding van staalvakwerkbouw zou nog decennialang het beeld van de mijnbouwarchitectuur blijven domineren. Staalvakwerkbouw werd daarna vervangen door andere materialen, maar het bekledingsprincipe is tot op de dag van vandaag gehandhaafd gebleven. Zeche Zollverein kan daarom met recht als mijlpaal in de architectuurgeschiedenis beschouwd worden. Ook technisch gezien was schacht 12 in meerdere opzichten innovatief. Waar mogelijk bestonden de staalconstructies uit lasverbindingen, hoewel geklonken verbindingen nog overheersten op plaatsen met hoge mechanische belastingen. Om de hoge productiecapaciteit te realiseren paste men liftkooien toe met vier etages die tegelijkertijd op twee niveaus geladen en gelost werden. De continue omloop van de kolenwagens was tot in perfectie doorgevoerd. De ondergrondse arbeidsomstandigheden verbeterde men door met elektrofilters het kolenstof af te vangen. Was het tot dusverre gebruikelijk dat een steenkolenmijn zijn eigen elektriciteit opwekte, Zeche Zollverein betrok deze van het stroomnet en het ketelhuis stond dan ook geheel in dienst van de drukluchtvoorziening, waarvoor ultramoderne turbocompressoren geïnstalleerd waren. Het kostbare nieuwbouwproject was enkel mogelijk dankzij de financiële armslag van de Vereinigte Stahlwerke AG, een concern dat op haar hoogtepunt veertig mijnbouwcomplexen in het Ruhrgebied omvatte en de grootste staal- en steenkoolonderneming (ook wel ´Montanunternehmen´ genoemd’) van het continent was.Essen (3)Afbeelding 5: Het bassin van de voormalige cokesfabriek doet tijdens de wintermaanden dienst als ijsschaatsbaan.

Tot het midden van de jaren vijftig bleef het complex vrijwel onveranderd. Toen moest de kolenwasserij ingrijpend aangepast worden vanwege de invoering van de kolenschaaf en het daardoor gestegen aandeel van mijnsteen in de primaire productiestroom. Enkele jaren later deed de kolenskip zijn intrede. Daarvoor moest de schachtbok met tweehonderd ton staal versterkt worden en om dit op esthetisch verantwoorde wijze te doen schakelde men architect Schupp weer in. Bij oplevering van schacht 12 in 1932 gaf deze toegang tot twaalf niveaus, waarvan de diepste op 610 meter. In de jaren vijftig kwam daar nog een dertiende etage op 750 meter diepte bij, terwijl in 1967 met niveau 14 het diepste punt van 1040 meter werd bereikt. Een jaar later ging Zeche Zollverein op in Ruhrkohle AG dat de bedrijfsvoering in de jaren zeventig uit efficiencyoverwegingen samenvoegde met die van Zeche Nordstern in Gelsenkirchen en Zeche Holland in Bochum-Wattenscheid. Met de sluiting op 23 december 1986 kwam meteen ook een einde aan tijdperk van de steenkolenwinning in Essen, dat dankzij Zollverein eens het voornaamste steenkolencentrum van Europa was. Dit gegeven, tezamen met de architectuurhistorische betekenis van Zeche Zollverein, maakte dat al direct plannen ontstonden voor behoud en herontwikkeling van het complex. Reeds bij stillegging viel Zeche Zollverein onder de monumentenzorg (Denkmalschutz) en vanwege haar unieke rol in de industrie- en architectuurgeschiedenis plaatste de UNESCO het complex in 2001 op de werelderfgoedlijst. Zowel schacht 12, als de cokesfabriek (Kokerei) en het oudere schachtcomplex 1/2/8 werden aangekocht door de ontwikkelingsmaatschappij van Nordrhein-Westfalen die een saneringsoperatie in gang zette en de Stiftung Zollverein in het leven riep om zorg te dragen voor de herbestemming van het industrieel erfgoed. De Rotterdamse Office for Metropolitan Architecture (OMA) van Rem Koolhaas werd ingeschakeld voor het opstellen van een masterplan. Het architectenbureau leverde ook het ontwerp voor de ombouw van de voormalige kolenwasserij tot Rurhmuseum en bezoekerscentrum van de ‘Route der Industriekultur’ die tussen 2003 en 2006 plaats vond. Vooral de tot roltrap omgebouwde transportkoker werd dankzij een lichtinstallatie, die het effect van een roodoranje vuurgloed geeft, al snel een blikvanger. Daarnaast omvat het voormalige schachtcomplex 12 het Red Dot Design Museum (ketelhuis), horecavoorziening (compressorhal) kantoren en ateliers (mechanische werkplaats). In schachtcomplex 1/2/8 zijn een choreografisch centrum, keramische werkplaats en het bureau van de Stiftung Zollverein gevestigd. Hoewel de voormalige cokesfabriek zich vanwege haar structuur moeilijk leende voor nieuwe bestemmingen is men er toch in geslaagd om ook hier publiek heen te lokken, zij het seizoenafhankelijk. Zo wordt er ’s winters geschaatst op het bassin onder de cokesbatterijen en ’s zomers gezwommen in een buitenbad met terras te midden van de technische installaties. Via een monumentenroute (Denkmalpfad) kunnen de bezoekers al wandelend en fietsend kennis maken met het verleden (industrie) en heden (kunst & cultuur) van Zeche Zollverein. Voor een optimale bereikbaarheid zijn er grote parkeerplaatsen en is er een tramlijn tussen Gelsenkirchen en Essen met verschillende haltes verspreid over het terrein.Essen (2)Afbeelding 6: In de zomer kan er gezwommen worden te midden van de installaties van de ‘Kokerei’.