Harelbeke

Harelbeke (2)Afbeelding 1: De voormalige westelijke Banmolen op het Leie-eiland in Harelbeke werd kort na de laatste eeuwwisseling omgebouwd tot een complex van loftwoningen.

Het komt niet vaak voor dat de oorsprong van een industriële maalderij negen eeuwen teruggaat in de tijd zoals in het West-Vlaamse Harelbeke het geval is. Daar dateert de vroegste vermelding van de grafelijke banmolens in de Leie uit 1125 en werd er tot voor kort grootschalig graan verwerkt door de NV Ceres. In de tussenliggende eeuwen werd er ook lijnzaad, mout, eikenschors en blauwsel vermalen, laken gevold en produceerde men er melasse en waspoeder. Het waren Henri en Dominique Vercruysse die halverwege de negentiende eeuw de watermolens lieten ombouwen tot een grootmaalderij met stoommachine en daarmee de stap naar industrialisatie zetten. Toch maakte de onderneming ook nog lang gebruik van de beschikbare waterkracht door de waterraderen te vervangen door een waterturbine. Tijdens de recente ombouw tot appartementencomplex werd deze gerestaureerd en dat gold ook voor de vierkante schoorsteen van het vroegere ketelhuis, zodat beiden nu een herinnering vormen aan de vroegere krachtbronnen. Verdere herbestemming van het moleneiland in de Leie laat voorlopig nog op zich wachten en de plannen lopen uiteen van recreatiegebied tot residentiële zone, wat bij onze Zuiderburen de gangbare uitdrukking is voor een woonwijk. Aangezien dit laatste weinig recht zou doen aan de herkenbaarheid en historische betekenis van deze bijzondere locatie mag gehoopt worden dat de status van beschermd stadsgezicht, die de oude Leie-arm en westelijke molen sinds 1998 hebben, ook voor het gehele moleneiland gaat gelden.Harelbeke (4)Afbeelding 2: Ook het molenbassin en de onderdoorgang met waterturbine zijn gerestaureerd.

Het fenomeen banmolen of dwangmolen ontstond in de Lage Landen in de twaalfde eeuw en hield in dat boeren binnen een bepaald gebied, de ‘ban’, verplicht waren om hun graan te laten malen in de molen van een plaatselijke heer of abdij. In Harelbeke, gelegen aan de rivier de Leie tussen de grote steden Kortrijk en Gent, waren het de Graven van Vlaanderen die in een straal ter lengte van een ‘banmijl’ (ruim vijf kilometer) palen rond de molen lieten plaatsen om zo’n gebied te markeren. Dat er al vroeg op beide oevers watermolens stonden blijkt uit het feit dat de oostelijke molen in leen werd gegeven aan de grafelijke leenhof in Harelbeke en de westelijke molen door de Graven van Vlaanderen verpacht werd. Volgens de archiefstukken gebruikte men de molens in de eeuwen die volgden ook voor het vollen van wollenstoffen tot laken, het vermalen van eikenschors tot looistof voor de leerbewerking, het stampen van lompen voor papierscheppen en het persen van lijnzaad tot olie. Door al deze nijverheid lieten andere machthebbers een begerig oog vallen op Vlaanderen, wat het graafschap menigmaal tot strijdtoneel maakte en verwoesting van de Harelbeekse molens tot gevolg had. Omdat ook hun wederopbouw in documenten werd beschreven is bekend dat de constructie evolueerde van vakwerkbouw met rieten kap naar muurwerk met pannendak.  De eerste afbeelding van beide molens is te danken aan de kaart die Jacob van Deventer in de zestiende eeuw van Harelbeke maakte. In de achttiende eeuw maakte men een tweetal vrij gedetailleerde plattegronden van het complex, die naast de twee molens ook informatie verschaffen over een molenaarswoning, stal, sluis, kade en brug over de Leie. De Franse bezetting maakte in 1792 weliswaar een einde aan de feodale molendwang, maar dat men in Harelbeke desondanks voldoende klandizie behield valt op te maken uit een plattegrond van 1807. Daarop is te zien dat de westelijke molen destijds uit twee waterraderen bestond, één ten zuiden en één ten noorden van de sluis.

In de drie daaropvolgende decennia ging het complex nog een aantal malen in andere handen over vooraleer het door vererving in het bezit kwam van Henri en Dominique Vercruysse uit het naburige Kortrijk. Zij lieten in de veertiger jaren de westelijke molen aan de zuidzijde van de sluis herbouwen tot een graanmaalderij met drie onderslagraderen en daarna die aan de noordzijde tot een oliemolen met magazijn. Plaatsing van een stoommachine met ketelhuis en vierkante schoorsteen completeerde dit bouwprogramma omstreeks 1850. De westelijke molen had met zes bouwlagen en dertien traveeën vanaf die tijd de gedaante van een grootmaalderij die ook nu nog duidelijk herkenbaar is. Na verkoop van het complex aan Victor en Arsène Vercruysse in 1864 onderging ook de oostelijke molen, die toen alweer geruime tijd dienst deed als magazijn, een uitbreiding tot stoommaalderij. Er verrees een bakstenen gebouw van zeven lagen en tien traveeën, dat in 1870 werd uitgerust met een 120 pk stoommachine van de firma Nolet uit Gent. Deze molen deed het sindsdien puur op stoomkracht terwijl in de westelijke molen de drie waterraderen in 1880 vervangen werden door een moderne Francis-turbine van 45 pk. Dit turbinetype, dat de Brit James B. Francis speciaal ontwikkelde voor hydraulische toepassing, heeft een hoge efficiency omdat het zowel gebruikt maakt van de radiale- als axiale stroming. Daartoe wordt het water door middel van een spiraalvormige behuizing om het turbinewiel gestuwd (radiaal) en door de turbineschoepen weer naar buiten geleid (axiaal). Het was in deze jaren dat men de oostelijke molen vanwege haar moderne stoomaandrijving ging aanduiden als ‘Nieuwe Molens’ en de westelijke met wateraandrijving als ‘Oude Molens’. Toen laatstgenoemde in 1884 getroffen werd door een uitslaande brand, trok men bij de herstel geen geld meer uit voor een nieuw maalwerk maar degradeerde het tot magazijn, zodat vanaf die tijd de rollen tussen de oostelijke- en westelijke molen waren omgekeerd.  Ongelukkig genoeg dienden zich enkele jaren later alsnog hoge kosten aan toen er zich ook een brand voordeed in de Nieuwe Molens en er wel nieuwe installaties aangekocht moesten worden.Harelbeke (3)Afbeelding 3: De westelijke molen kort na de brand van 1884.

Na 1895 stond de maalderij geregistreerd als Société Anonyme Les Frères Vercruysse en onderging diverse uitbreidingen, waaronder de bouw van een directeurswoning en kantoorgebouw. In verband met de waterhuishouding tussen Oude- en Nieuwe Leie kreeg de westelijke molen in 1905 een tweede onderdoorgang. Eind jaren twintig deden zich toch nog nieuwe ontwikkelingen voor in de  exploitatie van dit molengebouw. Een deel werd verbouwd tot melassefabriek (1928) een ander deel geschikt gemaakt voor de productie van waspoeder onder de naam Ozonia (1929). De onderneming was ondertussen in handen gekomen van Ernest Vanherpe die haar naam gewijzigd had in NV Watermolens en de ‘Nieuwe Molens’ medio jaren dertig van een extra silogebouw van gewapend beton en bakstenen gevels liet voorzien. Dat in een maalderij het brandgevaar voortdurend op de loer ligt bleek in 1942 en wederom was de schade groot. Door de oorlogsomstandigheden liet heropbouw ditmaal vijf jaar op zich wachten. Bij die gelegenheid koos men er voor om volledig op elektriciteit over te schakelen en installeerde hiervoor twee waterturbines met een gezamenlijk vermogen van 220 pk. Tot eind jaren tachtig ondergingen de ‘Nieuwe Molens’ nog regelmatig uitbreidingen en moderniseringen. De laatste malen in opdracht van de NV Ceres die er ondertussen eigenaar van was geworden en later op haar beurt deel ging uitmaken van het Franse meelconcern Soufflet. In 2009 kwam er een einde aan de bedrijfsactiviteiten en volgde een periode van leegstand en verval die tot op de dag van vandaag aanhoudt. Uiteindelijk zal het tot sloop gaan komen, want alleen de westelijke molen kreeg in 1998 de status van beschermd monument. Deze had namelijk, ondanks de brand van 1885, haar uiterlijk van negentiende-eeuwse grootmaalderij grotendeels behouden, juist omdat ze in de eeuw daarna niet meer als dusdanig gefunctioneerd had. In 2002 werd het gebouw ingericht met loftwoningen, waarbij ook de wateronderdoorgang met Francis-turbine gerestaureerd werd. Bewoners en bezoekers van het monument kunnen in een naastgelegen tearoom terecht voor uitzicht op het eeuwenoude molenbassin onder het genot van een versnapering.