Geldrop

Hoewel Tilburg zonder twijfel de belangrijkste textielstad in het zuiden des lands was, kwam deze industrie ook in enkele andere plaatsen tot grote bloei. Daarvan is Eindhoven de stad waarin misschien nog wel het minste herinnert aan deze tijd, omdat Philips en DAF in de twintigste eeuw de textielindustrie gingen overvleugelen en deden uitwijken naar andere gemeenten. Geldrop profiteerde daarvan en ook daar is dan ook een tweetal fraaie fabriekspanden behouden gebleven. Want zoals Goirle de ‘satelliet’ was van wolstad Tilburg, zo was Geldrop dit van linnenstad Eindhoven. In Eindhoven  wordt de aanwezigheid van linnenwevers voor het eerst vermeld in de vijftiende eeuw en ontstaan aan het eind van de 18e, begin 19e eeuw de eerste manufacturen aan de oevers van de Dommel: op landgoed het Paradijs in 1786 en Den Bouw in 1812. Initiator van beide complexen was Johannes Theodorus Smits. Aangedreven door watermolens bevonden zich hier spinnerijen, weverijen, blekerijen en verfhuizen. Hiervan resteert vandaag de dag niets meer, hoewel buiten de stad langs Dommel en Gender nog enkele fraaie exemplaren van watermolens behouden zijn gebleven. Navolgers van Smits die halverwege de negentiende eeuw hun bedrijven oprichten deden dit op stoomkracht. Het gaat dan om de linnenwevers Van den Briel & Verster (1847), Van Dijk & Comp. (1852), Joseph Elias (1856), de Haes (1869), van Dissel & Zn. (1875), Schröder & Zn. (1875), C.H. Stoop & Cie. (1875)  en Olandilla (1895). Maar omdat er al tekenen waren van een neergang in de linnenindustrie werden er ook Eindhovense ondernemers actief in de wollenstoffen- en katoenindustrie zoals Robert Von der Nahmer (1866), van Moorsel & Co (1885) en Baekers & Raymakers (1907). Een weefseltype waarmee Eindhoven zich nationaal gezien onderscheidde was het zogenaamde trijp, dat populair was voor het bekleden van meubels. Het werd vervaardigd uit een dubbelweefsel met pooldraden van mohair (garen gesponnen uit het haar van de Angorageit). Schellens en Marto specialiseerden zich hierin vanaf 1887 en trijpfabriek Leo Schellens & Co die hier in 1902 uit voortkwam bestaat nog steeds, maar vestigde zich in 2009 in Helmond. Het is het enige Eindhovense textielbedrijf dat is overgebleven en het pand uit 1926 dat het achterliet op de hoek van de Bleekweg en Vestdijk ook de enige oude textielfabriek die de stad nog rijk is. Het is aangekocht door een woningbouwvereniging die er een nieuwe bestemming aan zal geven. Het enige overblijfsel van de linnenindustrie is de gevel van Van den Briel & Verster aan de Dommelstraat, die gehandhaafd bleef nadat het gebouw in 2002 moest plaatsmaken voor poppodium De Effenaar.

geldrop-1Afbeelding 1: Voormalige trijpfabriek Leo Schellen, waarvan de schoorsteen al in 1995 werd neergehaald.

De oorsprong van de textielindustrie in Geldrop is i.t.t. Eindhoven gelegen in de wollenstoffennijverheid die net als in Tilburg tot stand kwam toen Leidse fabrikeurs er tegen lage loonkosten lakense stoffen lieten vervaardigen door thuiswevers. Nabewerking vond plaats in volmolens en ververijen aan de Kleine Dommel, een zijrivier van de Eindhovense Dommel. Zoals de naam al doet vermoeden was haar stroomdebiet beperkter, waardoor de eerste stoommachine in Geldrop al relatief vroeg haar intrede deed, en wel in 1831 bij de spinnerij van Heinrich von der Nahmer. Enkele decennia later zette de industrialisatie zich verder door met wolweverijen – Raue & Bodde (1866), A v/d Heijden & Zoon (1876), A. Pessers & Zn. (1913) en P. de Wit & Co (1912) – wolspinnerijen – H. Eijken & Zonen (1855) en Jacob Carp (1856) – linnenweverijen – A. v/d Nieuwenhuyzen (1844), Vissers & Eijcken (1863) en de Gebr. Van Agt (1920) – en vanaf 1916 ook een tricotfabriek: J.A. de Heer. Laatstgenoemde onderneming zou uitgroeien tot de grootste werkgever van Geldrop met meer dan zevenhonderd medewerkers op haar hoogtepunt gedurende de jaren zestig.

Weverijmuseum (1)Afbeelding 2: Wollenstoffenfabriek A. v/d Heuvel & Zoon aan de Kleine Dommel, thans het onderkomen van een weverijmuseum. 

Het Geldropse textielverleden wordt levend gehouden in het Weverijmuseum, dat gevestigd is in de voormalige wollenstoffenfabriek A. v/d Heuvel & Zoon. Deze werd opgericht in 1820 en maakte voor haar volproces gebruik van de oude watermolen in een zijarm van de Kleine Dommel. De oudste bouwfase van de fabriek, een langgerekt manufactuurgebouw van twee verdiepingen en met een mansardedak dateert uit deze begintijd. Hierin bevindt zich ook nog altijd een waterrad van het zogenaamde Sagebien-type dat, ondanks de installatie van een stoommachine in 1865, toch nog werd vernieuwd in 1874 om de volmolen aan te drijven. Uitbreiding met een spinnerij en ververij volgde en na een grote brand in 1906 werden deze ondergebracht in een nieuwbouw met sheddaken waarin zich tegenwoordig het museum bevindt. Dat kwam samen met een cultureel centrum tot stand in 2000, nadat de fabriek, die midden jaren zestig in haar hoogtijdagen nog vierhonderd medewerkers had geteld, reeds in 1981 haar deuren had gesloten. De collectie bestaat uit een keur van weefmachines van uiteenlopende ouderdom waarop nog demonstraties worden gegeven en producten voor de museumwinkel worden vervaardigd. Daarnaast kan ook het spinproces gedemonstreerd worden, evenals het scheren van een kettingboom. Het tweede textielbedrijf waarvan het fabrieksgebouw behouden is gebleven is dat van Piet de Wit & Co aan de Parallelweg. Het gebouw staat tegenover het station van Geldrop, gelegen aan de spoorlijn Eindhoven-Weert die relatief laat werd aangelegd (1913). De fabriek dateert ook uit die tijd (1912) en heeft na overname door de familie Van den Lande onder de naam Hatéma tot 1959 geproduceerd. Daarna heeft het tot 1999 een opmerkelijk tweede leven gekregen als dependance van het Natuurkundig Laboratorium van Philips. Deze organisatie verrichtte er onderzoek naar cyclotrons, elektronenmicroscopen, neutronenbuizen en zelfs satellietinstrumenten. Na een periode van leegstand is in 2016 begonnen met een herbestemming tot woonfunctie. Dit project, ‘Prinses van Geldrop’ genaamd, behelst de inrichting van de karakteristieke voorzijde van het fabrieksgebouw met loftwoningen en de bouw van patio- en vrijstaande woningen op het vrijgemaakte achter terrein.

Geldrop (3)Afbeelding 3: De fabriek van Piet de Wit & Co in 2015, kort voor de herbestemming tot wooncomplex.