Geldrop

Geldrop (1)Afbeelding 1: De wollenstoffenfabriek A. van den Heuvel & Zoon was actief van 1820 tot 1981. Een gedeelte van het complex bleef behouden en herbergt nu o.a. het Weverijmuseum. 

Hoewel Tilburg zonder twijfel de belangrijkste textielstad in het zuiden des lands was, kwam deze industrie ook in enkele andere plaatsen tot grote bloei. Daarvan is Eindhoven de stad waar misschien nog wel het minste herinnert aan deze tijd, omdat Philips en DAF in de twintigste eeuw de textielindustrie gingen overvleugelen en deden uitwijken naar andere gemeenten. Geldrop profiteerde daarvan en daar zijn wél een paar fraaie fabriekspanden behouden gebleven. Want zoals Goirle de ‘satelliet’ was van Tilburg, zo was Geldrop dit van Eindhoven. In die stad wordt de aanwezigheid van linnenwevers voor het eerst vermeld in de vijftiende eeuw en ontstonden aan het eind van de 18e, begin 19e eeuw de eerste manufacturen aan de oevers van de Dommel: op landgoed het Paradijs in 1786 en Den Bouw in 1812. Initiator van beide complexen was Johannes Theodorus Smits. Aangedreven door watermolens bevonden zich hier spinnerijen, weverijen, blekerijen en verfhuizen. Hiervan resteert vandaag de dag niets meer, hoewel buiten de stad langs Dommel en Gender nog enkele authentieke watermolens behouden zijn gebleven.Geldrop (2)Afbeelding 2: Zoals veel industriële ondernemingen liet ook A. van den Heuvel & Zoon haar fabriekscomplex op briefpapier afbeelden.

De oorsprong van de textielindustrie in Geldrop is in tegenstelling tot Eindhoven gelegen in de wollenstoffennijverheid die net als in Tilburg tot stand kwam toen Leidse fabrikeurs er tegen lage loonkosten lakense stoffen lieten vervaardigen door thuiswevers. Nabewerking vond plaats in volmolens en ververijen aan de Kleine Dommel, een zijrivier van de Eindhovense Dommel. Zoals de naam al doet vermoeden was haar stroomdebiet beperkter, waardoor de eerste stoommachine in Geldrop al relatief vroeg haar intrede deed, en wel in 1831 bij de spinnerij van Heinrich von der Nahmer. Enkele decennia later zette de industrialisatie zich verder door met de vestiging van wolweverijen  (Raue & Bodde , A v/d Heijden & Zn., A. Pessers & Zn. en P. de Wit & Co), wolspinnerijen (H. Eijken & Zonen en Jacob Carp), linnenweverijen (A. v/d Nieuwenhuyzen , Vissers & Eijcken en de Gebr. Van Agt) en vanaf 1916 ook een tricotfabriek: Tweka. Laatstgenoemde onderneming zou uitgroeien tot de grootste werkgever van Geldrop met meer dan zevenhonderd medewerkers in de jaren zestig toen ze op haar hoogtepunt was.Geldrop (3)Afbeelding 3: Het fabriekscomplex van Tweka in de jaren zestig, met op de hoek van de Mierlose- en Nuenenseweg het betonnen gebouw dat als gemeentelijk monument behouden is gebleven.

De basis voor ‘Tweka’ werd in 1916 gelegd door Jacques de Heer, zoon van een wever. Hij begon toen een eigen fabriekje waarin hij op een Franse rondbreimachine ondergoed ging vervaardigen. Ondergoed uit tricotstof was inmiddels al niet nieuw meer, maar dat gold wél voor de badpakken die hij vervolgens op de markt bracht en een schot in de roos bleken te zijn. Een reclamecampagne moest het succes nog groter maken en even overwoog hij om de merknaam ‘Drieka’ te gaan voeren: Kleurechtheid, Keuze en Kwaliteit. Maar omdat dit teveel associaties opriep met de gangbare roepnaam voor boerendochters met de naam Hendrika, haalde hij er één ‘K’ vanaf en kwam zo uit op ‘Tweka’. Ieder jaar verschenen er Tweka-badpakken in nieuwe modellen en kleuren in de modebladen en Jacques de Heer maakte zelfs reizen naar de Côte d’Azur om daar inspiratie op te doen. Aanvankelijk was het draagcomfort van de badpakken nog verre van ideaal, want de wollen garens zogen zich tijdens het zwemmen vol met water, wat het breisel deed uitzakken als men weer op het droge kwam. Nieuwe kunstvezels zoals Lastex (een combinatie van rubber en rayon), Nylon (polyamide) en Lycra (polyurethaan) brachten daar verbetering in, maar kwamen pas na de oorlog op grote schaal beschikbaar, toen ook de bikini haar doorbraak beleefde in de badmode.Geldrop (4)Afbeelding 4: Het ‘Tweka-gebouw’ is tegenwoordig ingericht met appartementen en maakt onderdeel uit van een nieuwbouwwijk.

Jacques de Heer was door het oorlogsgeweld om het leven gekomen en maakte deze nieuwe ontwikkelingen niet meer mee. Zijn zoon Loet volgde hem op en onder zijn leiding bereikte het bedrijf haar maximale omvang, met ateliers waarin met name voor grootwinkelbedrijven uitgebreide badmodecollecties werden samengesteld. Zoals andere textielondernemers was ook hij genoodzaakt om vanaf de jaren zestig gastarbeiders voor dit werk aan te nemen, gevolgd door verplaatsing van de productie naar lagelonenlanden, hetgeen in geval van Tweka Tunesië betrof. Dat leidde eind jaren zeventig tot massaontslag en in 1982 tot sluiting van de fabriek in Geldrop. Het badmodemerk Tweka bleef niettemin erg populair en kwam in handen van ondergoedfabrikant L. Ten Cate, die het tot op de dag van vandaag in zijn assortiment heeft. Het fabriekscomplex van Tweka, dat nog jarenlang dienst had gedaan als bedrijvenpark, maakte in 2019 plaats voor de gelijknamige woonwijk, waarbij enkel de karakteristieke betonnen hoogbouw op de hoek van de Mierlose- en Nuenenseweg behouden bleef als gemeentelijk monument. Het werd in de jaren twintig ontworpen door het Twentse architectenbureau Beltman dat gespecialiseerd was in betonconstructies voor de industrie en in het naburige Eindhoven ook al diverse opdrachten gerealiseerd had. Na een omvangrijke restauratie heeft het nu een woonbestemming.Geldrop (5)Afbeelding 5: Het weverijmuseum heeft een uitgebreid machinepark waarmee demonstraties worden gegeven.

Het Geldropse textielverleden wordt levend gehouden in het Weverijmuseum, dat gevestigd is in de voormalige wollenstoffenfabriek A. v/d Heuvel & Zoon. Deze werd opgericht in 1820 en maakte voor haar volproces gebruik van de oude watermolen in een zijarm van de Kleine Dommel. De oudste bouwfase van de fabriek, een langgerekt manufactuurgebouw van twee verdiepingen en met een mansardedak dateert uit deze begintijd. Hierin bevindt zich ook nog altijd een waterrad van het zogenaamde Sagebien-type dat, ondanks de installatie van een stoommachine in 1865, toch nog werd vernieuwd in 1874 om de volmolen aan te drijven. Uitbreiding met een spinnerij en ververij volgde en na een grote brand in 1906 werden deze ondergebracht in een nieuwbouw met sheddaken waarin zich tegenwoordig het museum bevindt. Dat kwam samen met een cultureel centrum tot stand in 2000, nadat de fabriek, die midden jaren zestig in haar hoogtijdagen nog vierhonderd medewerkers had geteld, reeds in 1981 haar deuren had gesloten. De collectie bestaat uit een keur van weefmachines van uiteenlopende ouderdom waarop nog demonstraties worden gegeven en producten voor de museumwinkel worden vervaardigd. Daarnaast kan ook het spinproces gedemonstreerd worden, evenals het scheren van een kettingboom.Geldrop (6)Afbeelding 6: De fabriek van Piet de Wit & Co. in 2015, kort voor de herbestemming tot wooncomplex.

Het derde textielbedrijf waarvan een fabrieksgebouw behouden is gebleven is dat van Piet de Wit & Co aan de Parallelweg. Het gebouw staat tegenover het station van Geldrop, gelegen aan de spoorlijn Eindhoven-Weert die relatief laat werd aangelegd (1913). De fabriek dateert ook uit die tijd (1912) en heeft na overname door de familie Van den Lande onder de naam Hatéma tot 1959 geproduceerd. Daarna heeft het tot 1999 een opmerkelijk tweede leven gekregen als dependance van het Natuurkundig Laboratorium van Philips. Deze organisatie verrichtte er onderzoek naar cyclotrons, elektronenmicroscopen, neutronenbuizen en zelfs satellietinstrumenten. Na een periode van leegstand is in 2016 begonnen met een herbestemming tot woonfunctie. Dit project, ‘Prinses van Geldrop’ genaamd, behelst de inrichting van de karakteristieke voorzijde van het fabrieksgebouw met loftwoningen en de bouw van patio- en vrijstaande woningen op het vrijgemaakte achterterrein.