Vlaardingen

Vlaardingen (3)Afbeelding 1: Kort voor de laatste eeuwwisseling werd de voormalige stoommeelfabriek De Maas omgebouwd tot een appartementencomplex.

Vlaardingen moest het, net als buurgemeente Maassluis, tot aan het begin van de vorige eeuw vooral van de visserij hebben. Toen in de achttiende eeuw de haringvissers in Rotterdam plaats moesten maken voor de handelsvaart vonden ze in Vlaardingen een nieuwe thuishaven. Daar kwamen in de negentiende eeuw nog de vissers van Katwijk en Scheveningen bij, die voorheen hun bomschuiten nog op het strand hadden gezet, maar na overschakeling op loggers een haven nodig hadden. Omdat de Buitenhaven hiervoor te klein was legde men de Koningin Wilhelminahaven aan, voorzien van een scheepswerf, magazijnen en pakhuizen. Grootschalige industrie deed pas haar intrede met de komst van de Eerste Nederlandse Coöperatieve Kunstmestindustrie (superfosfaat, 1918, nu Yara), Matex (aardolie, 1911, nu Vopak) en Lever Brothers (zeep, 1917, nu Unilever). In die jaren werd ook de Vulcaanhaven gegraven, grotendeels bekostigd door staalbedrijf Thyssen uit Duisburg, dat er zijn grondstoffen liet overslaan van zee- op binnenvaartschepen. Twee grote ertskranen, inmiddels geklasseerd als rijksmonumenten, herinneren hier nog aan. Toch kende Vlaardingen reeds in de negentiende eeuw enkele fabrieken, waarvan de stoommaalderij van de firma A.M. Dusseldorp & Co. aan de Westhavenkade de grootste was. In 1874 was het een van de eerste meelfabrieken in Nederland en hoewel er krap een halve eeuw bloem geproduceerd is, bleef ze daarna nog eens ruim een halve eeuw in gebruik bij de Hollandse Pelmolen NV voor het verwerken van peulvruchten. Aan laatstgenoemde periode heeft het gebouw zijn naam overgehouden, maar dan als appartementencomplex aan de Buitenhaven.Vlaardingen (1)Afbeelding 2: Vanaf 1924 verwerkte De Hollandse Pelmolen NV peulvruchten in de voormalige stoommeelfabriek.

In 1843 kwam Johannes Dusseldorp naar Vlaardingen en kocht daar molen De Bonte Os op de hoek van de Galgkade en Westhavenkade. Hij was telg uit een geslacht van Noord-Brabantse molenaars waarvan de vroegste vermelding teruggaat tot 1688. Drie jaar later deed hij de molen over aan zijn zoons Adrianus Martinus en Corstiaan Gerrit die er gort, maar vooral rijst, mee gingen pellen. Ze leverden aan klanten door heel Nederland, waardoor de productiecapaciteit al snel ontoereikend was. Om aan alle vraag te kunnen voldoen werd daarom in 1849 begonnen met de bouw van een tweede molen aan de Westhavenkade: De Hoop. Hoe ambitieus de gebroeders waren bleek twee jaar later toen ze opdracht gaven tot de bouw van een stoompelmolen om ook op windstille dagen te kunnen produceren. Weliswaar werd de eerste stoommachine in Vlaardingen al in 1846 geïnstalleerd, niettemin kan hieruit geconcludeerd worden dat het een tweetal vooruitstrevende ondernemers betrof. De pellerij verrees halverwege De Hoop en De Bonte Os en kreeg bij opening als naam ‘De Rijsthalm’, omdat het  hoofdzakelijk dit graan was dat men er verwerkte. Om voldoende voorraad te kunnen aanhouden volgde in 1861 een uitbreiding aan de zuidzijde van de pellerij met een pakhuis, ‘De Leeuw’ genaamd. Beide gebouwen zijn afgebeeld op een zilveren tableau dat de gebroeders Dusseldorp in 1868 lieten vervaardigen ter gelegenheid van het vijfentwintig jarig bestaan van het bedrijf.

De firma Gebroeders Dusseldorp wordt in 1872 ontbonden als Adriaan Martinus besluit om zich geheel op de meelfabricage te gaan richten. Stoompellerij De Rijsthalm, pakhuis De Leeuw, het woonhuis, het kantoor en molen De Bonte Os komen in handen van Corstiaan Gerrit, terwijl zijn broer aan de Westhavenkade een stoommeelfabriek laat bouwen, genaamd De Maas. Ervaring met deze techniek is er dan nog niet in Nederland en Corstiaan verleent daarom de opdracht aan het Waalse Atelier de Construction L.J. Marie uit Marchienne au Pont bij Charleroi. Het fabriekspand is twintig meter hoog, telt zes etages en strekt zich over een lengte van ruim veertig meter langs de Westhavenkade uit. Om het gewicht van dit grote gebouw en de installaties te kunnen dragen is het gefundeerd op twintig meter lange heipalen. De tien molenstenen waarmee de fabriek is uitgerust worden aangedreven door een stoommachine van 60 pk, waarvoor een stoomketel met een vijfentwintig meter hoge schoorsteen wordt geplaatst. In de nieuwe firma A.M. van Dusseldorp & Co participeren ook Adriaans zoon Piet en neef Johannes. Kennis over de fabrieksmatige productie van tarwebloem komt in deze jaren voornamelijk uit Frankrijk en dat geldt ook voor de benodigde machines. Het Franse proces bestaat uit het herhaald vermalen van de tarwe met molenstenen, afgewisseld met zeven in zogenaamde ‘builen’. Nadat de fabriek in 1874 in gebruik is gesteld beperkt de productie zich aanvankelijk nog tot een bescheiden vijftien ton per dag, omdat ervaren personeel ontbreekt en de nieuwe medewerkers moeten worden opgeleid door vakmensen uit Frankrijk.

Weldra wist men echter de productie sterk op te voeren en een klantenkring op te bouwen van bakkerijen en broodfabrieken die het fijne tarwebloem gingen verwerken tot luxe wittebrood. Om aan de grote vraag te kunnen voldoen, die zelfs uit Nederlands-Indië kwam, diende zich al snel de noodzaak tot uitbreiding aan. Ruimte vormde daarbij geen probleem aangezien ondertussen de rijstpelmolen en het pakhuis leeg waren komen te staan door het overlijden van Corstiaan en de daaropvolgende opheffing van zijn bedrijf. Ze vormden een welkome opslagruimte voor A.M. Dusseldorp & Co, maar gingen daarna ook plaats bieden aan machines. Zo plaatste men in 1879 een drooginstallatie en persmachine in de voormalige rijstpellerij om het tarwebloem voor Indië te kunnen conditioneren en verpakken alvorens het te verzenden. Ter vergroting van de productiecapaciteit werd er een tweede stoommachine met bijbehorende stoomketel geïnstalleerd.

De ontwikkelingen op het gebied van de meelfabricage bereikten in de jaren tachtig een nieuwe fase door de opkomst van de ‘hoogmaalderij’, waarvan de eerste voorbeelden zich in Hongarije hadden bewezen. Ze waren uitgerust met walsenstoelen in plaats van stenen voor een nog fijnere vermaling en een voorbehandelingsafdeling om het tarwe grondig te kunnen zuiveren. Stoommeelfabriek Holland in Amsterdam was de eerste in Nederland die er op overging en Dusseldorp & Co wilde niet achterblijven. Naast plaatsing van walsenstoelen greep men deze gelegenheid ook aan om binnen het gebouw van de meelfabriek een graansilo onder te brengen, waarvoor er aan de zuidzijde een extra etage bovenop werd gezet. Daardoor kreeg het gebouw zijn karakteristieke vorm die het ook nu nog heeft. Voor de stoomketels was er echter geen plaats meer en deze verhuisden daarom naar de andere kant van de straat die achter de fabriek langs liep. Daarmee waren de veranderingen aan de Westhavenkade overigens nog niet ten einde. In 1885 werd molen De Bonte Os van zijn bovenbouw ontdaan en ging dienst doen als pakhuis. Een jaar later volgde de eerstesteenlegging voor een nieuw woonhuis voor Piet van Dusseldorp. Zijn broer Jan, sinds 1882 medefirmant, koos er kort voor de eeuwwisseling ook voor om dicht bij het bedrijf te wonen en liet toen ten noorden van de fabriek de Villa Becalotti bouwen, een naam gebaseerd op de namen van zijn drie dochters. Na het overlijden van oprichter Adriaan Martinus in 1887 trad ook zijn jongste zoon Arie toe tot de onderneming, die ondanks de toenemende import van buitenlandse tarwebloem uitstekende draaide.Vlaardingen (4)Afbeelding 3: De stoommeelfabriek van A.M. van Dusseldorp & Co aan de Maashaven in Rotterdam.

Tien jaar later begon de buitenlandse concurrentie, vooral de goedkope ‘patentbloem’ uit Duitsland, echter wel zorgen te baren. De helft van de verwerkte tarwebloem was toen inmiddels afkomstig van over de grens en de ‘van Dusseldorpen’ zagen hier geen ander antwoord op dan kostprijsverlaging door schaalvergroting. Alleen was dit keer Vlaardingen om logistieke redenen niet meer de aangewezen locatie om dit te realiseren, omdat het water van de Buitenhaven niet toegankelijk was voor zeeschepen. Dat was wel het geval in de nieuwe Maashaven van Rotterdam en in 1912 viel de beslissing om daar een grote, nieuwe meelfabriek aan de Brielsekade te beginnen. Voor het benodigde kapitaal richtten Jan, Piet en Arie van Dusseldorp de naamloze vennootschap Stoommeelfabrieken De Maas v.h. A.M. Dusseldorp & Co. op en gingen hier samen het bestuur van vormen. In de zomer van 1914 kon de nieuwe fabriek, uitgerust met installaties van Amme, Giesecke & Konegem uit Braunschweig, in gebruik worden genomen. Het moment had echter niet ongunstiger kunnen zijn, want door het uitbreken van de oorlog liep de invoer van tarwe binnen enkele maanden dramatisch terug en konden leveringen aan bakkerijen en broodfabrieken niet meer worden nagekomen. Om excessieve prijsstijging van deze eerste levensbehoefte te voorkomen greep de regering in door prijzen te bevriezen en voorraden te verdelen onder de fabrikanten. Tijdens het verloop van de oorlog nam de schaarste verder toe en kwam er ‘regeringsbrood’ van ongebuilde tarwe, waar later ook nog aardappelmeel aan toegevoegd moest worden.

Waren deze omstandigheden al ongunstig voor NV Stoommeelfabrieken De Maas, de opkomst van een nieuwe binnenlandse speler op de markt voor tarwebloem kwam daar nog eens bovenop. Het betrof de Coöperatieve Vereniging ‘Eerste Nederlandse Coöperatieve Meelfabrieken’ die met geld van de bakkerijen tot stand was gekomen. Haar ondernemingsstructuur veranderde in 1916 in een naamloze vennootschap waarin de bakkers aandelen konden kopen: de NV Meelfabrieken der Nederlandsche Bakkerij, afgekort Meneba. Toen na afloop van de oorlog de marktomstandigheden maar langzaam verbeterden en er geen uitzicht was op een gunstige exploitatie van beide meelfabrieken, besloten de gebroeders Van Dusseldorp om in gesprek te gaan met hun nieuwe concurrent Meneba. Ze bereikten een overeenkomst over de verkoop van de meelfabriek in Rotterdam voor vier miljoen gulden aan Meneba, die echter ook inhield dat de resterende fabriek in Vlaardingen geen tarwemeel meer mocht produceren. Daarmee was de rol van de Van Dusseldorps in het grootmaalbedrijf definitief uitgespeeld.Vlaardingen (5)Afbeelding 4: In 1919 verkochten de gebroeders Van Dusseldorp hun Rotterdamse maalderij aan de NV Meelfabrieken der Nederlandsche Bakkerij, kortweg Meneba.

De meelfabriek in Vlaardingen staat enkele jaren leeg, maar wordt in 1924 verkocht aan de Groninger graanhandelaar Jacobus Cornelis Nieboer die er een erwtensplitterij in onderbrengt. Samen met Jan Cornelis Lindenbergh richt hij in datzelfde jaar de NV Hollandsche Pelmolen op, die in opdracht van de Duitse firma Hildebrandt peulvruchten gaat verwerken. Stoomkracht heeft ondertussen afgedaan en de machines voor het pellen, splitten en polijsten van groene erwten worden door een elektromotor van 120 pk aangedreven, overigens nog wel via het transmissiesysteem van de stoommachine. In de jaren dertig gaat de directie bestaan uit Duitsers van de firma Hildebrandt en dat geldt ook voor een deel van het personeel op de werkvloer. De erwten komen per zeeschip uit Oost Europa en gaan na verwerking per Rijnschip naar Duitsland, een bevoorradingsroute die ze tot het laatste oorlogsjaar in stand weten te houden. Vanwege deze rol in dienst van de vijand komt het bedrijf in 1945 onder beheer te staan, twee jaar later gevolgd door openbare verkoping. De nieuwe eigenaren gaan er naast erwten ook gedroogde zuidvruchten verwerken, maar laten eerst nieuwe machines installeren en het gebouw opknappen. De naam Hollandse Pelmolen blijft gehandhaafd. Tijdens de watersnoodramp van 1953 stroomt het Maaswater naar binnen, maar kan groter onheil worden voorkomen door tijdige uitschakeling van de elektriciteit. In 1957 is de schade echter veel groter als een stofexplosie een brand veroorzaakt die zich  via de elevatoren door het hele pand verspreidt. Het is te danken aan de toevallige aanwezigheid van een blusboot in de haven en het snelle ingrijpen van de  bedrijfsbrandweer van Unilever dat de fabriek niet totaal verwoest wordt. Zo kon er na herstel van de schade nog tot begin jaren tachtig geproduceerd worden, waarvan de laatste tien jaren onder wisselende eigenaren.Vlaardingen (2)Afbeelding 5: De brand op 3 september 1957.

Na ruim tien jaar leegstand begon in 1996 de ombouw van de fabriek tot appartementencomplex met zesendertig woningen. Opmerkelijk genoeg werd het gebouw tijdens de werkzaamheden nogmaals getroffen door een brand en weer was het een blusboot die vanuit de haven de vlammen doofde. Molen De Bonte Os, pellerij De Rijsthalm, pakhuis De Leeuw en Villa Becalotti waren toen al gesloopt, zodat De Pelmolen het enige overblijfsel was van bijna anderhalve eeuw pellen en malen aan de Westhavenkade en daar nu nog steeds een herinnering aan vormt. Aan de Rotterdamse Maashaven daarentegen wordt tot op de dag van vandaag graan gemalen door Meneba, dat sinds 2018 onderdeel is van het Belgische Dossche Mills. Het complex is in een eeuw tijd sterk uitgebreid, maar de stoommeelfabriek van de gebroeders Van Dusseldorp is er nog altijd de kern van.Vlaardingen (6)Afbeelding 6: Het fabriekscomplex van Meneba aan de Maashaven in Rotterdam is nog altijd operationeel. In het midden is de oorspronkelijke stoommeelfabriek uit 1914 te herkennen.