Berlijn

Afbeelding 1: Tot 1990 zijn er sigaretten geproduceerd in de fabriek van Garbáty in Berlijn-Pankow. Bij de restauratie en verbouwing in 2012 zijn er honderdzestig appartementen in ondergebracht.

Bij Joodse vluchtelingen denkt men in de eerste plaats aan de Tweede Wereldoorlog en de jaren die er aan voorafgingen, toen deze bevolkingsgroep Duitsland en de bezette landen noodgedwongen verliet om aan vervolging te ontkomen. Toch was er al tientallen jaren eerder een grote vluchtelingenstroom op gang gekomen, maar toen vanuit Rusland. Daar werden de Joden rond 1900 het slachtoffer van talloze pogroms, wat velen van hen deed besluiten om voor een veiliger bestaan naar het westen uit te wijken. Een emigratieland als de VS was daarbij weliswaar favoriet, maar uit geldgebrek of om andere reden kwamen de meesten niet verder dan de Centraal- of West-Europese landen, waaronder ook Duitsland. Zij moesten er een nieuw bestaan opbouwen in landen die deze vreemdelingen niet altijd even vriendelijk ontvingen en waar Joden geen, of nog maar vrij recent, gelijke rechten hadden. Gezien hun beperkte kansen op de arbeidsmarkt kozen ze vaak (noodgedwongen) voor het vrije ondernemerschap, maar ook daar bestonden barrières en  boden handel, financiën en vermaak meer mogelijkheden dan ambacht en industrie. Een uitzondering binnen laatstgenoemde sectoren waren dan weer jonge branches met een open speelveld voor nieuwe toetreders. Binnen de tabaksindustrie gold dit begin vorige eeuw voor de productie van sigaren, en helemaal voor die van sigaretten. Daar kwam bij dat deze fabrieken weinig kapitaalintensief waren en het handelskarakter van deze branche – tabaksinkoop uit verre oorden, verkoopstrategie en merkenbeleid – daarentegen juist relatief groot. Deze overwegingen zullen ongetwijfeld ook een rol gespeeld hebben bij Josef Garbáty, toen hij zich in 1881 vanuit Wit-Rusland in Berlijn vestigde en daar een sigarettenfabriekje begon. Samen met zijn twee zonen bouwde hij het in een halve eeuw tijd uit tot een succesvolle onderneming, totdat zij in de jaren dertig door het nationaalsocialistische regime tot verkoop en vlucht naar de Verenigde Staten gedwongen werden. De sigarettenproductie eindigde er pas in 1990, waarna het monumentale fabriekspand werd omgebouwd tot appartementencomplex. In het voormalige tabakspakhuis is tegenwoordig een school gevestigd en de fabrikantenvilla doet dienst als Bulgaarse ambassade.

Afbeelding 2: ‘Koningin van Saba’ was het sigarettenmerk waarmee Josef Garbáty vanaf 1887 zijn succes vestigde. Net als bij veel concurrerende merken vormde het een verwijzing naar de Oriëntaalse wereld waar destijds de sigarettentabak vandaan kwam.

In de beginjaren maakte Josef Garbáty de sigaretten nog samen met zijn vrouw aan de keukentafel, waarna hij zijn eerste fabriekje opzette aan de Schönhauser Allee in het stadsdeel Prenzlauer Berg. Toen daar het bedrijf vijfentwintig jaar later uit zijn jasje was gegroeid, liet hij in 1906 aan de Hadlichstrasse, in het noordelijker gelegen stadsdeel Pankow,  een grote nieuwe fabriek bouwen naar een ontwerp van Paul Überholz. Deze architect heeft Berlijn een paar mooie Jugendstilgevels nagelaten, maar in geval van Garbáty’s fabriek zijn deze stijlkenmerken enkel in de entree terug te vinden. Met een kantine, kleedruimte, douchegelegenheid, wasserij en bibliotheek voor het personeel gold het als een toonbeeld van moderniteit. Dezelfde vooruitstrevendheid spreekt uit de werkeloosheidsverzekering, bedrijfskrant, sportvereniging en het zangkoor die hij voor zijn werknemers oprichtte. Ook zijn eigen Joodse gemeenschap kon overigens op Garbáty’s zorgzaamheid rekenen. Toen het Joodse weeshuis, dat eveneens in de Hadlichstrasse stond, in 1911 door brand grote schade op liep, droeg hij financieel bij aan de herbouw en kende hij het ook in latere jaren nog donaties toe. Het gebouw bestaat nog altijd, hoewel sinds WOII niet meer als weeshuis, en het werd in 2001 met een geldelijke bijdrage van een kleinzoon van Josef Garbáty gerestaureerd. De zaken gingen zo voorspoedig dat er behoefte ontstond aan een tweede fabriek, die in 1912 aan de nabijgelegen Berliner Strasse verrees. Door de schaarste aan grondstoffen tijdens WOI kon deze pas nadien volledig in productie worden genomen. Begin jaren twintig had Garbáty meer dan duizend werknemers op de loonlijst staan, waaronder veel vrouwen. Dit zou nog verder doorgroeien naar zo’n zestienhonderd in 1931, nadat een derde fabrieksgebouw in gebruik was gesteld. Ook in het buitenland opende Garbáty vestigingen, waaronder verkoopkantoren en vertegenwoordigingen in een aantal Europese landen, Duitse koloniën en grote steden in Amerika en Azië. De sigaretten werden onder de naam ‘Koningin van Saba’ op de markt gebracht, een merk dat Garbáty in 1887 had opgericht en vanaf 1898 patentrechtelijk beschermd was. Pas in 1928 kwam daar met ‘Kurmark’ een tweede merk bij, dat eveneens aansloeg bij het rokerspubliek.

Om zijn sigaretten bij de klanten onder de aandacht te brengen liet Josef Garbáty ze in ‘Saba-automobielen’ bij de winkeliers afleveren. De trend om reclame te maken met verzamelplaatjes voor albums, die in de jaren twintig en dertig sterk opkwam, werd ook door hem omarmd en het benodigde materiaal werd in een dochterbedrijf vervaardigd: de Pappen- und Papier- Verarbeitungs AG of kortweg Pa-Pa-Ge. De Pa-Pa-Ge kwam in 1919 tot stand om in eigen beheer verpakkingen en reclames te kunnen samenstellen en bedrukken. Hiervoor kwam een speciale fabriek aan de Hadlichstrasse, voorzien van moderne machines en een personeelsbestand dat uitgroeide tot meer dan achthonderd arbeidskrachten. De leiding was in handen van Josef’s zonen Moritz en Eugen Garbáty, tot het dochterbedrijf in 1929 verkocht werd aan het Reemtsma-concern en het tweetal hun vader opvolgde als directeur-eigenaar van de sigarettenfabriek. Er was in die jaren een consolidatieslag gaande in de Duitse sigarettenindustrie, waarbij Bernhard Reemtsma en zijn zonen tal van producenten en merken opkochten. In 1931 was de fabriek van Garbáty aan de beurt, hoewel Reemtsa alleen de aandelen van Eugen in handen wist te krijgen. Moritz behield zijn aandelen en bleef leiding geven aan het bedrijf, hetgeen wel betekende dat hij maandelijks naar het hoofdkantoor van Reemtsma in Hamburg moest reizen voor gezamenlijk directieoverleg. De wetten en bepalingen van het nationaalsocialistische regime lieten Moritz uiteindelijk in 1938 geen andere keuze dan ook zijn aandelen aan Reemtsma te verkopen. Daar bleef het niet bij, want korte tijd later moest de familie Garbáty ook afstand doen van haar grondbezit en buitenplaats Schloss Altdöbern in de Lausitz. Moritz en Eugen emigreerden in 1939 met hun gezinnen naar de Verenigde Staten, Josef bleef achter in Berlijn, waar hij nog datzelfde jaar op achtentachtigjarige leeftijd stierf.

Afbeelding 3: Garbáty nam ook deel aan de evenementen rond de Olympische Spelen in Berlijn van 1936. De familie had altijd ruimhartig bijgedragen aan sportactiviteiten, zoals de uitreiking van de Garbáty-bokaal aan de winnaar van de wielerwedstrijd Zürich-Berlijn in 1925.

Ondanks de zware bombardementen die Berlijn tijdens de Tweede Wereldoorlog teisterden doorstond de fabriek deze periode zonder noemenswaardige schade. Wel kwam ze daarna in de Sovjet-bezettingszone te liggen, die onderdeel ging uitmaken van de Duitse Democratische Republiek (DDR). Zoals bijna alle ondernemingen in de DDR werd ook Garbáty omgevormd tot een Volkseigene Betrieb (VEB) en samengevoegd met VEB Josetti tot de ‘Berliner Zigarettenfabrik’, kortweg ‘Bezifa’. Ook Josetti behoorde tot de sigarettenproducenten van het eerste uur. Het bedrijf was in 1888 opgezet door Oskar Josetti, die als één van de weinige toenmalige sigarettenfabrikanten geen Oriëntaalse-, maar Virginiatabak verwerkte. Josetti werd al in 1927 overgenomen door het Reemtsma-concern, dat de productie vervolgens onderbracht in een fabriekspand in de Rungestrasse, dat voorheen had toebehoord aan concurrent ‘Manoli’ van de Joodse ondernemer Jakob Mandelbaum. De Bezifa produceerde haar sigaretten onder de nieuwe merknamen ‘Club’, ‘Cabinet’ en ‘Karo’ op beide locaties Kort na de val van de Berlijnse Muur eindigde de productie en een poging van de Lübecker Zigarettenfabrik GmbH om de voormalige Garbáty-fabriek nieuw leven in te blazen liep al na twee jaar schipbreuk. Zoals gezegd is het tegenwoordig een appartementencomplex en herinnert alleen de ‘Garbátyplatz’ nabij de kruising van de Hadlichstrasse en de Berliner Strasse nog aan het sigarettenverleden.

Afbeelding 4: De voormalige sigarettenfabriek van Manoli in de Rungestrasse ging later onder het merk Josetti produceren en ontleent daar ook haar huidige naam aan: ‘Josetti-Höfe’.