Zevenaar

Zevenaar (4)Afbeelding 1:  De hoogbouw uit 1926 van de voormalige Turmac-fabriek, gezien vanaf de Kerkstraat in noordelijke richting. Rechts daarvan Huis Rijck dat werd aangekocht voor de huisvesting van Spaanse gastarbeiders en later als kantoor onderdeel ging uitmaken van het complex. 

Van menige fabriek is het operationele bestaan in de jaren ’60 en ’70 verlengd door de inzet van arbeidsmigranten uit Turkije. Alleen door goedkope arbeid wisten textiel- en metaalbedrijven in die tijd het hoofd nog boven water te houden.  In het Gelderse Zevenaar daarentegen betekende een halve eeuw eerder de komst van een Turk juist het begin van een fabriek. Daar had tabakshandelaar Willem Buschhammer zijn pogingen om sigaretten te produceren van Nederlandse tabak in rook zien opgaan. Toen Kiazim Emin Bey uit Constantinopel hem na een bezoek Macedonische tabak ging leveren kwam hier een bedrijf uit voort dat tot na de eeuwwisseling de belangrijkste werkgever van Zevenaar zou blijven. Hoewel er na 1960 geen sigaretten meer van Turks-Macedonische tabak meer gerold werden, bleef de onderneming in de volksmond bekend staan als ‘de Turmac’ omdat de exotische reclame-uitingen van dit merk een blijvende indruk hadden nagelaten. Na de sluiting stond de fabriek enige jaren leeg, maar kreeg in 2013 een nieuwe bestemming als gemeentehuis van Zevenaar, waar zoals in ieder openbaar gebouw gewoon een rookverbod geldt.Zevenaar (6)Afbeelding 2: Met haar reclame-uitingen probeerde Turmac de consument in oosterse sferen te brengen.

Omdat de oriëntaalse tabak via tussenhandelaren in de  havenstad Alexandrië in Europa terechtkwam, sprak men van Egyptische sigaretten en de merknaam Turkish Macedonian Tabacco Company, kortweg Turmac, bracht daar geen verandering in. Nadat hij in 1920 zaken had gedaan in Zevenaar, vestigde Kiazim Emin Bey zich in Amsterdam om ook daar een tabakshandel op te zetten, net als zijn broer Mohammed dat had gedaan in Wenen. Sinds het uiteenvallen van het grote Ottomaanse Rijk in 1918 waren financiële transacties met tabakstelers aldaar problematisch en daarom zetten de beide broers een eigen bank op, ‘Levante’ genaamd. De machtspositie die ze daarmee opbouwen zorgde er in 1926 voor dat ze het staatsmonopolie op tabak kregen in de nieuwe staten die uit het Ottomaanse Rijk voortkwamen: Joegoslavië, Bulgarije, Griekenland en Turkije. Het is ook in dat jaar dat in Zevenaar een nieuw fabriekspand verrijst, nadat men in de beginjaren nog in loodsen en schuren gewerkt had. Opgetrokken uit gewapend beton had het gebouw vier verdiepingen en kenmerkte het zich door stijlinvloeden van ‘Het Nieuwe Bouwen’.  Door een groeiende marktvraag was er twee jaar later al behoefte aan meer productieruimte, waarvoor tegen de oostgevel van de fabriek een tweede betonhoogbouw tot stand kwam. Een belangrijk aandeel in dit succes hadden de reclamecampagnes met spaarbonnen en filmsterrenplaatjes. Tijdens de Olympische Spelen in Amsterdam van 1928 kwam Turmac met zijden vlaggetjes van de deelnemende landen die met een knopspeld op de kleding bevestigd konden worden. Het was zo’n succes dat men nog jaren op deze ‘zijdjes’ door zou blijven borduren, maar dan met onderwerpen uit natuur, sport en beeltenissen van nationale en internationale beroemdheden.  Er verschenen albums om zijdjes te sparen en andere fabrikanten van Egyptische sigaretten namen dit voorbeeld over, maar dan rond andere thema’s. Alle inspanningen op dit gebied ten spijt, daalde in de loop van de jaren dertig de populariteit van de Egyptische sigaretten ten faveure van de Amerikaanse merken. Daar stond wel tegenover dat door het Amerikaanse aandeel in de bevrijding van Europa het sigarettenroken in alle lagen van de bevolking sterk toenam en er voor de Turmac desondanks toekomst was.Zevenaar (5)Afbeelding 3: De fabriek in de jaren ’30, gezien vanaf het Stationsplein. De betonhoogbouw rechts (met ‘Holland’ op het dak) werd in WOII verwoest en maakte daarna plaats voor een productiehal.

In het laatste oorlogsjaar had het fabriekscomplex zware schade opgelopen, zodat de betonhoogbouw uit 1928 als verloren beschouwd moest worden. Omdat ook de naastgelegen havezate Enghuizen door het oorlogsgeweld was verwoest, ontstond er extra ruimte -voor nieuwbouw en koos men voor een lage productiehal bestaande uit een betonskelet met bakstenen bekleding. De wens voor een grote dak-overspanning t.b.v. een flexibele indeling van de werkvloer kon door de naoorlogse schaarste aan bouwstaal enkel gerealiseerd worden door hier vakwerkliggers van ongebruikt brugslagmateriaal voor in te zetten. Was in de jaren twintig nog gestreefd naar een architectuur met zoveel mogelijk natuurlijke lichtinval, nu was men overtuigd van een positief effect van kunstlicht op het arbeiderswelzijn. Maar liefst tweeduizend ‘hypermoderne’ TL-lampen werden geïnstalleerd met speciale armaturen om verblinding te voorkomen. Met de bouw van een nieuw ketelhuis in 1949 en werkplaats in 1952 bereikte het complex een voorlopige afronding. Ondertussen was men overgeschakeld op de productie van shag. Uit vrees dat dit afbreuk zou doen aan het prestigieuze merk Turmac, richtte men hier een aparte onderneming voor op onder de naam Cento Tobacco Company. Wederom voorzien van plaatjes die in albums verzameld konden worden probeerde men opnieuw in de gunst van het rokerspubliek te komen. Dat liet het echter afweten en ook het merk ‘Old Mac’, dat men lanceerde onder de slogan ‘Altijd trek in een Old Mac’, vond maar weinig aftrek. In 1960 viel daarom het besluit om buitenlandse merken in licentie te gaan produceren en het waren vooral de Peter Stuyvesant sigaretten van British American Tobacco (BAT) die er decennialang van de band rolden. Uiteindelijk nam het wereldconcern BAT de fabriek in 2000 over. Directeur Alexander Orlow begon in de jaren zestig een kunstverzameling op te bouwen die later bekend zou worden als de ‘Peter Stuyvesant collectie’. Hij liet de fabriek en het kantoor volhangen met werken van Karel Appel, Armando en Corneille om de werklust te stimuleren en de monotonie te doorbreken. Tenslotte bereikte de collectie een omvang van zo’n veertienhonderd werken. Na de bedrijfssluiting in 2008 heeft de gemeente nog gepoogd om deze kunst voor Zevenaar te behouden door een museum voor bedrijfskunst in de fabriek te vestigen, maar dit plan kreeg onvoldoende steun. Daarna is de collectie geveild. De werken hangen nu in topmusea verspreid over de gehele wereld. Het fabriekscomplex zelf staat tegenwoordig in de top 100 van Nederlandse monumenten uit de periode 1940-1958, die in feite de naoorlogse wederopbouwperiode omvat. Want het is vooral de zogenaamde ‘Shake-Hands’ stijl (combinatie van functionalistische en traditionalistische kenmerken) waarin de architecten Wouter Sybrand van de  Erve en Marten Zwaagstra de productiehal, werkplaats en het ketelhuis ontwierpen die dit complex bijzonder maken in de ogen van monumentenkenners en niet de vooroorlogse hoogbouw met kenmerken van Het Nieuwe Bouwen.