Cacaofabrieken

Cacaofabrieken (10)Afbeelding 1: Het lossen van geroosterde cacao door een brander van de firma Van Houten in Weesp.

Dat Amsterdam kon uitgroeien tot de grootste cacaohaven van de wereld is te danken aan het koloniale verleden, want zowel op plantages in de ‘West’ (Suriname) als de ‘Oost’ (Nederlands-Indië) werd dit tropische gewas verbouwd. De nijverheid die de cacaobonen verwerkte ontwikkelde zich dankzij de uitvinding van Caspar van Houten tot een omvangrijke industrie, die vooral in de omliggende steden gesitueerd was. Hoewel voor het grote publiek cacao gelijk staat aan chocolade, gingen deze bedrijven dat niet allemaal zelf maken. Er ontstond al snel een onderscheid tussen fabrieken die enkel cacaopoeder produceerden, waarvan veel voor de export, en zij die zich richtten op chocoladewaren, welke hoofdzakelijk in eigen land afzet vonden. Voor laatstgenoemde branche waren productinnovatie, verkoopnetwerken en reclame van doorslaggevend belang. Dat liet zich moeilijk combineren met de procesindustriële bedrijfsvoering van de grootschalige cacaoverwerking, net zoals dit overigens bij de suikerindustrie het geval was. Zo ontstonden er analoog aan de suikerwarenfabrieken ook fabrieken voor chocoladeartikelen, of ze kwamen daar rechtstreeks uit voort. In deze rubriek zullen beide branches behandeld worden omdat het industrieel erfgoed niet zo omvangrijk is als dat van de suikerindustrie. Van bekende ondernemingen als Blooker in Amsterdam, Van Houten in Weesp en Kwatta in Breda zijn bijvoorbeeld geen fabrieksgebouwen behouden gebleven, omdat zij hun activiteiten beëindigden in een periode waarin sloop de gebruikelijke gang van zaken was. Langs de Zaan bleef de bedrijvigheid van deze sector weliswaar behouden, maar dan in moderne productiegebouwen waarvoor de oude fabrieken moesten wijken. De typische cacaogeur is echter onveranderd gebleven en die kan men aan de oevers van deze rivier nog altijd opsnuiven.

Zoals in veel andere sectoren speelde ook de pre-industriële cacaoverwerking zich af in molens die in onze streken hoofdzakelijk door wind werden aangedreven. Verrassend genoeg stonden de eerste exemplaren niet in Amsterdam of omgeving, maar in de provincie Zeeland. De eerste cacaoplantages werden door Nederlandse kolonisten namelijk in Suriname opgezet en in de achttiende eeuw was vooral Middelburg actief in de handel en scheepvaart op dit gebied. Van de bijna dertig cacaomolens die ons land omstreeks 1800 telde stond de helft in Zeeland, waarvan twaalf exemplaren in Middelburg. Het waren kleine familiebedrijven waar zogenaamde ‘Zeeuwse koekjes’ gemaakt werden door de cacaobonen te branden, schillen, vermalen en tot tabletten samen te persen. Deze waren enkel geschikt voor consumptie door ze in kokend water of warme melk te brokkelen en er suiker, kaneel, nootmuskaat, vanille of anijs aan toe te voegen om de bittere smaak te maskeren. Het had een vergelijkbaar opwekkende werking als koffie, met als nadeel dat chocolade, zoals men deze drank als verbastering van het Mexicaanse ‘chocolatl’ ging noemen, zwaar op de maag lag door het hoge vetgehalte. Het procedé dat de Amsterdamse ondernemer Caspar van Houten in 1828 uitvond om dit vet af te scheiden verbeterde het product en betekende het begin van de industrialisatie binnen de sector. Het zwaartepunt van de cacaoverwerking begon vanaf toen naar de hoofdstad te verschuiven vanwege de grotere afzetmarkt en de eerste aanvoer van cacaobonen uit de Nederlands-Indië, waarmee vooral Amsterdamse kooplieden traditioneel de handelscontacten onderhielden. De prijs van cacaobonen was aan grote schommelingen onderhevig omdat deze sterk afhankelijk was van de oogst en er werd dan ook veel in gespeculeerd. Handelaren hielden voorraden vast in afwachting van hoge prijzen en fabrikanten deden hetzelfde, maar dan wanneer de prijzen laag waren.Cacaofabrieken (11)Afbeelding 2: De cacaomaalderij van de firma Van Houten in Weesp omstreeks 1928.

In de tweede helft van de negentiende eeuw begon de industrietak sterk te groeien. Enerzijds door de grote vraag naar cacao-houdende producten, anderzijds als gevolg van de mechanisatie, maakten de kleine familiebedrijven plaats voor grote ondernemingen. Bedrijven als Van Houten, Wessanen en De Zaan bouwden grote fabrieken voor de productie van cacaopoeder waarvan de export tussen 1870 en 1910 met een factor vijftien toenam. Chocolade produceerden zij enkel voor de Nederlandse markt omdat het ongeschikt was voor vervoer en bovendien traditie- en seizoensgebonden. Hoe groot ze ook in cacaoverwerking waren, succes op de markt voor chocoladewaren was niet gegarandeerd zoals Van Houten gedurende haar gehele bestaan ondervond. Ondanks overname van chocoladebedrijven in binnen- en buitenland wist men alleen met cacaopoeder winst te maken. Dat verkoopkanalen en reclamecampagnes in deze markt doorslaggevend waren, bewijst wel het voorbeeld van de Bredase chocoladefabriek Kwatta, die voortkwam uit een onderneming in suikerwaren. Chocolade werd nog lang in grote tabletten aan de winkeliers geleverd, die er de gewenste hoeveelheid van afbraken voor hun klanten. Kwatta introduceerde echter rond 1900 de verpakte reep met reclamebeeldmerk en liet die via een eigen netwerk van grossiers in de winkels belanden. Nieuw was ook het identificeren van doelgroepen met specifieke producten, zoals de zogenaamde ‘Manoeuvre-repen’ als krachtvoer voor militairen, die Kwatta vanaf de jaren twintig ook via automaten op treinstations direct aan haar klanten ging verkopen. Om hen bij sterk variërende cacaoprijzen toch chocoladerepen te kunnen verkopen tegen een constante prijs paste Kwatta het gewicht, of desnoods de kwaliteit, enigszins aan.

Details omtrent het verwerkingsproces in de 18e– en vroeg 19e-eeuwse cacaomolens zijn schaars, maar het begon in ieder geval met het reinigen van de aanvoer, die doorgaans nog zand, steentjes en bladresten bevatte. Vervolgens roosterde men de cacaobonen op een vuister, een kacheltype dat ook in oliemolens gebruikt werd, brak ze op kantstenen en verwijderde de schillen door middel van wannen en blazen. De bonen waren nu gereed voor vermaling, hetgeen plaatsvond met behulp van de verticale maalstenen van een kollergang. Daarbij werd de stroopachtige cacaomassa opgevangen in vormen, hetgeen na afkoeling de eerdergenoemde bitterkoekjes opleverde. Molens die enkel cacaobonen verwerkten waren een zeldzaamheid, want doorgaans moest dit worden gecombineerd met het vermalen van boekweit, gerst, haver, bonen of zelfs blauwsel (pigment) voor een rendabele bedrijfsvoering. Dit gold overigens niet wanneer men de bonen met spierkracht vermaalde en afzag van de grootschaligheid van een molen. Het was op deze wijze dat Caspar van Houten in 1815 te Amsterdam begon met de cacaoverwerking die leidde tot zijn octrooi van 1828 om doormiddel van persing het vet af te scheiden. Deze zogenaamde cacaoboter kon te gelde gemaakt worden door apothekers die er zalven en smeersel van mengden. De uitgeperste koeken vermaalde Van Houten tot cacaopoeder, waaraan hij potas toevoegde om de bittere smaak te neutraliseren. Deze behandeling kwam bekend te staan als ‘alkaliseren’ omdat de basische (ofwel alkalische) potas hierbij reageert met de zure verbindingen die de cacao zijn bittere smaak geven.Cacaofabrieken (12)Afbeelding 3: De opslag van balen met cacaobonen bij de firma Van Houten in Weesp.

Vanaf halverwege de negentiende eeuw begonnen de cacaoproducten over te schakelen van wind- op stoomkracht om daarmee niet alleen de cacaomolens maar ook andere werktuigen aan te drijven. Zo ontstonden de cacaofabrieken, waarvan die van Blooker te Amsterdam in 1905 als eerste volledig gemechaniseerd was. Net zoals maalderijen, mouterijen en brouwerijen kenden ze een verticale procesgang, waarbij de grondstof naar de zolderetage werd gehesen om daarna met behulp van de zwaartekracht zijn weg te vervolgens via de achtereenvolgende apparaten en installaties. Naast tijdelijke opslag diende de zolder ook voor het reinigen en sorteren van de cacaobonen. In de reinigingsmachines werden de bonen geborsteld en gezeefd, terwijl het sorteren op grootte een noodzakelijke voorbereiding was op het cacaobranden, aangezien grote cacaobonen langer geroosterd moeten worden dan kleine. Dit cacaobranden diende net als bij koffiebranden de natuurlijke aroma’s te versterken, maar ook om later de schillen eenvoudiger van de kernen te kunnen scheiden. Hierbij kwam veel vakmanschap kijken, enerzijds om de temperatuur niet boven de 130 à 140oC uit te laten stijgen, anderzijds om de juiste tijdsduur van dit proces te bepalen, welke afhankelijk van de boonsoort kon variëren van dertig minuten tot twee uur. Ovens met ronddraaiende trommels zorgden voor een gelijkmatige verhitting van de inhoud, hoewel het risico op ‘aanbranden’ pas echt verleden tijd was na de invoering van de Sirocco-oven met heteluchtstroom. Ook het lossen van de oven vereiste aandacht ten einde te voorkomen dat een deel van de charge zou blijven nagloeien en daarom stortte men de inhoud in bakken die via een geperforeerde bodemplaat met lucht gekoeld werden.

Het moment van alkaliseren liep nogal uiteen van fabrikant tot fabrikant. Sommigen deden dit voor, tijdens of na het branden, anderen voor of na het persen of na het malen. Uiteindelijk kwamen de meesten tot de conclusie dat de beste kwaliteit te verkrijgen was door de bonen eerst licht te branden om de schil te kunnen verwijderen, daarna te alkaliseren en tenslotte tot het gewenste aroma te roosteren alvorens het productieproces te vervolgen. De machines voor het breken van de schillen bestonden uit trommels met ijzeren pennen, waaruit de losse schillen met een luchtstroom, en de bonen via een zeefbodem, hun weg naar buiten vonden. Voor het ontkiemen van de bonen werden eveneens draaiende trommels ingezet, maar dan op hogere snelheid om doormiddel van een centrifugerende werking de zwaardere kiem van de lichtere boon te scheiden. In de cacaofabriek had de kollergang plaats gemaakt voor molens met één-, twee- of drie tegen elkaar indraaiende granietstenen. De éénsteensmolen volstond voor de chocoladeproductie, maar voor de cacaopoederfabricage was de fijnmaling van een twee- of driesteensmolen vereist. In de loop van de vorige eeuw werden deze op hun beurt weer vervangen door stalen walsen met waterkoeling om de wrijvingswarmte af te voeren. Door een juiste instelling liet men de temperatuur oplopen tot maximaal vijfenveertig graden Celsius, zodat de cacaomassa de molen in vloeibare toestand kon verlaten om daarbuiten te stollen tot een grof deeg voor verdere verwerking tot cacaopoeder of chocolade.Cacaofabrieken (9)Afbeelding 4: Productie van cacaomassa in een batterij van 2-steensmaalmolens.

Om tot een poeder te komen moest de cacaomassa ontdaan worden van een groot deel van haar vetgehalte (60 à 70%) met behulp van hydraulische persen bij een druk van 400 à 500 bar en temperatuur van 100oC. Deze zogenaamde ‘pottenpersen’ bestonden uit twaalf potten die gevuld werden met twaalf kilogram cacaomassa tussen een persmat en losse bodem. De drukstukken in de pers drukten tegen de losse bodems, waarna de massa werd uitgeperst. Om de cacaoboter te kunnen verkopen moest deze eerst nog ontkleurd worden door ze te filtreren. De cacaokoeken werden verpulverd in een granieten bak die onder twee granieten rollen doordraaide. Door de wrijvingswarmte kreeg het poeder hierbij een roodbruine kleur, die men fixeerde door het direct te koelen. Verpakking in blikken bussen garandeerde een lange houdbaarheid van het product.

Om chocolade te maken werd aan de (niet-gealkaliseerde) cacaomassa extra cacaoboter, poedersuiker en eventueel melkpoeder toegevoegd. Dit alles werd in een kneedmachine gemengd op een temperatuur van 40oC, net boven de smelttemperatuur van cacaoboter. Later ging men overigens lecithine in plaats van cacaoboter gebruiken om de chocolade minder vet te maken. Om de fijnheid van de massa, en daarmee de kwaliteit van de chocolade, te verbeteren onderging deze een aantal passages door een wals alvorens ‘geconcheerd’ te worden. De ‘conche’ bestond uit vier bakken met een holle granieten bodem en rechte zijkanten. Door hier gedurende een half etmaal een granieten rol in rond te bewegen werd de chocolade tegen de wand omhoog gedrukt en weer neer gelaten, waarbij waterdampen en vluchtige zuren konden ontsnappen. In afwachting van verdere verwerking hield men de chocolade daarna op een temperatuur tussen 26 en 34oC door deze in bakken in verwarmde kamers of kasten te plaatsen. Beter was het nog om de massa met een tempereermachine voortdurend in beweging te houden. Veel chocolade werd uitgegoten in repen of letters, waarbij een tafel met trillend blad (Dribbeltafel) werd ingezet om luchtbellen te verwijderen. Zelfs bij het afkoelen kon het nog mis gaan, want als dit te lang duurde of de temperatuur te laag was bestond het gevaar dat de chocolade wit uitsloeg. De meest gangbare verpakking voor chocoladerepen werd tinfolie, ofwel ‘staniol’, met een bedrukte papieren omslag voor logo en merknaam.Cacaofabrieken (1)Afbeelding 5: In de voormalige chocoladefabriek van Droste aan het Spaarne in Haarlem zijn sinds 2008 een appartementencomplex en restaurant ondergebracht.

De geschiedenis van chocoladeproducent Droste gaat terug tot 1863, toen banketbakker Gerardus Johannes Droste in Haarlem begon met de bereiding en verkoop van chocoladepastilles. Deze chocoladeschijfjes waren zo succesvol dat hij besloot om deze grootschalig te gaan produceren, waarvoor in 1890 een fabriek aan het Spaarne in gebruik werd genomen. Deze onderging daarna nog uitbreidingen met een branderij (1911) en een pakkerij (1922). Nadat G.J. Droste het bedrijf in 1897 had overgedragen aan zijn zonen Jan Coenraad en Gerardus Johannes Jr. kreeg het reclamebeleid meer nadruk, wat onder andere de verpakking met het beroemde beeldmerk van de verpleegster opleverde. Het is vermoedelijk ontworpen door tekenaar Johannes Misset die zich liet inspireren door het schilderij ‘La serveuse de chocolat’ van Jean Étienne Liotard. De verpleegster op de verpakking heeft in haar handen een bus cacaopoeder met exact dezelfde verpakking, waarna een dergelijk zichzelf herhalend ‘plaatje in een plaatje’ als het ‘Droste-effect’ bekend kwam te staan. In de decennia die volgden bleef Droste opdrachten verstrekken aan gerenommeerde ontwerpers, zoals Adolphe Cassandre die het ‘Pastille-mannetje’ dusdanig aanpaste dat het in 1931 als een metershoge neoninstallatie op het dak van de fabriek geplaatst kon worden. Naast pastilles produceerde Droste toen ook al repen en andere chocoladewaren. Bij haar honderdjarig bestaan in 1963 kreeg het bedrijf het predicaat ‘koninklijk’ verleend, dat ze overigens in 1977 weer verloor nadat ze door overname (via Van Nelle) in Amerikaanse handen gekomen was. Tegenwoordig is Droste onderdeel van een Duits suikerwarenbedrijf en vindt de productie in het Gelderse Vaassen plaats. De fabriek aan het Spaarne, inmiddels een rijksmonument, werd in 2004 buiten gebruik gesteld en in 2008 gerenoveerd om ruimte te gaan bieden aan appartementen en een restaurant (De Chocoase). Blikvangers die daarbij behouden zijn gebleven zijn de tegeltableaus, waaronder die van de verpleegster. Van het machinepark bleven twee koelcompressoren van de firma Grasso bewaard, die nu buiten bij de ingang van het complex staan.Cacaofabrieken (4)Afbeelding 6: Ruim zeshonderd banketbakkers stonden begin vorige eeuw aan de basis van chocoladefabriek ‘Union’ in Haarlem. Thans zijn er uiteenlopende kleine ondernemingen in gehuisvest.

Een tweede chocoladefabriek die eveneens tot het Haarlemmer industrieel erfgoed behoort is die van ‘Union’ aan de Paul Krügerkade. Opgericht in 1901 als de Onderlinge Chocoladefabriek ‘De Nederlandsche Banketbakkersverenging’ ging ze na opening in 1904 verder als de NV Cacao- en Chocoladefabriek Union. Tot 1980 werden hier door zo’n honderd medewerkers ruwe cacaobonen verwerkte tot chocolade, waarvoor de fabriek de beschikking had over vier trommelovens. Dankzij het ketelhuis met schoorsteen en voorraadzolder met toegangsdeuren heeft het complex nog altijd een industriële uitstraling. Het doet nu dienst als bedrijfsverzamelgebouw, maar biedt ook ruimte aan een klimwandcentrum (boulderhal ‘De Fabriek’).Cacaofabrieken (3)Afbeelding 7: De chocoladefabriek en cacaotoren van Pette-Boon in Wormerveer gelden als voorbeeld van de Art-Déco binnen de industriearchitectuur. Sinds de herbestemming wordt er in gewoond en gewerkt.

In Wormerveer begon de familie Pette in 1872 op bescheiden schaal met de productie van chocolade, wat later met suikerwerken werd uitgebreid. De zaken verliepen zo succesvol dat in 1916 de bouw van een volledig nieuwe fabriekscomplex in opdracht kon worden gegeven. Het ontwerp hiervoor werd geleverd door architect Martinus Stam, die enkele jaren later ook de nieuwe rijstpellerij ‘Mercurius’ voor de gebroeders Laan in Wormer zou tekenen. In beide gevallen koos hij voor een skeletconstructie van gewapend beton en paste hij in de bekleding daarvan de stijlkenmerken van de Art Déco toe. Het complex van Pette bestaat uit een chocoladefabriek van twee verdiepingen en een cacaotoren van vier bouwlagen met zolderetage, waarop zich een betonnen bluswatertank bevindt en die bekroond wordt door een gestileerde adelaar. De zolder diende tevens als voorraadopslag en was daarom van een hijsinstallatie voorzien. Het bedrijf, waar zo’n vierhonderd mensen werkten, maakte in de daaropvolgende jaren een bloeitijd door dankzij de verkoop van Engelse drop en de zogenaamde ‘Koetjesrepen’: goedkope, dunne, chocoladerepen met op het Delftsblauwe wikkel een koe en boerin met melkemmers. Door de economische crisis van de jaren dertig geraakte Pette echter in financiële problemen, waarna in 1937 overname door de concurrerende onderneming W.J. Boon & Cie. volgde. Nieuwe hoogtijdagen bleven echter uit voor Pette-Boon, dat in 1990 in handen kwam van het Amsterdamse zoetwarenbedrijf Klene. In 1994 eindigde de productie in Wormerveer en rond de eeuwwisseling dreigde er sloop voor de gebouwen, die toen in een vervallen staat verkeerden. Toekenning van de rijksmonumentenstatus en aankoop door een woningcoöperatie brachten echter redding en na renovatie kregen toren en fabriek een nieuwe invulling met kantoorruimtes en appartementen.Cacaofabrieken (5)Afbeelding 8: Het bekendste product dat Bensdorp in haar Bussumse fabriek produceerde waren chocoladerepen met een bellenstructuur die onder de merknaam ‘Bros’ verkocht werden.

Na vijftien jaar leegstand begon in 2015 de herontwikkeling van chocoladefabriek van Bensdorp tot een nieuwe stadswijk van Bussum. Het verval was in die periode al zover voortgeschreden dat tijdens een storm in 2007 de fabrieksschoorsteen naar beneden kwam en het ketelhuis verwoestte. Als onderdeel van het project, dat de nieuwbouw van tachtig woningen behelsde, werd het hoofdgebouw van de fabriek gerestaureerd. Het dateert uit 1884 en werd gebouwd in opdracht van de Amsterdamse firma Bensdorp, die sinds de oprichting in 1840 haar omzet sterk had zien toenemen. In 1897 en 1906 onderging het complex, gelegen aan de spoorlijn Amsterdam-Hilversum, verdere uitbreidingen. Na sluiting van de Amsterdamse fabriek in 1926 werd de productie volledig overgebracht naar Bussum. Datzelfde gebeurde veertig jaar later met de fabriek van Blooker toen deze onderneming werd overgenomen door Bensdorp. In 1972 verloor Bensdorp zelf haar zelfstandigheid en kwam in handen van Unilever, dat het op haar beurt in 1985 overdeed aan Barry Callebaut. Deze Frans-Belgische chocoladegigant beëindigde in 2001 haar activiteiten in Bussum en hevelde de productie over naar Frankrijk.Cacaofabrieken (2)Afbeelding 9: Amper veertig jaar van haar bestaan was de ‘Cacaofabriek’ in Helmond als dusdanig actief, sinds 2015 is het onder deze naam een cultureel centrum.

De ‘Cacaofabriek’ is sinds 2015 het cultureel centrum van het Noord-Brabantse Helmond en gevestigd in de gebouwen waarin van 1894 tot 1932 de NV Nederlandsche Cacaofabriek actief was. Het betrof een initiatief van een aantal Helmondse zakenlieden die de fabriek lieten bouwen aan de Zuid-Willemsvaart om de cacaobonen per binnenvaartschip te kunnen laten aanvoeren. Ze stelden een directeur aan die het vak geleerd had bij Van Houten in Weesp. De productie beperkte zich gedurende de eerste vijf jaar tot cacaopoeder dat onder de merknaam ‘Helm-Cacao’ op de markt werd gebracht. Vanaf 1900 ging men ook chocoladewaren aan het assortiment toevoegen. Het predicaat ‘koninklijk’ dat de onderneming in 1904 werd verleend, kon ze maar kort voeren, want na overname door het Engelse Turner in 1908 moest ze dat alweer afstaan. In 1922 veranderde de naam in ‘NV Helm Cacao- en Chocoladefabrieken’ en hoewel de zaken succesvol verliepen besloot het Engelse moederbedrijf tien jaar later tot liquidatie om de productie in eigen land te concentreren. Midden in de crisistijd verloren tweehonderdvijftig werknemers hun baan. Na de oorlog nam het nabijgelegen textielbedrijf Vlisco het gebouw in gebruik als magazijn, bedrijfsschool en personeelswinkel. Sinds de jaren zeventig bood het nog onderdak aan een meubelbouwer, sociale werkplaats en kunstenaarscollectief.  Als gevolg van brand liep het complex in 2008 zware schade op en besloot de gemeente Helmond tot volledige renovatie over te gaan om het daarna een nieuwe bestemming te geven als cultureel centrum met expositiezalen, filmzalen, een poppodium en studio’s voor de lokale omroep.Cacaofabrieken (7)Afbeelding 10: De cacaotoren en het Art-Nouveau-portaal bepalen nog altijd de aanblik van chocoladefabriek Rosmeulen in het Belgische Tongeren, die tegenwoordig een woonbestemming heeft.

Net als in Helmond is ook de chocoladefabriek van Rosmeulen in het Belgische Tongeren maar kort in bedrijf geweest, om daarna eveneens voor uiteenlopende doeleinden te worden ingezet. Het was een project van Florent Rosmeulen die de fabriek samen met zijn schoonzoon Ernest Bels liet bouwen in 1909 en daarna zijn intrek nam in het kasteel Bijs aan de overzijde van de Neremstraat. Rosmeulen was in 1893 begonnen met de productie van peperkoek in het Waalse Verviers en had er daarna ook een chocoladefabriek geopend, maar bij gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden besloot hij om die activiteit in zijn geboortestreek voort te zetten. Mogelijk dat ook de concurrentie hierbij een rol speelde, want Verviers en omstreken gold in die tijd als een waar chocoladecentrum met bedrijven als Jacques, Aiglon, Le Cerf, Hardis, Derbaix, Rubis, Hosay, Fraiture en Grivegné. De nieuwe fabriek in Nerem (Nederheim) bij Tongeren kreeg een skelet van gewapend beton met een bekleding van rode baksteen en een toegangsportaal in Art-Nouveau-stijl met een venster van gekleurd glas in de vorm van een luchtballon. Vanwege de drassige ondergrond kwam de fundering op heipalen te staan en het platte dak werd van een ingenieus systeem voorzien om het regenwater voor nuttig gebruik te verzamelen. Alle gebouwen bevonden zich achter één lange façade van tweehonderd meter, waaronder de toren van vijf verdiepingen waarin de cacaobonen verwerkt werden. Voor aan- en afvoer van grondstoffen en producten lag het complex aan de spoorlijn naar Luik, die later echter via een ander tracé ging verlopen. De eerste jaren verliepen voorspoedig, maar in 1914 stortte de Eerste Wereldoorlog de onderneming in het verderf als gevolg van roof door de bezetter en het volledig stilvallen van de cacaoaanvoer. Als ‘Société Anonyme Anciens Etablissements Rosmeulen’ werd het bedrijf vanaf 1920 voortgezet, tot de economische depressie in 1934 er definitief een einde aan maakte. Het complex ging daarna dienst doen als domein van achtereenvolgens het Belgische, Duitse en Amerikaanse leger. Van 1948 tot 1973 bouwde de firma Bosson er weefmachines, waarna tinnegieterij Riskin het nog jarenlang benutte. Al deze gebruikers hadden de staat van de fabriek geen goed gedaan en er kwam dan ook een ingrijpende renovatie aan te pas alvorens het in 2018 een volgende levensfase in kon gaan als wooncomplex met drieënzestig loftwoningen.Cacaofabrieken (8)Afbeelding 11: In de fabriek van Victoria in het Brusselse Koekelberg kan het publiek tegenwoordig kennismaken met de geschiedenis van chocolade, maar daar vooral ook aan proeven.

In 1896 lieten de Brusselse banketbakkers Charles Jeghers, Emile Bossaert en Joseph Carlier buiten de stad op het plateau van de Koekelberg een koekjesfabriek bouwen. Hun baksels gingen ze onder de naam ‘Victoria’ verkopen, een merk dat geïnspireerd was op de naam van de toenmalige Britse koningin, omdat ze vooral met de biscuitgiganten uit dat land de concurrentie wilden aangaan. Het assortiment bestond uit macarons, speculaas, cakes en boterkoeken. De hoge ambities van de ondernemers blijkt wel uit het feit dat al in 1904 een tweede fabriek geopend werd in Dordrecht om ook Nederlandse klanten te kunnen beleveren. Vanaf 1908 ging ‘Victoria’ in Koekelberg haar eigen chocolade produceren, niet alleen voor op de koekjes, maar ook voor verwerking tot tabletten en repen. Reeds in 1921 werd een tweede fabrieksgebouw in gebruik genomen, waarna men ook pralines, dragées en andere ‘holle’ chocoladewaren kon gaan vervaardigen. Victoria in Koekelberg ging zich daarna volledig toeleggen op de chocoladeproductie en behoorde samen met ‘Jacques’ uit Eupen en ‘Cote d’Or’ uit Brussel tot de grote drie van het land. Met de aankoop van een fabriek in het Franse Plaisseau werd gepoogd om ook in dat land voet aan de grond te krijgen. Zoon Oscar Bossaert en kleinzoon Paul Bossaert zetten het expansiebeleid voort, ondersteund met prestigieuze paviljoenen op de Brusselse Wereldtentoonstellingen van 1935 en 1958. Voor laatstgenoemde gelegenheid werd zelfs het nieuwe merk ‘Expo’ gelanceerd. Achteraf gezien vormde dit het hoogtepunt van het bedrijf, dat toen zo’n vierduizend werknemers telde. Er was te lang gewacht met modernisering van de fabrieken om ook nieuwe producten te kunnen maken, zoals ‘candybars’, waarmee de concurrentie marktaandeel veroverde. In 1970 moesten de chocoladefabrieken in Koekelberg hun deuren sluiten, in 1978 viel ook het doek voor het merk ‘Victoria’. De gebouwen werden in 2002 ingericht met appartementen. Een gedeelte werd in 2005 geopend voor het publiek als ‘Belgian Chocolate Village’, een experience center rond het thema chocolade.Cacaofabrieken (6)Afbeelding 12: In Hamburg Hammerbrook is de Schokoladenfabrik Reese & Wichmann sinds 1997 een woon- en werkcomplex.

Als internationale havenstad was Hamburg eeuwenlang de plaats van waaruit het Duitse Rijk van ‘Kolonialwaren’ werd voorzien, zoals koffie, thee, specerijen …….en cacao. Al vroeg begonnen lokale ondernemers deze tot chocolade te verwerken en deze geschiedenis wordt nog altijd levend gehouden in het museum ‘Chocoversum’. Eén van hen was ‘Schokoladen-, Kakao- und Zuckerwarenfabriek Reese & Wichmann’ die sinds 1831 in ‘Haus Speersort’ in de Hamburger Altstadt gevestigd was. Daar moest het bedrijf in 1908 echter plaats maken voor een stadvernieuwingsproject, waarbij alleen de renaissancepoort van dit voormalige stadspaleis behouden bleef. De directie gaf daarom opdracht tot de bouw van een nieuwe fabriek in het stadsdeel Hammerbrook. Dit drassige weidegebied ten oosten van de stad was halverwege de negentiende eeuw ontwikkeld tot een industrie- en woonkwartier met een orthogonaal patroon van straten en kanalen. Naar ontwerp van architect Theodor Speckbötel verrees daar in 1908 aan de Wendenstraße een fabriekscomplex met productiegebouw, voorraadmagazijn en ketelhuis met schoorsteen. Een stoommachine van 300 pk dreef er niet alleen het machinepark aan, maar ook een kleine elektriciteitscentrale voor de verlichting en de koelinstallatie van het magazijn. Tijdens de luchtbombardementen in de Tweede Wereldoorlog liep de fabriek grote schade op, die pas in 1952 werd hersteld. Dat vormde geen beletsel voor de onderneming om direct na einde van de oorlog reeds de zaken voort te zetten, waar  pas begin jaren negentig een einde aan kwam. Nadat de fabriek in 1994 op de gemeentelijke ‘Denkmalliste’ was geplaatst onderging ze in de daaropvolgende jaren een ingrijpende renovatie waarbij kantoorruimten, loftwoningen en fotostudio’s gecreëerd werden.