Tabaksfabrieken

Door de antirookcampagnes van de afgelopen tien jaar en wetgeving van de overheid is roken inmiddels een maatschappelijk ongewenst fenomeen geworden en zijn tabakshandel en –industrie in het defensief gedrongen. De sigaret mag dan weliswaar nog lang niet verslagen zijn, het feit dat de branche zelf met een tabak-loos alternatief is gekomen in de vorm van de e-sigaret geeft wel aan dat het ‘klassieke’ roken het einde van deze eeuw niet zal gaan halen. Dat betekent dat op termijn, althans in Nederland, waarschijnlijk een einde gaat komen aan meer dan vier eeuwen geschiedenis die dit genotmiddel heeft doorgemaakt. Daarin heeft het een vijftal verschijningsvormen gekend, waarbij bijna vergeten zou worden dat er aanvankelijk net zo veel ‘gepruimd’ en ‘gesnoven’ werd als dat er sprake was van roken. En voor dat roken was nog tot medio negentiende eeuw een hulpmiddel, de pijp, nodig alvorens er in de vorm van de sigaar een product op de markt kwam dat volledig opgerookt kon worden. Omdat dit min of meer samenviel met de industrialisatieperiode, duurde het niet lang voordat men deze in fabrieken ging vervaardigen. Sigarenfabrieken werden in veel binnensteden een vertrouwd beeld. In de meeste gevallen betrof het echter ateliers die niet gemechaniseerd waren en waar de sigaar volledig handmatig tot stand kwam, zodat de uitdrukking fabriek er nauwelijks op van toepassing was. Dat veranderde met de komst van de sigaret in de twintigste eeuw, waarvoor grote, moderne fabrieksgebouwen verrezen die mede bijdroegen aan het imago van een vooruitstrevend product voor een jonge doelgroep. Alhoewel de mechanisatiegraad van de sigarenproductie nooit dit niveau zou bereiken, werd er nog wel een nieuwe generatie sigarenfabrieken gebouwd in landsdelen waar de loonkosten lager waren. In deze rubriek zullen zowel sigaren- als sigarettenfabrieken aan bod komen die na sluiting tot het industrieel erfgoed zijn gaan behoren en een nieuwe bestemming hebben gekregen. Uit oogpunt van efficiency zijn deze samengebracht onder de noemer ‘tabaksfabrieken’ en, hoewel zeker niet ongebruikelijk, gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de uitdrukking enigszins gekunsteld is. Als titel boven deze inleiding is ze echter uitstekend op haar plaats, aangezien deze aandacht zal besteden aan de lange geschiedenis van de tabak in ons land en de monumenten die nu nog herinneren aan de teelt en nijverheid in het pre-industriële tijdperk.Tabaksfabrieken (1)Afbeelding 1: Tabaksschuur in Amerongen die tot woning is omgebouwd.

Al tijdens zijn eerste reis naar de Nieuwe Wereld in 1492 maakte Christoffel Columbus kennis met tabak en na terugkeer naar Spanje raakte het snel verspreid over Europa, vooral dankzij de medicinale werking die er aan toe werd geschreven. Tegenwoordig mag dat vreemd klinken omdat tabak nu vooral geassocieerd wordt met gezondheidsschade, maar bij gebrek aan echte geneesmiddelen kon destijds de stimulerende werking van de nicotine door een zieke reeds als een weldaad worden ervaren. Een eeuw later stond het echter al bekend als genotmiddel en maken bronnen in Nederland er ook melding van. Amsterdam ontwikkelde zich in die jaren tot een voornaam handelscentrum, waar ook de eerste scheepsladingen tabak aan land werden gebracht. Van regelmatige aanvoer was echter nog geen sprake, omdat de teelt plaats vond op plantages in de koloniën van Spanje en Portugal, landen waarmee de Republiek der Zeven Provinciën toen nog op voet van oorlog verkeerde. De havenstad Sevilla, waar alle Spaanse schepen uit Amerika aankwamen, zou dan ook nog lange tijd de Europese tabakshoofdstad blijven. De aanplant van tabak door de Engelsen in hun Amerikaanse kolonie Virginia aan het begin van de zeventiende eeuw bood weliswaar een alternatief, maar enkel voor kleine partijen omdat deze tabak hoofdzakelijk voor hun thuismarkt bestemd was. Om toch aan de groeiende vraag te kunnen voldoen ging men over tot experimenten om tabak in eigen land te telen. Een eerste poging in de buurt van het Zeeuwse Veere mislukte, maar op de zandige bodem van de Gelderse Vallei had men succes en weldra waren er vele tientallen tabakstelers actief rond Nijkerk, Amersfoort, Amerongen en Elst. Vooral op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug in de twee laatstgenoemde plaatsen bleken de jonge tabaksplantjes goed te gedijen. De teelt was erg arbeidsintensief en alleen lonend als het hele boerengezin meewerkte. De jonge plantjes werden opgekweekt in broeibakken, afgedekt door een kap bestaande uit een met papier bespannen houten raamwerk dat met lijnolie waterafstotend was gemaakt. Half mei werden ze aan de volle grond toevertrouwd, die ter voorbereiding intensief was bemest. Zo konden de tabaksplanten wel een hoogte van één meter bereiken, wat ze in combinatie met hun grote bladeren windgevoelig maakte. Ter bescherming werden ze daarom in perken geplaatst, omzoomd door een heg van bonenstaken. De meest zichtbare herinnering aan deze cultuur zijn de  tabaksschuren van zwart-geteerde planken rond Amerongen, waarin de tabaksbladeren gedroogd werden en waarvan er nog zo’n twintig over zijn. Met grote deuren in voor- en achtergevel voor het in- en uitrijden van karren, lamellen voor de ventilatie in de houten wanden en een pannendak dat tot de grond doorloopt, zijn ze duidelijk te onderscheiden van boerenschuren. Ten behoeve van het droogproces reeg men de grote bladeren aan spijlen die werden opgehangen en als de luchtstroom onvoldoende was om ze droog te krijgen plaatste men er vuurpotten onder. Doorgaans waren de bladeren zo na vier tot zes weken droog en werden ze samengeperst tot balen. Niet alleen voor transport, maar ook om een broei- of fermentatieproces op gang te brengen waarin geur- en smaakstoffen ontstaan. Kort voor de winter kochten handelaren in Wageningen en Veenendaal deze tabak op om in huisnijverheid verder verwerkt te worden tot pruim- en snuiftabak, aangezien voor pijproken de kwaliteit onvoldoende was. Toen aan het einde van de achttiende eeuw de import van tabak uit de inmiddels onafhankelijk geworden Verenigde Staten van Amerika toenam, raakte het snuiven en pruimen uit de mode en zette de neergang van de vaderlandse tabaksteelt zich in. Toch wist deze in Amerongen en Rhenen tot in de twintigste eeuw stand te houden en leefde zelfs kortstondig op tijdens beide wereldoorlogen door de ontstane schaarste. Uit de tabakskerverijen in Veenendaal kwam een sigarenindustrie voort met bekende merken als Ritmeester, Panter en Schimmelpenninck (zie reportage).Tabaksfabrieken (2)Afbeelding 2: In dit voormalige tabakspakhuis te Nijkerk is tegenwoordig een kapsalon gevestigd.

Een mooi voorbeeld van vroege mechanisatie in de tabaksnijverheid is de productie van snuiftabak in molens. Snuiftabak is een mengsel van specerijen en vermalen tabak dat via de neus werd opgesnoven. In de Gouden Eeuw was dit de bekendste tabakssoort in Nederland en in de tweede helft van de achttiende eeuw bereikte de snuiftabaksnijverheid haar hoogtepunt. De tabaksbladeren werden eerst bestreken met een mengsel van ingrediënten zoals zout, tamarinde, jeneverbes, lavendel, muskaat, menthol, rozenwater en dropwater, een behandeling die men ‘sauzen’ noemde. Na de verwijdering van de middennerf (het strippen), werden de bladeren vervolgens in een linnen doek gewikkeld en stevig ingebonden. Een paar weken later kon men dan de bundel tabaksbladeren (de karot) uit de doek halen en met een dun garen opbinden (ficelleren). Dan volgde een maandenlange fermentatieperiode waarin de karotten regelmatig gekeerd werden om de gelijkmatigheid van dit broeiproces te bevorderen. Na afloop kapte men deze karotten klein met messen die daartoe door de molen werden aangedreven en om er een fijn poeder van de te maken volgde tenslotte een maalbehandeling in de kollergang (met staande i.p.v. liggende maalstenen). De Amersfoortse tabak was tot ver over de grenzen beroemd als fijne snuiftabak en bracht voor die toepassing zelfs een betere prijs op dan Virginiatabak. Het gemiddelde tabaksverbruik per hoofd van de bevolking bedroeg in de achttiende eeuw zo’n drie kilo en een belangrijk deel daarvan was snuiftabak. In sommige (hogere) kringen was het snuiven het sociale leven gaan beheersen en fraai versierde snuifdozen herinneren daar vandaag de dag nog aan. Snuiftabak is tegenwoordig in Nederland een weinig verkocht artikel. In Rotterdam staan langs de Kralingse Plas nog steeds twee snuifmolens, De Lelie en De Ster, die dit tabaksmengsel op traditionele wijze produceren. Samen met een ‘karottenfabriek’ en molenaarswoning vormen ze een uniek voorindustrieel ensemble binnen de tabaksnijverheid. Het bereidingsproces van pruimtabak kende een aantal overeenkomsten met dat van snuiftabak, zoals het sauzen om er extra smaak aan te geven. Naast Kentucky- en Virginiatabak was het ook weer de vette tabak uit de Gelderse Vallei die zich voor dit gebruik goed leende.Tabaksfabrieken (3)Afbeelding 3: Snuifmolens De Ster en De Lelie langs de Kralingse Plas in Rotterdam zijn nog altijd actief in de tabaksverwerking.

Het roken van tabak uit een pijp is de oudste vorm van roken en ook de meest economische, omdat er geen tabak ongebruikt weggegooid hoefde te worden. Al vroeg in de zeventiende eeuw experimenteerde men met melanges om een gewenste smaak te verkrijgen. Hieruit ontstond een verzameling van kerftabakssoorten met elk hun eigen kenmerken. Kerftabak is een oer-Hollands product, maar in vergelijking met sigaren eigenlijk een halffabrikaat. Het dankt zijn naam aan het feit dat de ruwe tabak als voornaamste bewerking gesneden of gekerfd werd. Vergeleken met de sigaar zijn er veel minder bewerkingen nodig en dat zorgde ervoor dat de kostprijs veel lager was. Nederland kende gedurende de zeventiende- en achttiende eeuw vele lokale tabakskerverijen, maar al aan het begin van de negentiende eeuw vond er een concentratie plaats waaruit later fabriekjes voortkwamen. In tegenstelling tot de sigarennijverheid vond in de kerftabaksnijverheid een vroege overgang plaats van handarbeid naar machinale productie. Slechts een beperkt aantal ondernemers was in staat om het daarvoor benodigde kapitaal op te brengen en de sprong te maken naar industriële productie, zoals Douwe Egberts, Van Nelle, Niemeyer, Van Rossum en Dobbelman. Ze wisten uit te groeien tot bekende bedrijven met succes in binnen- en buitenland. Een nijverheidstak die weliswaar tot een andere sector behoorde (aardewerk), maar in dit kader niet onvermeld mag blijven is die van de pijpenbakkerij. De kunst van het pijpenbakken werd door Engelse soldaten in ons land geïntroduceerd en in de hoogtijdagen zijn er waarschijnlijk honderden pijpenbakkers actief geweest. Desalniettemin resteert er nauwelijks nog iets van dit ambacht, zelfs in de stad waarvan de naam met dit rookgerei is verbonden: Gouda. De panden waarin dit ambacht beoefend werd zijn hooguit nog herkenbaar aan een gevelsteen en ook van de pijpenfabriek uit het einde van de negentiende eeuw is niets meer over. Dat laatste is wel het geval in Weert, waar de industriële pijpenoven van de firma Trumm-Bergmans behouden is gebleven: de enige in heel Nederland.Tabaksfabrieken (4)Afbeelding 4: Het pand van de vroegere tabakshandel De Moriaan te Gouda heeft jarenlang een tabakspijpenmuseum gehuisvest.

Gouda kent nog wel een monument dat herinnert aan de florerende tabakshandel in de Republiek der Zeven Provinciën. In het pand genaamd ‘De Moriaan’ was in de achttiende eeuw een tabaksverkoper gehuisvest en zowel een uithangbord als een gevelversiering van tabakskarotten verwijzen hier nog naar. Een tabakshandelaar kon de geïmporteerde tabakssoorten naar behoefte vermengen met relatief goedkope inlandse tabakken. Vooral die van Amsterdam waren daar zeer bedreven in en wisten zo de Engelse handelaren af te troeven met lage marktprijzen. Dankzij de risico’s die deze ondernemers bereid waren te nemen kon Amsterdam zich ontwikkelen tot een centrum van tabakshandel, waardoor aanvoer van kwalitatief goede tabak gegarandeerd was. Naast tabakssoorten uit de Spaanse- en Portugese koloniën en later de Amerikaanse Virginia- en Maryland tabak kwamen daar aan het einde van de negentiende eeuw ook de eigen koloniale Sumatra- en Javatabak bij en na 1900 de Turkse, Griekse en Russische Oriënttabak. Al deze tabakssoorten vonden hun plaats in de Amsterdamse pakhuizen en werden verhandeld op de beurs. Met het verlies van Nederlands-Indië in 1949 kwam een einde aan deze positie en verschoof de internationale tabakshandel naar Hamburg en Bremen.Tabaksfabrieken (5)Afbeelding 5: Van 1844 tot 1934 produceerde de firma Ribbius-Peletier haar sigaren in dit pand aan de Oude Gracht in Utrecht. Net als voor andere kleine sigarenfabrikanten luidden accijnsverhoging en crisis haar ondergang in.

De eerste productie van sigaren in Nederland dateert van eind achttiende eeuw en vond plaats in de tabakshandel van Albertus Hillen te Delft. De eerste echte sigarenmakerij was die van Johann Lehmkuhl te Kampen die in 1826 van start ging. Medio 19e eeuw ontstonden dit soort kleinschalig bedrijven met hooguit twintig medewerkers in praktisch alle steden, hoewel er ook veel gebruik werd gemaakt van thuiswerkers. De productie was vrijwel uitsluitend voor de lokale markt bestemd en vond via een eigen winkel of koffiehuis zijn weg naar de klanten. Grote sigarenfabrieken met honderd of meer arbeiders kwamen pas aan het eind van de eeuw voor en onderscheidden zich door eigen afdelingen voor verkoop, expeditie of soms zelfs een netwerk van eigen winkelfilialen. Er was dan ook al sprake van een eerste mechanisatiegolf met machines voor het kerven en strippen van de tabak. Handarbeid bleef echter overheersen en in de sigarenindustrie deden zich dan ook regelmatig omvangrijke stakingen voor die leidden tot repressie of massaontslag. Als antwoord hierop verenigden de arbeiders zich in 1895 in de ‘Nederlandsche Sigarenmakers- en Tabakswerkersbond’ om voor hun belangen op te komen. De fabrikanten reageerden hier weer op door hun productie te verplaatsen naar gebieden met lagere loonkosten. Zo verlieten Henry van Abbe en Eugène Goulmy het roerig Amsterdam om fabrieken op te zetten in Eindhoven en Den Bosch waar de katholieke kerk het socialisme nog buiten de deur wist te houden. Maar ook hier bleef arbeidsonrust niet uit toen tijdens de interbellumjaren ontslagen vielen ten gevolge van een toevloed van goedkope sigaren uit Duitsland, aanpassing van de tabaksaccijns en de economische crisis. Na de oorlog zette het concentratieproces zich voort en resteerden er op den duur enkel nog  grote fabrieken in Eindhoven, de Kempen, Veenendaal, Culemborg en Kampen, waar nauwelijks nog handwerk voor kwam. In de internationaliseringsslag van de afgelopen decennia zijn hun merken grotendeels overgenomen door buitenlandse concerns die hooguit een verkoopkantoor aanhouden in Nederland. Agio uit het Brabantse Duizel heeft als enige grote onderneming haar zelfstandigheid weten te behouden. Vantas in Goudswaard, De Olifant in Kampen en Van der Donk in Culemborg doen nog aan kleinschalige productie.Tabaksfabrieken (7)Afbeelding 6: De Olifant in Kampen vervaardigt nog steeds op kleine schaal sigaren, maar is bovenal een museum om de herinnering aan deze nijverheid levend te houden.

In tegenstelling tot de sigarenindustrie is de sigarettenindustrie al vroeg onderhevig geweest aan buitenlandse invloeden. Dit betrof o.a. de introductie van snelle machines uit Duitsland en Amerika waardoor sigaretten al vroeg in de 20ste eeuw goedkoop geproduceerd konden worden. Daarna volgden al snel buitenlandse ondernemingen die op de Nederlandse markt hun producten gingen afzetten zoals British American Tabacco (1906) en de Vittoria Cigarette Company (1917). Sigarettenfabrikanten van Nederlandse bodem waar zij de strijd mee aanbonden waren Turmac uit Zevenaar (1920) en Laurens uit Den Haag (1921). Deze richtten zich op ‘Egyptische’ sigaretten, die overigens van pittige Turks-Griekse tabak gerold werden en hun benaming ontleenden aan het feit dat deze via de markten van Alexandrië en Caïro verhandeld werd. Nog voor de oorlog was het pleit beslecht in het voordeel van de Virginia-sigaretten van BATCO dankzij het Angelsaksische overwicht op reclamegebied. Vergeleken met de traditionele sigarenverpakkingen waren de reclame-uitingen van de sigarettenindustrie veel fantasierijker met naast afbeeldingen van knappe vrouwen en mannen ook Oriëntaalse (kamelen en sfinxen) en Amerikaanse (cowboys) associaties. Toen na de onafhankelijkheid van Indonesië ook de fabrikanten wegvielen die op basis van Java- en Sumatratabak sigaretten produceerden hadden BATCO en de aan haar gelieerde bedrijven in feite het rijk alleen. Virginiatabak werd vervangen door ‘American Blends’ van vele soorten tabak gesaust met een variëteit aan smaakstoffen. Om de zorg over gezondheidsschade weg te nemen ontwikkelde men de filtersigaret. Dankzij succesvol lobbywerk heeft de industrie overheidsmaatregelen op dit vlak lang kunnen tegenhouden, maar met het verbod op de tabaksreclame in 2003 alsnog een nederlaag geleden. Tien jaar later sloot de laatste grote sigarettenfabriek haar deuren, die van Phillip Morris in Bergen op Zoom.