Zuivelfabrieken

Afbeelding 1: Stoomzuivelfabriek ´Freia´ uit Veenwouden is tegenwoordig in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem te bewonderen.

Zuivelfabrieken vormen een bijzondere categorie omdat ze vanwege hun verbondenheid met de landbouwbouw grotendeels op het platteland gesitueerd waren, terwijl de meeste andere industriesectoren zich in een stedelijke omgeving vestigden. Weliswaar gold dit ook voor steenbakkerijen, maar deze waren dan weer geconcentreerd in bepaalde delen van het land en hoofdzakelijk in het buitengebied, terwijl de zuivelfabrieken zich in de dorpskernen bevonden, verspreid over heel Nederland. Andere vormen van nijverheid die men er aantrof, zoals smederijen, leerlooierijen en maalderijen, bereikten er zelden een industriële schaal en hoewel de omvang van veel zuivelfabrieken ook bepaald niet indrukwekkend was, onderscheidden ze zich duidelijk van deze ambachtelijke bedrijven. Niet alleen waren ze gemechaniseerd en kenmerkte hun productieproces zich door arbeidsdeling, maar ze hadden tevens het werk van ambachtelijke voorgangers vervangen, namelijk de zuivelbereiding op de boerderij. Die kende een lange traditie, maar kwam eind negentiende eeuw onder druk te staan. Enerzijds ging men hogere eisen stellen aan de hygiëne die beter gewaarborgd was door de verwerking centraal te laten plaatsvinden door professionals. Anderzijds nam de melkproductie in de landbouw sterk toe, maar niet vanwege een stijgende vraag naar zuivelproducten zoals vaak wordt gedacht. Het was de import van goedkoop graan uit Amerika die vanaf 1870 de landbouw in een crisis deed belanden en een verschuiving van akkerbouw naar veeteelt veroorzaakte. Dit werd alleen nog maar versterkt omdat dit graan door zijn lage prijs massaal tot veevoer verwerkt werd.

Hoewel campagnes om zuivelproducten in het voedingspatroon van brede lagen van de bevolking door te laten dringen beslist succesvol waren, was de zuivelindustrie voor haar afzet in belangrijke mate op export aangewezen en dat geldt tot op de dag van vandaag. Net als in andere industriesectoren heeft zich ook in de zuivel een sterke bedrijfsconcentratie voltrokken en een coöperatieve oorsprong vormde hierbij nauwelijks een beletsel. Van de zestig zuivelfabrieken die Nederland nu  nog telt is bijna de helft in handen van FrieslandCampina, de onderneming die in 2008 ontstond door de fusie van de twee grote coöperaties Campina Melkunie en Friesland Foods. Ruim een eeuw geleden waren dat er nog bijna negenhonderd, waarvan er tegenwoordig naar schatting enkele tientallen tot het industrieel erfgoed behoren. Wat herbestemming betreft is hun kleinschalige omvang weliswaar een voordeel, maar aan de andere kant zijn de gebruiksmogelijkheden in een dorp aanmerkelijk beperkter dan in een stad,  waar bijvoorbeeld een groter en jonger publiek is voor activiteiten in de culture- en vrijetijdsfeer. Daarom hebben relatief veel van deze kleine zuivelfabrieken een tweede leven gekregen als woning, wooncomplex of (woon)bedrijfspand.

Afbeelding 2: Schoolplaat van een stedelijke melkinrichting, met het lossen van de melkbussen (1), het wegen en nemen van monsters (2), pasteurisatie en opslag (3), verpakking (4) en distributie (5).

In 1879 kwamen de eerste zuivelfabrieken van Nederland in bedrijf, namelijk die van Leiden en het Friese Veenwouden. Dit tweetal was ook direct illustratief voor de twee bedrijfstypen die zich van toen af gingen ontwikkelen, namelijk de boter- en kaasfabrieken op het platteland en de melkinrichtingen in de stad. Laatstgenoemden richtten zich primair op de productie van melk voor consumptie binnen de stad en directe omgeving en hadden de boterbereiding als nevenactiviteit. Zuivelfabriek Freia in Veenwouden daarentegen produceerde enkel boter en kaas en de wijze waarop dit gebeurde kan nu nog aanschouwd worden in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem. Na de bedrijfsbeëindiging in 1970 en een periode van leegstand, werd het gebouw daar namelijk heen verplaatst als representatief voorbeeld van een vroege stoomzuivelfabriek. Dat het de eerste was van Nederland, en daarnaast is opgetrokken rond een betonskelet, wat destijds nog uitzonderlijk was, maakt deze fabriek beslist uniek en daarom is haar museale bestemming volledig gerechtvaardigd. Het gebouw was  ingericht met een lokaal voor melkontvangst, een centrifugelokaal, roomzuurlokaal, botermakerij, oproomlokaal, kaasmakerij, perslokaal, pekellokaal, kwaliteitslaboratorium, kantoor en ketelhuis met machinekamer. De eerste verdieping was grotendeels gereserveerd voor de kaasopslag. De opgewekte stoom diende niet alleen voor de mechanisatie van de fabriek, maar ook voor het pasteuriseren van de melk en reinigen van de installaties.

Het was de uitvinding van de melkcentrifuge die een doorbraak betekende in de opkomst van de zuivelindustrie. De Deen Nielsen bedacht de constructie, maar het was de Zweedse ingenieur Gustaf De Laval die hem in 1879 op de markt bracht en daarmee aan de basis stond van Alfa Laval AB, een internationale onderneming op het gebied van procesapparatuur voor de voedingsindustrie. De ‘Laval-separator’ maakte het mogelijk om van meer dan honderd liter melk per uur de room af te scheiden. Deze room passeerde vervolgens een schuimafscheider, pasteuriseertoestel en koelinstallatie, om daarna in roomtonnen gecontroleerd te verzuren. Hieruit ontstond dan door mechanische bewerking in de karnkneder de uiteindelijke roomboter. Ook de afgeroomde melk doorliep een schuimafscheider, pasteuriseertoestel en koeler en werd daarna als ondermelk in bussen geretourneerd naar de boeren. Bij de kaasproductie werd er stremsel aan de melk toegevoegd om er in een kaaskuip wrongel uit te laten ontstaan, die met behulp van kaaspersen in een vaste massa veranderde. Na onderdompeling in een pekelbad volgde een rijpingsperiode die afhankelijk van de duur jonge- (vier weken) tot oude kaas (tien tot twaalf maanden) opleverde.

Afbeelding 3: Schoolplaat van een boterfabriek met de melkcentrifuges (1), pasteuriseertoestellen (2), koelinstallaties (3), gecontroleerde verzuring (4), boterkarnen (5) en verpakking (6).

Zuivelfabriek ‘Freia’ was nog opgericht door een pionierende ondernemer, maar binnen enkele jaren werden er ook fabrieken door landbouwcoöperaties geopend, waarvan de eerste in 1886 in het Friese Warga. Onvrede onder de boeren over de prijs die ze voor hun melk kregen was hier de belangrijkste reden voor. Rond de eeuwwisseling overtrof hun aantal in Friesland  dat van de particuliere fabrieken. De sector maakte een stormachtige groei door en in 1895 waren er al bijna tweehonderdvijftig zuivelfabrieken, waarvan overigens slechts een derde beschikte over een stoommachine. Vijf jaar later was dit aantal al opgelopen tot bijna negenhonderd en waren er daarnaast nog eens zo’n honderd stedelijke melkinrichtingen. Tot in de jaren vijftig bleven de kleine zuivelfabrieken overheersen, waarna zich een proces van schaalvergroting en modernisering inzette dat tot de sluiting van honderden fabrieken leidde. Onder de grote, nieuwe fabrieken die ondertussen gebouwd werden bevonden zich ook vestigingen die gespecialiseerd waren in gecondenseerde melk, melkpoeder, babyvoeding, yoghurt en kaasvariëteiten. Eind jaren zeventig namen de vijf grootste fabrieken al meer dan de helft van de verwerkte melk voor hun rekening en was het einde van de bedrijfsconcentratie nog niet in zicht. Zuivelfabrieken werden doorgaans gesticht op plaatsen die goed bereikbaar waren voor de aanvoer van melk, aanvankelijk per paard en wagen, later per melkwagen. Ze stonden dan ook meestal aan een doorgaande weg net in, of buiten de bebouwde kom. Slechts enkele fabrieken waren georiënteerd op het water, zoals in Hoogeveen en Leeuwarden, of op de spoorweg, zoals de ‘Freia’ in Veenwouden. Juist vanwege de bereikbaarheid zijn er in de steden nauwelijks melkfabrieken in gebruik gebleven. De nu nog in bedrijf zijnde zuivelfabrieken zijn moderne bedrijven, waarin van de oorspronkelijke fabrieksgebouwen zelden veel valt te herkennen.

Afbeelding 4: In het Friese Merengebied vond het transport van melk naar de zuivelfabriek grotendeels plaats over het water, zoals hier in Koudum waar het voltallige personeel poseert voor de foto.

Een fraai voorbeeld van een voormalige stedelijke zuivelfabriek is de Coöperatieve Tilburgsche Melkinrichting (CTM), waarvan het kantoorgebouw aan het Wilhelminapark is opgetrokken in Jugendstil, naar ontwerp van architect Jos Donders. De CTM werd opgericht door de melkveehouders uit Tilburg en omliggende dorpen, ondersteund door een groep notabelen waaronder een huisarts en kinderarts. De melkinrichting met zuivelfabriek opende in 1914 en had toen een dagproductie van achttienduizend liter. Dit was aanmerkelijk meer dan de Tilburgse behoefte, maar om de verkoop te stimuleren beschikte het kantoorgebouw over een winkel met ‘melksalon’. Via fusies kwam de fabriek in handen van zuivelcoöperatie ‘Campina’, die haar productie in 1981 naar een industrieterrein verplaatste. Na verkoop aan de gemeente Tilburg in 1991, volgde drie jaar later de sloop van de productiegebouwen. Het kantoorpand met directiewoning en winkel aan het Wilhelminapark bleef behouden en kreeg de status van rijksmonument. Tegenwoordig is er weer sprake van bewoning en is er tevens een kunsthandel (Via Venezia) gehuisvest in de voormalige winkel.

Afbeelding 5: Van de Coöperatieve Tilburgsche Melkinrichting en Zuivelfabriek bleef het directie- en winkelgebouw in Jugendstilarchitectuur aan het Wilhelminapark behouden. 

Ook van de ‘Stoomzuivelfabriek Hilversum’ resteert nog een Jugendstilpand uit 1903 aan de Herenstraat, ontworpen door architect J.H. Slot. Een echt fabrieksgebouw bevindt zich aan de Larenseweg in deze gemeente. Daar lieten de Gooische Melkvee Bedrijven (later gefuseerd met Campina) in 1954 een zuivelfabriek bouwen die van 1957 tot 2005 operationeel was. Van 2011 tot 2013 werd het complex in opdracht van Dudok Wonen opnieuw ingevuld met ruim vijftig woningen, diverse bedrijfsruimtes, een basisschool, kinderopvang, peuterspeelzaal en parkeergarage. De grote fabriekshal met lange betonnen schaaldaken werd getransformeerd tot een centraal, en voor het publiek toegankelijk ontmoetingsplein. De uitkijkpost van de opzichter fungeert nu als vergaderruimte. Op de begane grond is restaurant ‘Café au Lait’ gevestigd en ook Dudok Wonen heeft er haar kantoren. In het voormalige directiekantoor werden zeven appartementen en een maisonnette gerealiseerd, waarbij het glas-in-lood en een muurschildering gehandhaafd bleven. Het complex onderging in een halve eeuw tijd maar weinig wijzigingen en dankzij behoud van de fabrieksschoorsteen heeft het nog een uitgesproken industriële uitstraling.

Afbeelding 6: De Melkfabriek aan de Larensweg in Hilversum is een gaaf voorbeeld van naoorlogse zuivelindustrie. Het gemeentelijke monument is sinds 2013 een locatie voor wonen, werken en leren.

Uit dezelfde naoorlogse periode dateert de Coöperatieve Melkinrichting Zuid-Oost Drenthe (Cominzo) in Emmen. Ze staat in Noordbarge aan het Oranjekanaal, op de plaats waar zich tussen 1893 en 1952 al een voorganger bevond, die ook met een maalinrichting was uitgerust. De fabriek lag midden tussen de Emmer-es, Noordbarge-es en Westenesch, zodat de boeren slechts een korte afstand hoefden te overbruggen met hun melk en graan. Turf voor de stoommachine arriveerde via het naastgelegen Oranjekanaal, dat ter plaatse gekruist werd door de stoomtramlijn waarover de geproduceerde boter naar Emmen of Hoogeveen getransporteerd werd. De productie eindigde in 1989, waarna een periode van leegstand volgde. Tussen 2003 en 2008 onderging de fabriek een grondige renovatie om het geschikt te maken als bedrijfsverzamelgebouw en Centrum voor Beeldende Kunst (CBK) met drie expositiezalen. Mocht er ondanks de sheddaken en de schoorsteen toch nog twijfel bestaan over de oorspronkelijke functie van dit complex, dan neemt de huidige naam – De Fabriek – die alsnog weg.

Afbeelding 7: De Coöperatieve Melkinrichting Zuid-Oost Drenthe in Emmen, kortweg Cominzo, heeft als bedrijfsverzamelgebouw en centrum voor beeldende kunst een tweede leven gekregen.

In de ontwikkeling van de zuivelfabrieken liep het noorden des lands voorop omdat daar op de kleigronden de veeteelt en zuivelbereiding een langere traditie kende dan op de schrale zandgronden van het oosten en zuiden. Dat verschil manifesteerde zich niet direct in de aantallen, maar wel in de hoeveelheden melk die er verwerkt werden en daarmee de mechanisatiegraad. De stoomzuivelfabriek was op het platteland van Friesland en Groningen veel eerder gemeengoed dan elders en daarvan zijn er nog een aantal behouden gebleven, zoals De Kievit in Grijpskerk die in 1889 werd geopend. Men ging er kaas en boter maken van de melk die vijftig landbouwers aanleverden. Boter was al decennialang een exportartikel, dat hoofdzakelijk zijn weg vond naar Engeland, en dat gold ook voor de producten van De Kievit. Het bedrijf, geen coöperatie maar een naamloze vennootschap, liep uiterst succesvol en telde rond de eeuwwisseling al meer dan driehonderd aangesloten boeren. Er volgden daarom uitbreidingen met een ijskelder, kaaspakhuis, laboratorium, een directeursvilla en personeelswoningen. In een kwart eeuw tijd liep het dagelijks verwerkte volume aan melk op van zes- naar vijftigduizend liter en dat de Kievit uitstekende kwaliteit leverde bleek uit het winnen van de gouden medaille op de botertentoonstelling van Boedapest in 1912. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dwong de overheid om melk te gaan leveren aan de Condensfabriek in Leeuwarden en melkinrichtingen van de grote steden. Daarna keerden de exportmogelijkheden weer terug, maar toen deze door de depressie van de jaren dertig weer opnieuw wegvielen ging De Kievit zelf melkpoeder en gecondenseerde melk produceren. Tijdens de oorlogsjaren moest nog meer inventiviteit aan de dag gelegd worden en schakelde men over op de fabricage van caseïne. Medio jaren vijftig kwam er alsnog een coöperatie tot stand, die toonaangevend was in Groningen met haar ‘Kievitskaas’ en roombotermerk ‘Grijpskerk’ dat met de slogan ‘De naam zegt alles’ onder de aandacht werd gebracht. In 1969 ging de fabriek in een fusiegolf ten onder, na zich de laatste jaren vooral op de kaasproductie te hebben gericht. In 2000 werd de fabriek, waarvan zowel in- als exterieur grotendeels origineel zijn, op de rijksmonumentenlijst geplaatst. Tegenwoordig zijn op het complex een automaterialenzaak (D.A.G), caravanbedrijf (Zuidersma) en meubelzaak (Studio 1900) gehuisvest.

Afbeelding 8: Stoomzuivelfabriek De Kievit in Grijpskerk begon in 1888 als NV maar werd in 1955 een coöperatie.

Stoomzuivelfabriek Trijnwouden in Giekerk bij Leeuwarden werd in 1896 opgericht door een coöperatie van vijftien boeren. Ze had toen de primeur de eerste fabriek in Friesland te zijn met elektrische verlichting. In 1921 werden het ketelhuis en de machinekamer vernieuwd en het complex verder uitgebreid met een laboratorium, kaaspakhuis, waslokaal en directiekantoor. Daarnaast beschikte de coöperatie over een aantal personeelswoningen. De productie bleef gehandhaafd tot 1976 en betrof de laatste jaren vooral kaas. Na haar uitbreiding van 1921 onderging het complex nog maar weinig wijzigingen en werd vanwege dit oorspronkelijke karakter aangewezen als rijksmonument. Een bijzonderheid is de lage, vierkante watertoren naast het ketelhuis. Na restauratie kwam het complex onder de naam ‘It Fabryk’ in gebruik bij een tegelzetbedrijf (De Jong), makelaarskantoor (Duinstra Melis), meubelzaak (Oars as oars), keukenspecialist (De Keukenkamer) en opnamestudio (Hitfabryk).  

Afbeelding 9: Stoomzuivelfabriek Trynwâlden in Gytsjerk staat  nu bekend als ‘It Fabriek’ met diverse gebruikers.

Hoewel Deventer en omgeving op de eerste plaats bekend stond om zijn vleesverwerkende industrie, bracht de veeteelt er ook de zuivelsector tot bloei. In het nabijgelegen Bathmen opende in 1905 een coöperatieve zuivelfabriek die in 1938 werd uitgebreid met een kantoor, laboratorium, melkontvangst en tanklokaal. Nadat ze in de jaren vijftig was opgegaan in de coöperatie IJsseldal ging de fabriek zich volledig toeleggen op de kaasproductie en bleef dat doen tot 1985, waarvan de laatste vijftien jaar onder de Coberco-vlag. Het fabrieksgebouw biedt nu onderdak aan een autobedrijf (Van Keulen), automaterialenzaak (TPMS Direct) en kapsalon (Stijl). Op de voorgevel zijn foto’s aangebracht van het productieproces in de voormalige kaasfabriek.

Afbeelding 10: Het pakhuis van de kaasfabriek in Bathmen is nog duidelijk te herkennen aan de luiken met lamellen waarmee de vensters werden afgesloten.

De geschiedenis van de Zuivelfabriek in het Utrechtse Soest gaat terug tot 1907, maar het gebouw dat er nu nog staat dateert uit 1933 en vertoont de stijlkenmerken van de destijds populaire Amsterdamse School. Het was de lokale architect Arnold Brouwer die het ontwerp leverde voor deze verbouwing. De ‘Soester’ was als een van de weinigen in de provincie een coöperatieve zuivelfabriek, maar functioneerde in haar laatste jaren als particuliere onderneming. Sinds de vroege buitendienststelling in 1949 veranderde er weinig aan het gebouw. Dankzij het laad- en losplatform, de boterkelder, de schoorsteen en de benaming op de voorgevel is ze nog altijd goed herkenbaar als voormalige zuivelfabriek. De naastgelegen Stichtse Spoorlijn van Den Dolder naar Baarn, die overigens nooit een bijzonder grote rol gespeeld heeft in de logistiek van het bedrijf, is nog steeds in gebruik. Het gebouw doet inmiddels al weer jarenlang dienst als winkelruimte van een meubelzaak (Zoethout) en geniet de bescherming van de gemeentelijke monumentenstatus.

Afbeelding 11: De agrarische gemeente Soest telde naast ‘De Soester’ nog drie andere zuivelfabrieken.

De Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Mijdrecht, geopend in 1918 en later bekend geworden onder de naam ‘Blantema’, ligt enkele kilometers buiten de bebouwde kom van die plaats aan de Amstel, tegenover Uithoorn. De rivier speelde een belangrijke rol in de aanvoer van melk binnen dit waterrijke venengebied. Hieruit werd onder andere ingeblikte kaas geproduceerd voor de exportmarkt en ook melkleveringen aan de Vereenigde Amsterdamsche Melkinrichting (VAMI) vonden over het water plaats. Aan de zuivelproductie kwam al in 1942 een einde, waarna er nog decennialang een galvanisch bedrijf in gehuisvest is geweest. Thans is het gebouw een gemeentelijk monument en in gebruik als kantoorpand.

Afbeelding 12: Zuivelfabriek ‘Blantema’ lag ver buiten Mijdrecht in het dorpje Amstelhoek, tegenover het Noord-Hollandse Uithoorn.

Nadat er in 1893 in het Gelderse dorp Vorden een coöperatieve zuivelfabriek was opgericht, kwam er daar vier jaar later nog één bij op het naburige landgoed ‘De Wiersse’. Deze gelijknamige zuivelfabriek bleef tot begin jaren zeventig in productie en heeft sinds kort een recreatieve bestemming met een Bed & Breakfast (‘Boter’) en theetuin.

Afbeelding 13: De weinig aansprekende architectuur van zuivelfabriek ‘De Wiersse’ in Vorden wordt gecompenseerd door haar pittoreske ligging in de bosrijke omgeving van het gelijknamige landgoed.

In Noord-Brabant is het vooral het oosten van de provincie waar nog een aantal voormalige zuivelfabrieken behouden is gebleven. Stoomzuivelfabriek ‘Sint Jozef’ in Erp dateert uit 1916 en onderging uitbreidingen in 1929 en 1935. In 1955 werd de productie er beëindigd, waarna het tot 1998 dienst deed als vestiging van de Brabantse Boerenbond. Het gebouw werd daarna gerestaureerd en in gebruik genomen door een bouwer van geavanceerde race- en crossfietsen (Empella).

Afbeelding 14: Stoomzuivelfabriek ‘Sint Jozef’ in Erp heeft helaas haar schoorsteen niet kunnen behouden.

In Sint Oedenrode werd de zuivelcoöperatie genoemd naar de patroonheilige waaraan tevens het dorp zijn naam te danken heeft: Sint Oda. De fabriek die ze in 1916 liet bouwen naar ontwerp van de Eindhovense architect Louis Kooken verving een vijftal handkrachtboterfabriekjes die tot dan toe de melk verwerkt hadden. Drie jaar later was de fabriek landelijk nieuws toen de directeur op gruwelijke wijze om het leven werd gebracht bij een roofoverval door een tweetal Amsterdammers die het op de weekopbrengst van negenduizend gulden hadden voorzien. De fabriek onderging nog diverse uitbreidingen en ging in 1948 op in zuivelvereniging De Kempen, die later op haar beurt weer werd overgenomen door zuivelcoöperatie Campina. Deze organisatie beëindigde er de productie in 1979, waarna het gebouw voor hergebruik een tweedeling onderging. De voormalige productieafdeling werd een Chinees restaurant (Kam Fa), terwijl het ketelhuis en de garage een kantoorbestemming kregen (advocatenkantoor Verkuijlen). Het gebouw heeft vanwege zijn cultuurhistorische waarde en oorspronkelijke staat de rijksmonumentenstatus gekregen.

Afbeelding 15: Stoomzuivelfabriek ‘Sint Oda’ is fraai gesitueerd aan de oever van het riviertje de Dommel in het Brabantse Sint-Oedenrode.

In hetzelfde jaar (1916) gebouwd, en eveneens naar ontwerp van Louis Kooken, is de stoomzuivelfabriek Sint Pancratius in Hoogeloon. Ze bleef tot 1962 in gebruik, werd in 1979 onderverdeeld in twee woningen met winkelruimte en is sinds 2006 een rijksmonument.

Afbeelding 16: Voor het ontwerp van zuivelfabriek Sint Pancratius in Hoogeloon koos architect Louis Kooken voor een ‘petit château d’industrie’, getuige de toren en kantelen.

Zoals wel vaker hebben onze beide buurlanden hun eigen terminologie waar het gaat om de industriële sector, die in dit geval een opvallende gelijkenis vertoont. Waar de Belgen het hebben over een ‘melkerij’ spreken de Duitsers van een ‘Molkerei’. Even ten zuiden van het Belgische Lier ligt tussen het riviertje de Nete en het Netekanaal het voormalige kasteeldomein Anderstad, dat al in middeleeuwse bronnen genoemd wordt en uit die tijd nog een oude slotgracht heeft overgehouden. In 1932 werd hier een melkerij geopend door coöperatie Sint Clemens, die in 1991 opging in de INEX-groep. Deze heeft er onder de naam Bonilac nog tot 2010 babymelk geproduceerd. Enkele jaren later werd het fabrieksgebouw ingericht met loftwoningen.

Afbeelding 17: Melkerij Sint Clemens in het Belgische Lier ligt op een smalle landengte tussen het riviertje de Nete en het Netekanaal.

Net over de grens bij Emmen in het Duitse Lindern liet zuivelfabrikant Menke in 1907 een Molkerei bouwen. In 1913 kwam deze in handen van Heinrich Schute, die daarvoor terugkeerde naar zijn geboortedorp. Zijn vader had in 1876 Lindern verlaten om in Den Bosch een groothandel in lederchemicaliën op te zetten, die echter niet aan al zijn zonen bestaanszekerheid kon bieden. Heinrich breidde de melkfabriek uit met een veevoederhandel, bakkerij, zagerij en elektriciteitscentrale. Zijn zoon Franz en kleinzoon Heinrich zetten dit bedrijf voort tot 1993. Sinds 2010 is er de Bed & Breakfast ‘Alte Molkerei’ in gevestigd.

Afbeelding 18: Hoewel de fabrieksschoorsteen verdwenen is heeft de ‘Alte Molkerei’ in het Duitse Lindern dankzij haar laad- en losbordes nog een deel van haar oorspronkelijke karakter behouden.