Gilze Rijen

Gilze (2)Afbeelding 1: De voormalige ringoven van steenfabriek Hendrikx in Gilze is tegenwoordig in gebruik als tentoonstellingsruimte.

Dat de gemeente Gilze-Rijen ooit maar liefst drie steenfabrieken telde had ze te danken aan haar ligging op de geologische formatie van Kedichem, die zich vanaf de lijn Alphen-Den Hout in westelijke richting tot het riviertje De Mark uitstrekt. Deze onder-pleistocene rivierafzetting bevat fijn zand en dikke klei- en leemlagen die dicht aan de oppervlakte liggen en daardoor gemakkelijk te winnen zijn. In de archieven van de gemeente wordt al vanaf de vijftiende eeuw melding gemaakt van ‘leemcuylen’ en ‘leemputten’, dan overigens nog in verband met het gebruik van dit materiaal om er wanden van gevlochten wilgentakken mee te bestrijken. Als blijkt dat de leem zich ook goed leent voor het bakken van stenen verschijnen er veldovens, waar in alle drie kernen van de gemeente een steenfabriek uit voortkomt. In Rijen is dat in 1871 de fabriek van den Heuvel, die later beter bekend wordt onder de naam ‘De Vijf Eiken’, naar het gelijknamige etablissement dat er enkele honderden meters vandaan aan de weg naar Oosterhout ligt. Gilze kreeg haar steenfabriek in 1890, toen ondernemer Johannes Botermans zijn veldoven uit 1879 op het Weilenseind verving door een ringoven. In 1918 verkocht hij zijn fabriek aan Adrianus Hendrikx en omdat ze drie generaties lang in het bezit van diens familie bleef is die naam er nog altijd mee verbonden. Beide fabrieken werden in 1991 gesloten. De steenfabriek van Molenschot, gelegen tussen de kernen Gilze en Rijen, was een veel korter leven beschoren. De ringoven die Johannes Vissenberg daar in 1918 liet bouwen doofde al in 1936 als gevolg van een faillissement. Gilze en Molenschot hebben altijd een plattelandskarakter behouden en de steenfabrieken vormden er de enige industriële werkgelegenheid. Dankzij haar ligging aan de spoorlijn Breda-Tilburg ontwikkelde kern Rijen zich wel tot een industriedorp, waar enkele leerlooierijen uitgroeiden tot lederfabrieken. Toen deze sector na de oorlog snel begon te krimpen, kwamen hier moderne industriële bedrijven als kunststofproducent Curver en een grote vestiging van de Zweedse telefonieonderneming Ericsson voor in de plaats. Omdat alleen steenfabriek Hendrikx uit Gilze behouden is gebleven en een nieuwe bestemming heeft gekregen, zal deze reportage hier verder aan gewijd zijn.Gilze (3)Afbeelding 2: Steenfabriek De Vijf Eiken in Rijen is na sluiting in 1991 volledig gesloopt.

Naast de steenfabriek bezat ondernemer Johannes Botermans in zijn woonplaats Gilze ook nog een stoomboterfabriek, was hij mede-eigenaar van een schoenfabriek in het naburige Dongen en oprichter van een steenfabriek in het Oost-Brabantse Oeffelt. Het zakensucces stelde hem in staat om in 1898 een statig herenhuis te laten bouwen in de Gilzer Kerkstraat. De vergunning die hem in 1890 door de gemeente verleend werd gold niet alleen de oprichting van een steenbakkerij, maar ook ingebruikstelling van een zogenaamde locomobiel, een verplaatsbare stoommachine. Als voorwaarde hieraan was echter wel verbonden dat de oven voorzien moest worden van een schoorsteen van tenminste tweeëntwintig meter hoogte om aan de bezwaren van Baron van Slingerlandt tegemoet te komen. Deze eigenaar van het naastgelegen landgoed Altenae vreesde namelijk brandgevaar in zijn bossen als gevolg van sintels en vonken uit de steenoven. Binnen een jaar was de fabriek gereed en bood werk aan zo’n veertig arbeiders, waarvan tien jongens. De baksteenindustrie in Noord-Brabant had aan het einde van de negentiende eeuw een hoge vlucht genomen en Botermans profiteerde van deze gouden jaren door ook buiten de regio aan klanten te leveren. Dat betekende dat hij voor vervoer op het spoor was aangewezen en de bakstenen eerst met paard en wagen naar het station van Rijen moest brengen. Door de matige gesteldheid van de wegen waren dit tijdrovende ritten met grote inspanning voor mens en dier, zodat bij Botermans het idee ontstond om over dit traject een tramweg aan te leggen waar ook andere ondernemers gebruik van konden maken. Hoewel in deze jaren een fijnmazig net van stoomtramverbindingen werd aangelegd is Gilze hier altijd van verstoken gebleven, vermoedelijk omdat Botermans de perspectieven toch wat te optimistisch ingeschat had. Andere inspanningen om het bedrijf met de tijd te laten meegaan waren wel succesvol, zoals bijvoorbeeld de vervanging van de stoommachine door een zuiggasmotor in 1913. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had Botermans de leiding inmiddels in handen gelegd van zijn zoon Frans, die het bedrijf door deze moeilijke jaren moest loodsen. Brandstofschaarste en gebrek aan arbeidskrachten door de mobilisatie zorgden voor een kostentoename die niet door hogere baksteenprijzen terugverdiend kon worden. In 1918 namen vader en zoon dan ook het besluit om zich helemaal op de fabriek in Oeffelt te richten en die in Gilze te verkopen aan Adrianus Hendrikx uit het naburige Alphen. Het gunstige economische tijd van voor de oorlog keerde echter niet terug en Hendrikx werd in 1921 zelfs geconfronteerd met arbeidsonrust. De leemstekers legden toen gedurende drie maanden het werk neer, nadat Hendrikx niet was ingegaan op hun eis tot loonsverhoging. Het leemsteken vond plaats op gehuurde percelen grond achter de fabriek tussen de Alphensebaan en de huidige Alphenseweg.  Ze zijn vandaag de dag nog duidelijk herkenbaar omdat ze lager liggen dan de omliggende landerijen. Het was seizoenswerk dat begon in oktober en gedurende het najaar en de winter werd verricht door landarbeiders die in voorjaar en winter bij de boeren in dienst waren. Bijkomend voordeel was dat opgegraven leem zo maandenlang kon ‘rotten’ op de ‘leembult’ voordat in de lente de steenvormcampagne begon. Nadeel voor de leemstekers was echter wel dat bij strenge vorst en hevige regenval niet gewerkt kon worden en ze ook geen inkomsten hadden, aangezien ze per gestoken meter betaald kregen. De staking bleef zonder resultaat. Enerzijds omdat Hendrikx een beroep kon blijven doen op een aantal werkwilligen, alhoewel die in het heetst van de strijd wel onder politiebescherming naar de fabriek gebracht moesten worden. Anderzijds omdat ze niet ondersteund werd door de vakbond. In 1916 was er weliswaar een vakbond voor steenfabriekarbeiders opgericht, maar niemand op de fabriek in Gilze was daar lid van. Dat was op steenfabriek ‘De Vijf Eiken’ in buurdorp Rijen, waar de omvangrijke lederindustrie al decennialang voor bewustwording onder de arbeiders zorgde, wel anders en de lonen lagen er dan ook aanzienlijk hoger dan in Gilze. Pas in 1930 was het daar ook zover, al zouden de verhoudingen er altijd patriarchaler blijven. Dit manifesteerde zich onder andere in lange dienstverbanden, tot enkele gouden arbeidsjubilea aan toe, en families die generaties lang op de fabriek werkte, hetgeen er bij de familie Gerrits maar liefst vijf waren.Gilze Rijen - Steenfabriek Hendrikx (3)Afbeelding 3: Het ringovengebouw van steenfabriek Hendrikx na restauratie en herbestemming.

Gedurende de oorlogsjaren lag de fabriek grotendeels stil omdat ze geen brandstof kreeg toegewezen en er op 1 juni 1942 een algehele bouwstop in Nederland was afgekondigd. Reeds in 1945 kon de oven echter al weer worden ontstoken, nadat de schoorsteen, die tijdens de geallieerde opmars van oktober 1944 door de Duitsers was opgeblazen, provisorisch hersteld was. Nadat er in het kader van de wederopbouw tien jaar lang grote volumes baksteen geproduceerd waren bleek medio jaren vijftig dat de fabriek volledig op was en een grondige modernisering nodig had. De oven kreeg een nieuwe overkapping, nieuwe loodsen werden gebouwen en de installatie van een zware voormaler en menger betekende een sterke verbetering van het baksteenvormproces. Begin jaren zestig volgde de introductie van een volledig gemechaniseerde steenpersinstallatie en tien jaar later maakte de ingebruikstelling van een steendroogruimte een einde aan het drogen van de bakstenen in de buitenlucht, wat altijd een tijdrovend en arbeidsintensief proces was geweest. De vormelingen waren nu binnen vier dagen scheurvrij droog en klaar om gebakken te worden, wat voorheen wekenlang kon duren.  Bedroeg de weekproductie van een handwerkploeg ooit tienduizend stuks en was deze dankzij machinaal vormen opgevoerd tot veertigduizend, in de jaren tachtig bracht het gecontroleerde droogproces dit aantal op honderdvijfenzeventigduizend. Ondanks deze moderniseringen zag kleinzoon Anton Hendrikx zich in 1991 toch gedwongen om de fabriek te sluiten. Niet alleen was het moeilijk concurreren met de grotere steenfabrieken in de rivierengebieden, ook was de baksteen met nostalgische uitstraling die in Gilze gebakken werd uit de mode geraakt. Er bestond hoofdzakelijke nog vraag naar egaal gebakken stenen, terwijl een kolengestookte ringoven altijd wel wat sintels in het oppervlak van de steen achter laat. Na jaren van leegstand en verval kocht architect Piet Vermeer het complex in 2004 en slaagde hij er in om de herontwikkeling rond te krijgen. De financiële drager voor het project was, naast de nieuwe woon- en werkfunctie voor de steenoven zelf, de realisatie van negentien woningen. Deze hebben de plaats ingenomen van de voormalige droogkamer en haaghutten en zijn qua vormgeving en volume geënt op de structuur van de oorspronkelijke bebouwing. De nieuwe bewoners van de steenfabriek zijn vooral ouderen, afkomstig uit het dorp. De schoorsteen werd gerestaureerd, de ringoven voorzien van een glazen pui en een nieuw dak. In het ringovengebouw zijn de oorspronkelijke elementen zo veel mogelijk bewaard. Architect Vermeer is er zelf gaan wonen en heeft er tevens zijn bureau gevestigd. Daarnaast is er ruimte voor exposities en lezingen.