Verviers

Het zachte water van de Vesder, te danken aan haar brongebied in de Hoge Venen, bracht al vroeg een wolnijverheid tot stand in Verviers. In de middeleeuwen leverden schaapskuddes uit de omgeving nog de wol voor de lakense stoffen, maar vanaf de zeventiende eeuw ging men voor een betere kwaliteit over tot import van met name Merinowol uit Spanje. Een bekende naam die teruggaat tot die tijd is Simonis, tot op de dag van vandaag nog een bekend merk biljartlaken. In 1680 zette lakenhandelaar Guillaume Henri Simonis in Verviers een manufactuur op om voor dit nieuwe gezelschapsspel wollenstof van hoge kwaliteit te laten vervaardigen. Zijn nazaten Jaques Joseph en  Iwan zetten de onderneming in de daaropvolgende eeuw voort. Laatstgenoemde kwam in contact met de Engelse ingenieur William Cockerill die ondanks een verbod toch actief was op het continent om textielondernemers te interesseren voor de spinmachine, de zogenaamde Spinning Jenny, die de lakenproductie in zijn thuisland op voorsprong had gezet. Deze bouwde in 1797 het eerste exemplaar buiten Engeland op in Simonis’ bedrijfspand ‘Au Chat’ dat daarmee als de eerste fabriek op het Europese vasteland beschouwd kan worden.  Het imposante gebouwd aan de Rue de Limbourg bleef behouden en werd begin deze eeuw ingericht met sociale woningen.Maison Simonis Verviers (7-8-2012)Afbeelding 1: De voormalige manufactuur ‘Au Chat’ is vandaag de dag een wooncomplex onder de naam ‘Maison Simonis’. 

Cockerill zette zijn activiteiten voort in Seraing nabij Luik waar hij samen met zijn zoons John en James, gesteund door koning Willem I der Nederlanden, een industrieel imperium opbouwde dat naast hoogovens, gieterijen en smederijen bestond uit fabrieken voor de bouw van stoommachines, textielmachines, locomotieven en spoorwegmaterieel. Dankzij dit geïntegreerde complex aan de Maas was de nieuwe staat België die in 1831 ontstond na Engeland de tweede industrienatie. De textielfabrikanten in Verviers werden belangrijke klanten van Cockerill, die vanaf 1841 hun spin- en weefmachines via de nieuwe spoorlijn tussen Luik en Aken aangeleverd kregen. Maar ook in Verviers zelf ontstond een toeleveringsindustrie voor de wollenstoffenfabrikanten zoals de weefmachinebouwer Snoeck en producent van aandrijfriemen Houben. Uit de eeuwenlange ervaring die men had met het wassen van wol kwam een machine voort bestaande uit zes achtereenvolgende baden die dit proces volledig mechaniseerde en de bijnaam ‘Leviathan’ kreeg, omdat deze tijdens productie wel enigszins op een bewegende slang leek. De waterbehoefte nam hierdoor zo sterk toe dat het debiet van de Vesder niet meer volstond en er een stuwdam in het riviertje La Gileppe werd aangelegd om een extra waterreservoir te creëren. Het stuwmeer kwam in 1878 gereed en had een inhoud van twaalf miljoen kubieke meter. Het verhaal van deze bloeitijd, die tot aan de Tweede Wereldoorlog duurde en waarin Verviers zich kon meten met buitenlandse wollenstoffencentra als Roubaix, Mönchengladbach, Leeds en Bradford, wordt tegenwoordig aanschouwelijk gemaakt in het ‘Centre Touristique de la Laine’. Het museum is gevestigd in Usine Bettonville, een manufactuur die lakenhandelaar Pierre Henri de Thier tussen 1804 en 1806 liet bouwen en naast een fabrieksgedeelte, waarin tot 1971 wollenstoffen zijn geproduceerd, ook bestond uit een imposant herenhuis.Musee de la Laine Verviers 1 (7-8-2012)Afbeelding 2: Het ‘Centre Touristique de la Laine’ is gevestigd in de voormalige fabriek van de Thiers en bestaat onder andere uit een museum over de geschiedenis van de wolverwerking in Verviers.

Een andere succesvolle lakenfabrikant was Jean Henri Peltzer die in 1785 uit het Duitse Stolberg naar Verviers kwam om er de onderneming Peltzer & Fils op te zetten, met in de negentiende eeuw reeds filialen in onder andere Polen en Argentinië. Uit laatstgenoemd land kwam via de haven van Antwerpen wol in nog grotere hoeveelheden en van nog betere kwaliteit dan in Europa te krijgen was. En als dat nog niet naar wens was dan werd het door de wolhandelaren van Verviers, ook wel ‘Marchands de Ploquettes’ genoemd, uit Nieuw Zeeland of Australië aangevoerd. Voor de tijdelijke opslag van deze wolbalen en de geweven eindproducten verrees bij het station Verviers Leopold (een kopstation dat na de opening van het huidige Verviers Central als Verviers West werd aangeduid en toen als goederenstation ging dienen) een entrepotgebouw dat sinds 2009 een nieuwe bestemming heeft als hotel van de Van der Valk Groep.verviers013 (1)Afbeelding 3: De v/d Valk Groep liet het goederenstation van Verviers ombouwen tot een hotel.

Het zijn dit soort initiatieven die Verviers hard nodig heeft om de neergang die op het einde van de textielindustrie volgde te doen keren, hoewel de stad wat dat betreft nog een lange weg te gaan heeft. Veel meer dan het andere textielcentrum van België, katoenindustriestad Gent, was in Verviers sprake van een zeer éénzijdige oriëntatie op de wollenstoffenindustrie die samen met de excentrische ligging van de stad tot gevolg had dat er maar weinig economisch toekomstperspectief restte. Toerisme is in dat geval een voor de hand liggend alternatief, waarbij kan worden teruggegrepen op het textielverleden. Het grensoverschrijdende karakter van deze industrie wordt benadrukt door de ‘Route de la Laine’ waarin naast Verviers ook Eupen, Vaals, Aken, Monschau en Euskirchen zijn opgenomen.