Delft

Delft (1)Afbeelding 1: Luchtopname uit de jaren zestig met de Gist & Spiritusfabriek (A), Penicillinefabriek (B), Calvéfabriek (C) en Agnetapark (D). Herkenbaar zijn het hoofdkantoor (1), taplokaal (2), laboratorium (3), de Delftsche Vliet (4) en de spoorlijn Rotterdam-Den Haag (5).

Tegenwoordig pronkt Delft graag met haar monumentale binnenstad en Technische Universiteit, maar gedurende ruim een eeuw was het toch vooral een industriestad. Aan walmende schoorstenen van aardewerkmanufacturen en bierbrouwerijen waren de Delftenaren in de 17e en 18e eeuw al gewend geraakt en de kruitramp van 1654 had hen geleerd dat gevaarlijke stoffen beter buiten de stad opgeslagen konden worden. Het was echter Jacob Cornelis – J.C.- van Marken die eind 19e eeuw een drietal fabrieken liet bouwen en met de aanleg van een arbeidersdorp in parkachtige omgeving niet alleen in economisch maar ook in een sociaal opzicht een stempel op de stad drukte. Aan het Agnetapark wordt in de rubriek ‘Fabrieksdorpen’ aandacht besteed. De fabrieken zijn in deze rubriek het beste op hun plaats, hoewel bij het chemische karakter wel een kanttekening te plaatsen valt. Met grondstoffen uit de landbouwsector (maïs, noten en beenderen) en ingrediënten voor voedingsmiddelen als eindproduct (gist, olie en gelatine) zou men de drie bedrijven vandaag de dag tot de agro-industrie rekenen. Indertijd werd chemie echter nog veel meer geassocieerd met scheidingsprocessen als destillatie en extractie (scheikunde) en zou het synthetische karakter pas in de 20e eeuw gaan overheersen. In die eeuw werden de andere producten die de Delftse fabrieken voortbrachten – spiritus, lijm en penicilline – sowieso het typische domein van de chemische industrie. Het grote publiek had de complexen met hun pijpenbundels, kolommen en schoorstenen die penetrante geuren en stank verspreidden en af en toe door brand geteisterd werden altijd al met chemische industrie geassocieerd. Hoewel maar één van deze fabrieken een nieuwe bestemming heeft gekregen, zullen ze hier alle drie behandeld worden vanwege hun gemeenschappelijke grondlegger.Delft (4)Afbeelding 2: Het voormalige hoofdkantoor van de N.G.&S.F. uit 1907, nu een Rijksmonument.

Aanvankelijk was het J.C. van Marken enkel te doen om de productie van bakkersgist. Dat was tot dan toe als restproduct geleverd door branderijen en brouwerijen, maar door de opkomst van de broodfabrieken ontstond er omstreeks 1860 behoefte aan grotere hoeveelheden gist van betere kwaliteit. Het productieproces bleef in principe hetzelfde omdat nog steeds werd uitgegaan van een beslag op basis van zetmeel (uit graan) dat door gist werd omgezet in alcohol (fermentatie), maar nu primair om de gist te vermenigvuldigen. Daartoe beschikte de fabriek over een laboratorium om geschikte giststammen te selecteren en op te kweken tot een zogenaamde moedergist. In plaats van gerst of tarwe koos men voor maïs als ‘voeding’ en voerde men gezuiverde lucht toe aan het proces om verontreiniging van de moedergist met gistcellen uit de omgeving te voorkomen. Het was overigens ook in deze periode dat in de industriële bierbrouwerijen een bewustzijn begon te ontstaan over het belang van zuiver gist voor een constante bierkwaliteit. Na de fermentatie onderging de ‘wort’ door middel van centrifuge een scheiding in gist en ‘spoeling’, dat als veevoer afzet vond in de agrarische sector. De gist kon zowel in ‘natte’ als ‘droge’ vorm (zogenaamde blokgist, d.m.v. persing) geleverd worden aan de klanten. Doormiddel van kolomdestillatie produceerde men de alcohol in hoge zuiverheid, hetgeen men destijds als ‘spiritus’ aanduidde (een mengsel van 96% alcohol en 4% water, hoger is via deze weg fysisch niet haalbaar). De naam van het bedrijf dat in 1869 met dit proces van start ging, de Nederlandsche Gist- en Spiritus Fabriek (N.G.&S.F.), liet aan duidelijkheid niets te wensen over.Delft (3)Afbeelding 3: Taplokaal (voorgrond) en laboratoriumgebouw (achtergrond) staan beiden op de gemeentelijke monumentenlijst.

De keuze voor Delft zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met de Polytechnische School die er gevestigd was en waar Van Marken zelf ook opgeleid was, maar eveneens met de nabijheid van kapitaalkrachtige afzetmarkt als Den Haag en de beschikbaarheid van voldoende arbeiders. De grote steden hielden dit type industrie met haar brandgevaar en stankoverlast toen al liever buiten de deur en wat Weesp en Schiedam met hun jeneverstokerijen voor Amsterdam en Rotterdam waren, werd Delft nu min of meer voor Den Haag. Met haar ligging aan de noordzijde van de stad  tussen de spoorlijn in het westen en het vaarwater van Rijn-Schiekanaal in het oosten beschikte de fabriek over goede verbindingen voor aan- en afvoer. Dit stelde haar al vroeg in staat om ook grondstoffen uit het buitenland te betrekken en producten te exporteren. Ter stimulering van de verkoop maakte het bedrijf reclame onder de merknamen ‘Koningsgist’ en ‘Maison Neuve’:  de geparfumeerde alcohol waarmee Van Markens echtgenote Agneta Matthes zelfs internationaal in de prijzen viel.  Na een moeizame aanloopperiode en een verwoestende brand (1878), volgde een periode van expansie waarin een mouterij (1879), proeffabriek (1882) en een spoelingdrogerij (1890) werden bijgebouwd. Met laatstgenoemde voorziening kon de houdbaarheid van het veevoer worden verlengd, zodat dit eveneens voor export in aanmerking kwam. Ook de houdbaarheid van de gist, doormiddel van koeling, had de voortdurende aandacht van de onderzoeksafdeling, teneinde ook in de zomermaanden te kunnen exporteren. Een jaar na het overlijden van J.C. van Marken (1906) kwam een nieuw hoofdkantoor gereed, dat tegenwoordig de rijksmonumentenstatus heeft. Van hieruit kwamen in de daaropvolgende decennia diverse overnames, deelnemingen en kartels tot stand, vooral op het gebied van distilleerderijen en branderijen. Buitenlandse vestigingen werden geopend in België (1897), Duitsland (1926) en Portugal (1930) en het productenpakket uitgebreid met oplosmiddelen voor de verfindustrie en narcose-ether voor medisch gebruik. Na de oorlog ontwikkelde het bedrijf zich verder op farmaceutisch gebied door penicilline te gaan produceren, een antibioticum dat door schimmels wordt afgescheiden. Zo tekende zich langzaam een nieuw vakgebied af waarin chemische omzettingen in micro-organismen plaatsvinden: de biotechnologie. Ondertussen had het bedrijf het predicaat ‘Koninklijk’ ontvangen (1950) en haar fabrieksterrein uitgebreid aan de andere zijde van de spoorlijn (ten noorden van het Agnetapark). Na fusie met het farmaceutische bedrijf Brocades in 1968 stond de onderneming dertig jaar bekend onder de naam Koninklijke Gist Brocades, tot het in 1998 overgenomen werd door DSM. Sindsdien heeft dit chemiebedrijf het complex omgebouwd tot een Biotech Campus voor onderzoek en een proeffabriek voor opschalingsdoeleinden. Naast antibiotica gaat het daarbij ook om ingrediënten voor voedingsmiddelen. Op het oorspronkelijke terrein aan de oostzijde van het spoor wordt nog altijd gist geproduceerd in gebouwen van uiteenlopende ouderdom. Het betreft de oude elektriciteitscentrale (1908), grondstoffenloods (1938), fabriek ‘C’ (1928), taplokaal (1880) en laboratorium (1929) die op de gemeentelijke monumentenlijst zijn geplaatst.Delft (2)Afbeelding 4: Reclameaffiche dat Jan Toorop ontwierp voor de Nederlandsche Olie Fabrieken.  

Van de oliefabriek van Calvé, gelegen pal te noorden van de Gist- en Spiritusfabriek, is na de sluiting in 2008 niets meer behouden gebleven. De Nederlandsche Olie Fabrieken (NOF) werden in 1883 opgericht door J.C. van Marken en zijn compagnon J.R. Tutein Nolthenius om olie te produceren uit aardnoten voor de groeiende margarine-industrie. Margarine was kort daarvoor in Frankrijk ontwikkeld als surrogaat voor boter, maar is daar nooit een succes geworden. Dat was wel het geval in Nederland, waar tal van ondernemers zich gingen toeleggen op de productie van deze ‘kunstboter’ en de activiteiten van de fabrikanten Jurgens & Van den Bergh uit Oss op dit gebied zouden de basis gaan vormen van het latere Unilever-concern. Het nieuwe bedrijf van Van Marken voor de vervaardiging van fijne olie, moest een aparte plaats gaan innemen naast de al bestaande Nederlandse olie-industrie van kleine bedrijfjes die alleen lijn- en raapzaad verwerkten. De margarineproducenten zagen aanvankelijk weinig in de arachideolie en de boeren waren evenmin geïnteresseerd in de veekoeken die uit het restproduct geperst werden. Een felle brand in 1884 leek dan ook een voortijdig einde te maken aan dit initiatief. Na de wederopbouw begonnen de zaken echter voorspoediger te verlopen dankzij de stormachtige ontwikkeling die de margarine-industrie doormaakte. Toen de arachideolie rond de eeuwwisseling concurrentie kreeg van goedkopere oliën fuseerde de NOF met de Franse branchegenoot Calvé uit Bordeaux tot de ‘Fransch-Hollandsche Oliefabrieken Nouveaux Etablissements Calvé-Delft’ (1897). Het fabriekscomplex onderging een uitbreiding met een haven en een veertig meter hoog silogebouw. Daarnaast ging men ook slaolie voor gebruik in de keuken produceren. Met reclamecampagnes werd deze op de consumentenmarkt onder de aandacht gebracht en het affiche dat kunstenaar Jan Toorop hiervoor ontwierp in de toen populaire Jugendstil genoot zoveel bekendheid dat men ook wel ging spreken van ‘Slaolie-stijl’. Andere reclame-uitingen betroffen receptenboeken en huishoudartikelen voorzien van het NOF-logo. Ondanks de verslechterde marktomstandigheden voerde de bedrijfsleiding in de jaren ’20 en ’30 moderniseringen door, zoals de bouw van een raffinaderij, perserij voor veekoeken en hardingsfabriek voor de productie van verzadigde vetten. Na overname door de Margarine-Unie (voorloper van Unilever) in 1928 bleef het een houdstermaatschappij binnen dit bedrijf. Het snel toenemen van de welvaart na WOII vormde voor het bedrijf aanleiding om naast slaolie ook andere consumentenproducten te gaan maken zoals mayonaise, tomatenketchup, margarine en ……..pindakaas. Calvé-Delft ontwikkelde zich zo meer en meer van oliebedrijf tot levensmiddelenconcern en is tegenwoordig bij het grote publiek ook niet anders bekend. Niettemin zijn naast de merknaam Calvé ook nog de letters NOF terug te vinden op de etiketten van deze artikelen.Delft (6)Afbeelding 5: De Lijm & Gelatinefabriek, gezien vanaf de Rotterdamseweg.

Deden de Delftenaren al regelmatig hun beklag over de stankoverlast van de N.G.&S.F. en de NOF, deze werd verre overtroffen door derde fabriek van J.C. van Marken: de Lijm & Gelatinefabriek. Dit had alles te maken met de gebruikte grondstof, die hoofdzakelijk uit kadavers van slachthuizen bestond. Al eeuwenlang werd uit dit afval meststof (beendermeel), kleurstof (beenderzwart) en kleefstof (beenderlijm) vervaardigd en in 1885 besloot Van Marken laatstgenoemd product op industriële schaal te gaan fabriceren. Daarbij had hij zijn oog laten vallen op een terrein aan de zuidkant van de stad tussen de Rotterdamseweg en de Schie. Protesten van burgers, boeren en branderijen – die het water uit de Schie ook toen nog benutten voor jeneverproductie – konden niet verhinderen dat een jaar later vergunning werd verleend en de bouw van start kon gaan. Zoals gevreesd bleef de overlast inderdaad niet alleen beperkt tot ondraaglijke stank, maar belandde er ook veel afvalwater in de Schie. Van gelatineproductie was pas sprake vanaf 1911. Hiertoe werd het eiwithoudende collageen uit huiden en kraakbeen gewonnen door het in zuurhoudende baden op te lossen (hydrolyse) en vervolgens te filtreren, in te dikken en te laten drogen. Het vond toepassing in snoep, bakkerijproducten, geneesmiddelen, cosmetica en fotopapier. Niet alleen overlast, maar ook arbeidsonrust bracht de fabriek regelmatig negatief in het nieuws, waarbij de ongeregeldheden die in 1926 volgden op het ontslag van veertig medewerkers het dieptepunt vormden. De malaise hield tot diep in de jaren dertig aan en het bedrijf ging langs de rand van de afgrond. Uiteindelijk heeft de onderneming het toch tot in de eenentwintigste eeuw weten vol te houden, zij het dat de lijmproductie al in 1968 beëindigd was door de opkomst van synthetische varianten. De bedrijfsnaam veranderde hierdoor in ‘Delft Gelatin BV’. Door technische aanpassingen was de ergste stankoverlast en milieuvervuiling toen inmiddels voorbij, al bracht de explosie met brand die in 1971 aan drie medewerkers het leven kostte wederom veel negatieve publiciteit. Toen in 2002 de runderziekte BSE, ook wel ‘gekkekoeienziekte’ genoemd, in verband werd gebracht met de dodelijke aandoening Creutzfeld-Jacob bij mensen, betekende dit de nekslag voor het bedrijf. Na een periode van leegstand ontstond er een initiatief om onder de naam Lijm & Cultuur het complex een tweede leven te geven. Het biedt tegenwoordig ruimte aan congressen, symposia, trainingen, experimentele projecten, workshops, exposities, lezingen, theatervoorstellingen, muziekuitvoeringen, festivals en feesten van uiteenlopende aard. Rode draad daarbij is dat de bezoekers, professionals en amateurs er inspiratie en geestdrift uit moeten kunnen putten.Delft (5)Afbeelding 6: Binnen Lijm & Cultuur heeft het voormalige ketelhuis de toepasselijke naam ‘Boiler’ gekregen,