Rhondda Valley

Rhondda Valley (1)Afbeelding 1: De Lewis Merthyr Collier sloot haar poorten in 1983 en heeft sindsdien als Rhondda Heritage Park een museale functie.

Nergens in Europa vond steenkolenwinning op een grotere schaal plaats dan in het Verenigd Koninkrijk en het is dan ook niet voor niets dat daar de industriële revolutie haar oorsprong had. Het drukte een zwaar stempel op gebieden als Yorkshire, Northumberland, Lancashire, Cumbria en de Scottish Central Belt. Maar misschien nog wel het sterkst getekend door deze periode is South Wales, waar de kwaliteit van de steenkool in de bodem het hoogst was en zich daarom goed leende voor industrieel gebruik, zoals de productie van tin in Cornwall, koper in Swansea en staal in Port Talbot. Ligging aan de Bristol Channel was ideaal voor de export en uiteraard werden ook de schepen die het daarheen brachten gestookt op steenkool. Het transport vanaf de mijnen naar de havens vormde aanvankelijk het grootste obstakel, vanwege de heuvelachtige terreingesteldheid met zijn diep ingesneden dalen. De opkomst van de spoorwegen brachten hier echter snel verandering in en binnen enkele decennia liepen er tientallen lijnen door deze ‘valleys’, waarover goederentreinen de steenkool van talloze mijnen afvoerden. Personenvervoer over deze spoorlijnen vond er nauwelijks plaats, omdat het leven van de mijnwerker en zijn familie zich nu eenmaal rondom de schacht afspeelde en er geld noch behoefte was om elders heen te gaan. Deze gemeenschappen kenmerkten zich dan ook door een groot isolement en het gebied dat centraal staat in deze reportage, de Rhondda Valley, is daar min of meer symbool voor komen te staan. Dat hun levensomstandigheden ook tot ver over de grenzen bekendheid kregen is te danken aan de roman ‘How green was my valley’ van Richard Llewellyn uit 1939, die al twee jaar later in Amerika verfilmd werd door John Ford. Met vijf oscars versloeg deze bioscoophit ‘Citizen Kane’ en ‘The Maltese Falcon’, hoewel die twee films tegenwoordig beter in het collectieve geheugen verankerd zijn gebleven dan de lotgevallen van de mijnwerkersfamilie Morgan in de Gilfach Goch, het dorpje in de Rhondda Valley waar Llewellyn zich door heeft laten inspireren. Natuurlijk verwijst de titel naar de mijnsteenbergen en het kolenstof die de valleien van dit landelijke, bosrijke gebied destijds zwart deden kleuren. Wie er nu echter komt zal het opvallen hoe groen de dalen ruim een halve eeuw na de mijnsluitingen weer geworden zijn en vaststellen dat menig bewoner vandaag de dag juist met weemoed terugkijkt op de hoogtijdagen van de steenkoolwinning.Rhondda Valley (2)Afbeelding 2: Een dramatische scène uit de speelfilm ‘How green was my valley’.

In feite zijn het twee rivierdalen die samen de streek Rhonda Valley vormen: de brede Rhondda Fawr Valley en de smalle Rhondda Fach Valley. Beide bovenstromen van de Rhondda komen in Porth samen. Het is deze plaats die toegang geeft tot het gebied en daaraan ook zijn naam ontleent (afgeleid van het Latijnse ‘porta’). Aan de vooravond van de mijnbouw-‘boom’ telde de streek honderdzestig boerderijen, waar hoofdzakelijk veeteelt werd bedreven omdat de nauwe dalen niet geschikt waren voor akkerbouw. Gedurende de voorafgaande eeuwen waren velen daarvan al in handen gekomen van grootgrondbezitters die elders woonden (zogenaamde ‘absentee landlords’), zoals de markies van Bute. Mede hierdoor kon de industrialisatie van de mijnbouw zich vanaf 1840 snel voltrekken. De eerste vermeldingen van steenkolenwinning dateren weliswaar al uit het begin van de zeventiende eeuw, maar destijds betrof het nog dagbouw en beperkte het gebruik zich hoofdzakelijk tot de hoogoven van Pontygwaith. Dat veranderde toen Walter Coffin in 1812 met schachtbouw begon in Dinas. De steenkool uit deze Dinas Lower Colliery moest nog met pakpaarden afgevoerd worden naar Pontypridd, om daar in schepen te worden overgeladen voor verder transport over het Glamorganshire Canal naar de haven van Cardiff.  Deze was grotendeels in handen van de al eerder genoemde Marquess of Bute, die in 1851 in Treherberth ook zijn eigen mijnbouwbedrijf begon: de Bute Merthyr Colliery. Toen deze vier jaar later in productie werd genomen was het de eerste steenkolenmijn in de Rhondda Valley waar stoomkracht werd toegepast om het water uit de schachten te pompen.

Mijndirecteur Walter Coffin, tevens grootaandeelhouder in de Taff Vale Railway (TVR), liet deze spoorlijn in 1836 vanaf Pontypridd verlengen tot Dinas, zodat vijf jaar later de eerste steenkool per trein naar de haven van Cardiff kon worden vervoerd. In 1849 was deze spoorlijn door de Rhondda Fach Valley helemaal doorgetrokken tot Treherberth en in 1856 door de Rhondda Fawr Valley tot Maerdy. Daarmee was de hele Rhondda Valley verbonden met Cardiff en kon de grootschalige steenkolenwinning van start gaan. Het monopolie van de TVR was de mijneigenaren echter een doorn in het oog, maar een echt alternatief liet nog lang op zich wachten. Dat kwam er pas in 1895 met de opening van de Rhondda & Swansea Bay Railway (R&SBR). De aanleg van deze spoorlijn tussen de Prince of Wales Docks in Swansea en Threherberth duurde maar liefst tien jaar vanwege de aanleg van een drie kilometer lange tunnel om de Afan Valley en Rhondda Valley met elkaar te verbinden. Feitelijk eindigde deze lijn in Port Talbot, waar aansluiting was op de Great Western Railway (GWR) naar Swansea. Een eigen verlenging naar Swansea van de R&SBR kwam er pas in 1899. Twee andere alternatieven om de lijn van de TVR naar Cardiff te omzeilen, namelijk spoorlijnen naar de Ely Tidal Harbour (EVR) en de Barry Docks (BR), zijn er nooit in geslaagd om veel steenkool uit de Rhondda Valley te transporteren.Rhondda Valley (3)Afbeelding 3: Overzichtskaart uit 1913 van de steenkolenmijnen in de Rhondda Fach en –Fawr Valleys met resp. Blaenrhonda en Maerdy 3 & 4 als meest noordelijke bedrijven. Ook de lijnen van de vier spoorwegmaatschappijen die er actief waren zijn aangegeven.

In de jaren zestig en –zeventig werden er maar liefst twintig steenkolenmijnen gedolven in de Rhondda Valley. Het grootste deel daarvan in de Rhondda Fach was in handen van David Davis, terwijl in de Rhondda Fawr David Davies de belangrijkste mijnbouwondernemer was. Ze waren geen familie van elkaar en het is puur toeval dat twee gelijknamige industriëlen in hetzelfde gebied actief waren, hoewel de naam David in Wales veel voorkomt aangezien het de patroonheilige is, met de St Davids Cathedral als het spirituele centrum. David Davis was niet alleen ondernemer maar hield zich als politicus daarnaast bezig met thema’s als onderwijs en gezondheid. Ook David Davies deed aan politiek, maar dan vooral als spreekbuis van de methodistenbeweging en belangenbehartiger van eigen zijn spoor- en havenprojecten, waarvan de Barry Docks het meest omvangrijk was. Gedurende deze periode begon de steenkolenwinning in Rhondda Valley die van Aberdare, het mijnbouwgebied in oostelijk gelegen dal van de Cynon River, te overstijgen en die groei bleef aanhouden tot het recordjaar 1913, toen er bijna tien miljoen ton bovengronds werd gebracht. In 1893 waren er al vijfenzeventig mijnondernemingen actief, een aantal dat daarna weliswaar spoedig zou gaan afnemen door de opkomst van de ‘limited liability companies’ (naamloze vennootschappen) die veel kleine bedrijven opkochten. Ze kwamen over het algemeen voort uit reeds bestaande familiebedrijven, zoals ‘Davies’s Ocean Coal Company’ en ‘David Davis & Sons’.

Halverwege de negentiende eeuw woonden er nog maar amper duizend mensen in de Rhondda Valley, een aantal dat in de zeventig jaren die daarop volgden opliep tot meer dan honderdzestigduizend. Aanvankelijk was de meerderheid van hen nog afkomstig uit andere regio’s van Wales, maar naarmate het spoorwegnetwerk zich verder ontwikkelde kwamen ze uit het gehele zuidwesten van het Verenigd Koninkrijk. Vooral de arbeiders uit de loodmijnen en leisteengroeven van Noord-Wales waren zeer welkom omdat ze gewend waren om hard te werken onder primitieve en gevaarlijke omstandigheden. Een bijzondere groep nieuwkomers waren de immigranten uit de Noord-Italiaanse stad Bardi. Naast het ondergrondse werk kozen opvallend velen van hen voor een bestaan als middenstander in cafetaria’s, ijssalons en fish-en-chipswinkels. Deze zaken kwamen bekend te staan als ‘bracchi’s’, vermoedelijk omdat een zekere Angelo Bracchi in de jaren negentig als eerste Italiaan een café opende in Rhondda. Een aantal van deze ondernemingen bestaat tot op de dag van vandaag en zijn een begrip geworden in de wijde omgeving. Andere ontmoetingspunten voor de mijnwerkersbevolking waren de kapellen van de verschillende geloofsgemeenschappen in Rhondda (methodisten, non-conformisten, doopsgezinden, anglicanen en presbyteranen) en de zaaltjes waarin de koorzang plaatsvond die in geheel Zuid-Wales nog altijd van een uitzonderlijk hoog niveau is.Rhondda Valley (4)Afbeelding 4: Prent van de brand die volgde op de mijngasexplosie in de Dinas Middle Colliery van 13 januari 1879, waarbij drieënzestig mijnwerkers om het leven kwamen.

De gemeenschapszin in Rhondda Vallley manifesteerde zich niet alleen in kerk en koor maar ook als het door een ongeval of arbeidsonrust mis ging in of rond de mijn. Wat het eerste betreft was de mijnramp van Ferndale in 1867, waarbij honderdachtenzeventig doden te betreuren waren, de zwaarste. In totaal vielen er bij twintig mijnrampen tussen 1844 en 1965 bijna duizend dodelijke slachtoffers. Een explosie van mijngas of mijnstof was in de meeste gevallen de oorzaak, omdat de ventilatie van schachten en gangen onvoldoende aandacht kreeg. Hoeveel indruk deze grootschalige ongevallen ook maakten, daarbij moet niet worden vergeten dat bij de dagelijkse ongelukken opgeteld bijna vier keer zoveel mijnwerkers hun leven verloren. Opmerkelijk genoeg vormden de gevaarlijke werkomstandigheden in de mijnen geen reden tot arbeidsonrust en vonden stakingen zonder uitzondering hun aanleiding in loonconflicten. Door de geïsoleerde ligging van het mijnbouwgebied kwam de organisatie van de mijnwerkers in Zuid-Wales pas laat op gang. De grote mijnstaking van 1898 was op een nederlaag uitgelopen omdat de ondernemers hun uitsluiting (lock-out) zes maanden volhielden en daarmee de mijnwerkers op de knieën kregen. Om dit niet nog een keer te laten gebeuren kwam het datzelfde jaar nog tot de oprichting van de South Wales Miner’s Federation, die al snel een militant karakter kreeg, niet in de laatste plaats door de leden uit de Rhondda Valley.

De volgende krachtmeting deed zich voor in 1910 toen een staking uitliep op de ‘Tonypandy Riots’, ook wel bekend als de ‘Rhondda Riots’. Nu was het juist een lock-out, namelijk die van de bijna duizend mijnwerkers van de Ely Pit, die een staking tot gevolg had, waaraan twaalfduizend man deelnam. De mijnbouwbedrijven lieten stakingsbrekers van elders aanrukken, waarop de stakers weer antwoordden door de toegangspoorten te blokkeren, ook wel aangeduid als ‘picketting’. Bij de Llwynypia Colliery slaagde de politie er echter in om zo’n blokkade te breken en de stakers terug te drijven tot het marktplein van het nabijgelegen mijnwerkersdorpje Tonypandy. Nadat ze daar uit frustratie winkels waren gaan plunderen grepen honderden opgetrommelde politieagenten, versterkt door huzaren en fuseliers, hardhandig in. In de veldslag die volgde raakten tachtig politiemannen en vierhonderd stakers gewond, terwijl er verrassend genoeg maar één dode viel. De inzet van legereenheden was een besluit van de toenmalige minister van binnenlandse zaken (Home Secretary) Winston Churchill en ze bleven daarna nog maandenlang in de Rhondda Valley om te assisteren bij het handhaven van de orde. Dit zette kwaad bloed bij de stakers, omdat op deze manier in hun ogen de regering de zijde van de mijnondernemers koos. Deze wonnen het conflict, omdat in september 1911 de mijnwerkers na tien maanden van staking weer aan het werk gingen voor de ‘two shilling, three penny per ton (gedolven steenkool)’ waar ze tegen gestreden hadden. De verbittering in Rhondda Valley was groot en Winston Churchill liet er zich gedurende zijn lange politieke carrière die nog zou volgen dan ook niet meer zien. Toen hij zich in 1950 dan toch in Cardiff waagde voor een verkiezingsbijeenkomst kon hij er echter niet om heen enige woorden te wijden aan de gebeurtenissen van veertig jaar daarvoor. Daarin benadrukte hij hoe bevreesd hij destijds was dat de soldaten wellicht zouden gaan schieten op de menigte en dat hij altijd sympathie had gekoesterd voor de mijnwerkers.Rhondda Valley (5)Afbeelding 5: Gesneuvelde winkelruiten na afloop van de ‘Tonypandy Riots’ in 1911.

Als er een moment was geweest waarop de mijnwerkers de kans hadden om hun eisen ingewilligd te krijgen dan waren het wel deze laatste jaren voor de Eerste Wereldoorlog, waarin de kolenproductie een hoogtepunt bereikte. Daarna verliep het tij, omdat tijdens de oorlog de regering de gehele mijnbouw onder haar controle bracht om de brandstofvoorziening te garanderen en na afloop de economische omstandigheden gewijzigd waren. Begin jaren twintig leek de vooroorlogse voorspoed nog terug te keren, maar de situatie was vertekend door langdurige mijnstakingen in de VS, waar de Britse steenkoolsector van wist te profiteren door de export sterk te verhogen. In 1926 werd het Verenigd Koninkrijk echter zelf getroffen door een algemene staking, die begon als reactie op een door de mijnbouwbedrijven aangekondigde werktijdverlenging in combinatie met loonsverlaging. ‘Not a penny of the pay, not a minute on the day’ was de slogan waaronder de mijnwerkers opnieuw de strijd aan gingen, die dit keer zeven maanden zou duren. In de Rhondda Valley werden ter ondersteuning inzamelingsacties gehouden, soepkeukens geopend en rantsoeneringssystemen opgezet. Maar opnieuw leden ze een nederlaag, die enkele jaren later gevolgd werd door nog meer ellende toen het als gevolg van The Great Depression tot massaontslagen kwam. Bij gebrek aan alternatieve werkgelegenheid in de Rhondda Valley liep de werkeloosheid op tot meer dan zestig procent in 1932. Door de armoede liep het voorzieningenniveau sterk terug en velen zagen geen andere uitweg dan het gebied te verlaten. Tussen 1926 en 1939 daalde het inwonertal daarom met zo’n vijftigduizend.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was iedere mijnwerker weer nodig en leverden de Rhondda Valley opnieuw een belangrijke bijdrage aan de oorlogseconomie. Om de problemen uit de interbellumjaren te voorkomen ging de regering in 1947 over tot nationalisatie van de gehele steenkoolsector, ten einde deze te kunnen reguleren. In feite kwam die neer op een langzame sanering, want toen het in 1984 voor de laatste maal tot een grote staking kwam was in de Rhondda Valley enkel nog de mijn van Meardy actief. Afgezien van de staalsector was in veertig jaar tijd steenkool grotendeels verdrongen door aardolie en aardgas en omdat dit ook voor andere Europese landen gold was de exportquote afgenomen van ruim dertig naar minder dan vijf procent. Omdat de meeste mijnen in de Rhondda Valley uit de negentiende eeuw dateerden en maar mondjesmaat gemoderniseerd waren, kwamen ze als eerste in aanmerking voor sluiting. Terwijl in 1945 gemiddeld al meer dan zeventig procent van de steenkoolwinning in het Verenigd Koninkrijk gemechaniseerd was (pneumatische hamer of kolenschaaf), was dit aandeel in Rhondda Valley amper hoger dan twintig procent. Het investeringsprogramma om dit te verbeteren verdween echter in een bureaulade toen er in 1956 Europawijd wederom sprake was van overproductie in de steenkoolsector. In plaats daarvan werd geld vrijgemaakt om nieuwe bedrijvigheid op te zetten, hetgeen resulteerde in drieëntwintig vestigingen, zoals fabrieken voor karton, kleding en muziekinstrumenten.

In de loop van de jaren tachtig ontstond het besef dat een blijvende herinnering aan het mijnbouwverleden in de Rhondda Valley noodzakelijk was. De keuze viel daarbij op de Lewis Merthyr Colliery, die rond 1880 was ontstaan uit de schachten Hafod en Coed Cae tussen Porth en Pontypridd. Met vijfduizend arbeiders en een jaarproductie van een miljoen ton steenkool behoorde het rond de vorige eeuwwisseling tot de grootste mijnbouwbedrijven in de regio, zeker toen het in 1904 twee kilometer verderop in de Rhondda Fach een derde schacht liet delven: de Lady Lewis Colliery. Dankzij een fusie met de nabijgelegen Ty Mawr Colliery in 1958 wist de onderneming het nog tot 1983 vol te houden. Omdat de kolenwinning sinds die tijd via de schacht van de Ty Mawr verliep, onderging de Lewis Merthyr Colliery geen moderniseringen meer en behield het complex min of meer zijn oorspronkelijke gedaante met originele schachtbokken, ophaalgebouwen en ketelhuis met schoorsteen. Als Rhondda Heritage Park, dat onderdeel uitmaakt van de European Routes of Industrial Heritage (ERIH), heeft het tegenwoordig een museale functie.Rhondda Valley (6)Afbeelding 6: In het Rhondda Heritage Park worden de bezoekers rondgeleid door oud-mijnwerkers.