Genk

Genk (5)Afbeelding 1: De voormalige steenkolenmijn van Winterslag is als C-mine toegankelijk voor het publiek. De schachtbok rechts dateert uit 1915 en is de oudste van het Kempens Bekken. Door verzakkingen is het ontvangstgebouw vervallen tot een ruïne.

Net zoals de steenkolenwinning in Zuid-Limburg in feite een noordwestelijke voorzetting was van die in het Aachener Revier, zo gold dat ook voor mijnen in de Belgisch Kempen in relatie tot die van het Luikse steenkolenbekken. In zowel Nederlands- als Belgisch Limburg kwam de sector pas na 1900 goed op gang waardoor de mijnbouwcomplexen relatief modern waren, wat niet alleen tot uiting kwam in hoge productiecijfers maar ook in goede voorzieningen voor de mijnarbeiders. Dit was niet enkel een kwestie van voortschrijdend inzicht, maar ook uit pure noodzaak geboren. Er moesten schachten van honderden meters diepte gedolven worden, waarvoor een hogere professionaliteitsgraad vereist was dan in de voorgaande eeuw rond Aken en Luik het geval was geweest. De gebieden waren dun bevolkt, waardoor de mijnbedrijven veel werkvolk van verre moesten aantrekken en er niet om heen konden om actief te worden op huisvestingsgebied. Aan beide zijden van de grens had de opening van nieuwe mijnen in noordwestelijke richting dezelfde achtergrond, namelijk de behoefte aan vette steenkool voor de zware industrie. België beschikte al over een ijzer- en staalsector en het waren dan ook deze ondernemers die investeerden in de nieuwe steenkolenmijnen in de Kempen. In Nederland daarentegen waren het Franse staalondernemers die dat aanvankelijk deden, maar het waren de Staatsmijnen die uiteindelijk vette steenkool boven haalden en dit gingen leveren aan een nieuw hoogovenbedrijf dat eveneens mede door de staat was gefinancierd. De Eerste Wereldoorlog had de ontwikkeling van een eigen zware industrie binnen Nederland in een stroomversnelling gebracht omdat de afhankelijkheid van het buitenland op dit gebied pijnlijk duidelijk was geworden. Diezelfde oorlog betekende in de Kempen een sterke vertraging van de steenkolenwinning, terwijl door het protectionisme in het interbellum dat daar op volgde de Belgische ijzer- en staalindustrie haar vooraanstaande positie zag afnemen en daarmee de behoefte aan steenkool. Niettemin kwamen er in de Kempen zeven mijnzetels tot stand, waarvan er nog zes operationeel waren toen in Nederland de laatste mijn reeds gesloten was (De Julia in 1974) en de laatste het nog bijna twintig jaar langer zou volhouden (Zolder in 1992). Terwijl in Zuid-Limburg de sporen van het mijnbouwverleden grondig zijn uitgewist, beschikken de Kempen nog over een rijk industrieel erfgoed van deze sector. Deze rubriek zal er dan ook meerdere reportages aan wijden, waarin Genk met haar drie voormalige mijnzetels Winterslag, Waterschei en Zwartberg uiteraard niet mag ontbreken. Kon Heerlen met haar vier Oranje Nassaumijnen beschouwd worden als het hart van de Nederlandse mijnstreek, zo was Genk dit onmiskenbaar voor het Kempens Bekken. Na de mijnsluitingen begon voor beide steden een worsteling om de economische en sociale gevolgen te boven te komen, hetgeen er tot op de dag van vandaag zijn stempel drukt op het dagelijks leven.Genk (3)Afbeelding 2: Zicht op de steenkolenmijn van Waterschei in de jaren ’20 met in de verte nog het Donderslagse heideveld en op de voorgrond de tuinwijk (ook wel cité genoemd) met ingenieurswoningen in de Engelse Cottagestijl.

Reeds lang bestond het sterke vermoeden dat de steenkolenlagen van Zuid Limburg zich veel verder westwaarts uitstrekten, maar de bevestiging hiervan liet tot 1901 op zich wachten. Proefboringen bij het dorp As toonden toen steenkool aan op een diepte van 541 meter. Ze stonden onder leiding van de Luikse mijnbouwingenieur André Dumont die al vijfentwintig jaar eerder in een brochure de aandacht had gevestigd op de potentiële rijkdom van deze ondergrond. Bovengronds kenmerkte het gebied zich door schrale heidegrond met enkel kleine dorpen aan de randen, waarvan Genk in het zuiden het grootst was met een paar duizend inwoners. Al eeuwenlang stond het bekend als ‘Donderslag’ en deze naam gaat nog veel verder terug in de tijd dan de veldslag die er in 1648 werd uitgevochten. Het bood volop ruimte aan uitgestrekte mijncomplexen en daarvan zouden er dan ook drie aangelegd worden. De eerste direct ten noorden van Genk in het buurtschap ‘Winterslag’, dat ook de naam van de steenkolenmijn zou worden. De concessie werd in 1906 verleend aan een consortium rond de Waalse mijnbouwondernemer Evence Coppée, maar toen in 1912 extra kapitaal nodig bleek ging ook het Franse staalbedrijf Schneider participeren in wat vanaf toen heette Société Anonyme (S.A.) Charbonnages de Winterslag. Dat het delven van de schacht duurder was dan voorzien had vooral te maken met de wateroverlast die men ondervond. In 1914 kwam de eerste steenkool aan het daglicht en drie jaar later startte de daadwerkelijke productie, als eerste mijnzetel binnen het Kempens Bekken. Het kader van mijningenieurs en opzichters was hoofdzakelijk afkomstig uit de Waalse mijnstreken, de mijnwerkers uit de wijde omgeving van de Kempen, waar alternatieve werkgelegenheid schaars was en menigeen al ervaring had opgedaan in de mijnen rond Luik of die van het Ruhrgebied. Hoewel veel mijnwerkers voor een pendelbestaan kozen, was dit lang niet voor iedereen mogelijk en omdat huisvesting en voorzieningen in Genk weinig voorstelden ging de mijnbouwonderneming hier vanaf 1913 voor zorgen. Geheel conform de trend van die dagen geschiedde de aanleg volgens het principe van de Engelse tuinwijk, inclusief de typische cottage-stijl die met name voor de ingenieurswoningen weelderig toepassing vond. Door ook scholen in het plan op te nemen dacht de onderneming het al goed voor elkaar te hebben, maar toen ze in 1923 de bouwactiviteiten wilde afronden diende de katholieke geestelijkheid zich aan met het uitdrukkelijke verzoek om ook een kerk in de cité te bouwen. De Heilig Hartkerk die in 1925 naar een ontwerp van Adrien Blomme tot stand kwam zou met zijn omvang en monumentale uitstraling tot voorbeeld dienen voor kerken in de andere cités van het Kempens Bekken, die doorgaans als ‘mijnkathedralen’ worden betiteld. Omdat de mijn was aangelegd tijdens de oorlogsjaren waren er door schaarste aan materialen keuzes gemaakt die zich spoedig zouden wreken en de vele ongelukken die daar het gevolg van waren bezorgden Winterslag in haar beginjaren een beroerde veiligheidsreputatie. Steenkolenwinning vond gedurende haar operationele bestaan plaats op vier niveaus tussen 600 en 850 meter diepte met een jaarproductierecord van ruim 1,6 miljoen ton in 1967. Dit laatste was mede mogelijk geworden door de introductie van zogenaamde ‘skips’ in 1962, liftbakken waarin de inhoud van de kolenwagentjes ondergronds verzameld werd i.p.v. ze individueel naar boven te transporteren. De personeelsomvang was toen al over haar hoogtepunt heen, dat in 1953 boven de zesduizend had gelegen in het kader van de naoorlogse ‘Operatie Kolenslag’. Na gedurende de jaren zestig in handen te zijn geweest van de Waalse staalbedrijven Espérance Longdoz en Cockerill ging Winterslag op in de KS: Kempense Steenkoolmijnen. Deze fusie kon echter niet verhinderen dat het van kwaad tot erger ging met deze steenkolenmijnen, hetgeen leidde tot een reeks van sluitingen in de tweede helft van de jaren tachtig. Voor die van Winterslag was het op 1 april 1988 zo ver, met het opmerkelijke feit dat enkele maanden daarvoor nog de hoogste dagproductie uit haar bestaan was bereikt.  Genk (4)Afbeelding 3: Een van beide ophaalgebouwen van de mijn van Winterslag, met elektromotoren die een maximale last van tachtig ton aan een staalkabel van tien centimeter dikte naar boven konden brengen. De ophaalmachinist kreeg zijn instructies via belsignalen van de ‘belleman’ die zich ondergronds bevond.

De steenkolenmijn van Waterschei kwam tot stand in het concessiegebied dat de naam van André Dumont droeg. De locatie waar hij in 1901 zijn succesvolle proefboringen deed valt er echter buiten, omdat het gemeentebestuur van As er voor koos om een plattelandsdorp te blijven. Ook de mijnmaatschappij die de concessie verwierf, en hoofdzakelijk uit Waalse industriëlen bestond, tooide zich met deze naam, maar in de volksmond sprak men over de steenkolenmijn van Waterschei. De naam van het oorspronkelijke gehucht verwijst naar de waterscheiding die er zich bevindt tussen het water dat westwaarts richting Schelde stroomt en oostwaarts richting Maas. Datzelfde water speelde de mijningenieurs parten toen ze in 1909 begonnen met het delven van de schacht. De oorzaak van deze waterdoorsijpeling was gelegen in de breuken tussen de aardlagen binnen het concessiegebied, met niveauverschillen die konden oplopen tot honderdzeventig meter. Dankzij bevriezing en cementinspuiting slaagde men er in om een schachtdiepte te bereiken van 1200 meter, een record binnen het Kempens Bekken. Voor de steenkolenwinning, die in 1924 startte, legde men gedurende het operationele bestaan van de mijn zeven niveaus aan tussen een diepte van 560 en 1040 meter. Door de complexe geologische gesteldheid ontstond er ondergronds ook relatief veel mijngas, hetgeen in 1929 leidde tot een mijnexplosie waarbij 24 doden te betreuren waren. Verbetering van de ventilatie zou echter nog jaren op zich laten wachten en pas een feit zijn toen de mijn ondergronds verbonden was met die van Eisden en Winterslag. Bovengronds waren deze al veel eerder met elkaar verbonden, maar dan via het spoor. Hiertoe had men aansluitingen op de bestaande spoorlijn Hasselt-Maaseik gemaakt en in 1925 kwam er zelfs een ringspoorlijn gereed die de drie steenkolenmijnen van Genk met elkaar verbond. Via laatstgenoemde verbinding kon de steenkool efficiënt naar de steenkolenhaven van Genk aan het Albertkanaal worden vervoerd en in de jaren tachtig transporteerde men alle ruwe steenkool van Winterslag naar Waterschei omdat de installaties voor het sorteren en wassen daar veel moderner waren. In productie- en personeelsomvang ontliepen beide mijnzetels elkaar maar weinig. Met 1,5 miljoen ton was het jaarproductierecord (1968) van Waterschei iets lager, met maximaal bijna zevenduizend werknemers (1949) het personeelsbestand iets groter. De laatste steenkool kwam in Waterschei slechts een half jaar eerder dan in Winterslag boven de grond.Genk (2)Afbeelding 4: Het voormalige directiegebouw van de steenkolenmijn van Waterschei, tegenwoordig het hart van technologiepark Thor.

De derde steenkolenmijn van Genk, die van Zwartberg, ontleende haar naam niet zoals vaak gedacht wordt aan de naastgelegen steenberg (‘terril’) maar aan het buurtschap Zwarte Berg dat een middeleeuwse oorsprong kent. De concessie kwam in 1906 in handen van twee mijnondernemingen uit het Luikse en het staalbedrijf Cockerill uit Seraing. Laatstgenoemde onderneming was voor de eeuwwisseling al actief geweest in dit gebied, maar dan voor het testen van haar zwaarste kanonnen en de pantserkoepels voor de forten van Antwerpen. De eerste gebouwen van het mijncomplex, waaronder een elektriciteitscentrale, kwamen in 1910 gereed, maar door tussenkomst van WOI duurde het tot 1920 vooraleer de eerste steenkool boven kwam. Beide schachten bereikten tenslotte een diepte van 1045 meter, met vijf verdiepingen tussen 650 en 1010 meter waarop de steenkool gewonnen werd. Ook Zwartberg kreeg een cité, naar voorbeeld  van die in Seraing en met een ‘Place John Cockerill’, waarop een standbeeld van deze grootindustrieel geen misverstand liet bestaan over de bestemming van de steenkool en de machtsverhoudingen. Het jaarproductierecord van 1,4 miljoen ton dat de mijn van Zwartberg in 1956 bereikte lag weliswaar iets lager dan dat van Waterschei en Winterslag, maar dat gold ook voor het personeelsbestand van ruim vijfduizend arbeiders en bedienden. Zwartberg stond bekend als de modernste steenkolenmijn van België. Met een ondergronds koelsysteem had men in 1949 de primeur in Europa en dat was tevens het geval met het interne televisiecircuit dat in de jaren vijftig geïntroduceerd werd om de veiligheid te bevorderen. Groot was dan ook de verbijstering toen in 1965 het besluit viel om de mijn te sluiten. Zoals zo vaak in België had ook dit een politieke achtergrond die direct verband hield met het evenwicht Wallonië vs. Vlaanderen. Door grote verliezen bij de steenkolenwinning moesten er een aantal verouderde, inefficiënte Waalse mijnen sluiten en om grote onrust te voorkomen zag Brussel zich genoodzaakt om ook aan Vlaamse zijde een offer te brengen. Deze taxatie bleek volledig verkeerd, want onderschatte de woede die dit bij de Vlaamse kompels veroorzaakte. Begin 1966 mondden stakingen uit in heftige rellen met de Rijkswacht waarbij twee doden vielen. De schok die dit landelijk teweeg bracht had wel het positieve resultaat dat er een akkoord tot stand kwam om vervangende werkgelegenheid te creëren en nog voor het einde van het jaar was de sluiting realiteit. Dat men dit verleden zo snel mogelijk achter zich wilde laten blijkt wel uit het feit dat in 1967 veel installaties ondergronds bleven toen de schachten werden afgedekt en de torens werden opgeblazen. De directeursvilla met bijbehorend park heeft daarna nog lang dienst gedaan als dierenpark, terwijl in de administratiegebouwen ook nu nog trainingen en opleidingen gegeven worden aan de veiligheidsdiensten van de overheid.Genk (6)Afbeelding 5: De steenkolenmijn van Winterslag heeft onder de naam C-Mine een transformatie ondergaan. Zo zijn de badruimtes in het voormalige administratiegebouw omgevormd tot een bioscoop. Met respect voor het verleden is het Barbarabeeld aan de gevel behouden.

Door de grote sociale impact van twee mijnsluitingen op haar grondgebied in een jaar tijd (1987/’88) duurde het tot na de eeuwwisseling vooraleer de gemeente Genk toe kwam aan een herbestemming van beide complexen. Als eerste verwierf ze in 2001 de terreinen van Winterslag en vanwege het ligging nabij het centrum van de stad lag een combinatie van creativiteit en cultuur het meest voor de hand. De nieuwe naam C-mine die het in 2005 kreeg verwijst hier dan ook naar. In het zogenaamde Energiegebouw is een deel van de generatoren, ventilatoren, compressoren en ophaalmachines behouden gebleven en door het publiek te bezichtigen. Deze vormen het decor voor een bezoekersonthaal, brasserie en designcentrum. In de badruimtes en lampisterie, die onderdeel waren van het administratiegebouw, zijn sinds 2008 de tien bioscoopzalen van Euroscope ondergebracht. Het magazijngebouw is door de gerenommeerde ontwerper Pieter Stockmans ingericht met een atelier, shop en exporuimte. Voor het opleiden van een nieuwe generatie op dit gebied is door de LUCA School of Arts een nieuwbouw verrezen, waar studenten worden opgeleid in Product Design, Fotografie, Film, Communicatie & Media Design. Ten slotte heeft ook de organisatie die het materiële- en immateriële erfgoed van het Kempense mijnbouwverleden in stand houdt, zeer toepasselijk ‘Mijn-Erfgoed’ geheten, er een vestigingslocatie. Dankzij het behoud van beide schachtbokken en de terril heeft C-mine nog een uitgesproken industriële uitstraling. De voormalige steenkolenmijn van Waterschei onderging de afgelopen jaren onder de naam ‘Thor’ een ontwikkeling tot bedrijvenpark op het gebied van technologie, energie en innovatie. Daartoe kocht de gemeente Genk de terreinen aan in 2006 en voorzag ze van infrastructuur. Door de sloop van mijngebouwen is ruimte vrijgemaakt die zal worden ingevuld met nieuwbouw ten behoeve van een wetenschapspark (EnergyVille) voor onderzoeksinstellingen en een bedrijvenpark  (Incubathor) voor kennisgeoriënteerde ondernemingen. Het hoofdgebouw (Thor Central) is behouden gebleven en vervult een faciliterende rol binnen het Thor Park. Tevens is er het Mijndepot Waterschei gevestigd dat een collectie van machines en werktuigen toont die in de mijn gebruikt werden. De naam Thor is direct verbonden met de voetbalclub van Waterschei die in 1919 werd opgericht als ontspanningsmogelijkheid voor de mijnwerkers en tot de Eerste Klasse wist door te dringen. KFC Winterslag had eenzelfde achtergrond en bereikte ook het hoogste niveau. Direct na sluiting van beide mijnbouwbedrijven fuseerden de voetbalploegen tot KRC Genk dat na een aantal degradatiejaren inmiddels al weer twintig jaar onafgebroken in de hoogste klasse speelt.Genk (1)Afbeelding 6: De Barbarazaal in het administratiegebouw van de steenkolenmijn van Waterschei is een pareltje van Art-Deco en fungeert nu als samenkomstruimte voor Thor Central.