Gent

Gent (7)Afbeelding 1: In 1895 bracht de firma Leirens haar zwavelzuurproductie onder in dit fabrieksgebouw. Nadat er vervolgens bijna een eeuw lang wasserijmachines gebouwd zijn door Em. d’Hooge Industries, doet het nu dienst als provinciaal kantoor van het Wit-Gele Kruis.

Bij sectoren die profiteerden van de opkomst van de textielindustrie wordt,  geheel terecht,  in de eerste plaats gedacht aan de machinebouw. De ontwikkeling van weef- en spinmachines is altijd hoofdzakelijk een specialiteit gebleven van de Engelse en Duitse machinefabrieken, maar de stoommachines om deze aan te drijven konden in de loop van de negentiende eeuw ook door ondernemers in de Lage Landen gebouwd worden. Minder bekend is echter dat ook de chemische industrie al snel een belangrijke toeleverancier werd, maar dan vooral van de textiel-verwerkende bedrijven zoals blekerijen, ververijen en drukkerijen. Voor de productie van kleurstoffen, zeep, soda en stijfsel – die voorheen hoofdzakelijk op ambachtelijke wijze tot stand gekomen waren – konden dankzij deze toegenomen afzetmogelijkheden fabrieken ingericht worden. Ook zwavelzuur hoort in dit rijtje thuis, nadat men in de achttiende eeuw ontdekt had dat indigo er een intens blauwe kleur van kreeg (Saksisch Blauw) en het bleekproces er veel sneller mee verliep dan bij het traditioneel gebruik van zure melk of karnemelk. De ontwikkeling van een productieproces voor dit zuur was weliswaar een Engelse- en Franse aangelegenheid, maar reeds vóór 1800 waren er in de Zuidelijke Nederlanden fabrikanten die deze kennis overnamen. Zo ook in Gent, waar gedurende de negentiende eeuw enkele fabrieken actief zijn geweest om in de behoefte aan zwavelzuur van de vele katoenververijen en –drukkerijen te voorzien. Net als de textielbedrijven zelf waren deze aanvankelijk nog in de oude binnenstad gevestigd, maar moesten vanwege hun overlast uitwijken naar buurgemeenten zoals Ledeberg, waar de firma Leirens tot kort na 1900 zwavelzuur produceerde. Schaalvergroting en verscherpte hinderwetgeving hadden toen inmiddels een volgende verplaatsing van de chemische industrie op gang gebracht, dit keer naar de kanaalzone tussen Gent en Zelzate, waar de sector ook vandaag de dag nog is gevestigd. Het gebouw waar het in deze reportage om gaat dateert uit 1895 en vormde de laatste uitbreiding van de fabriek van Leirens. Het grootste gedeelte van haar productieve bestaan bood het onderdak aan het constructiebedrijf van Emile d’Hooge, waar machines vervaardigd werden voor industriële wasserijen. Niettemin is het toch bekend blijven staan als ‘de zwavelzuurfabriek’ en ook nu het recent, na een grondige restauratie, dienst doet als provinciaal kantoor van het Wit-Gele Kruis heeft het die aanduiding behouden.Gent (8)Afbeelding 2: De middenbeuk van het fabrieksgebouw is herschapen in een atrium met een glazen dak voor maximale lichtinval.

Voordat men in staat was om fabrieksmatig zwavelzuur te produceren domineerde het gebruik van salpeterzuur, dat in zogenaamde ‘sterkwaterstokerijen’ tot stand kwam door kaliumnitraat (salpeter) met ijzersulfaat (ijzervitriool) of klei te laten reageren. Het vond toepassing in hoedenmakerijen, goudsmederijen, scharlakenververijen en in de bereiding van kwik- en loodpreparaten voor apotheken en katoendrukkerijen. Zwavelzuur, destijds vitrioololie genoemd, kon al wel gemaakt worden, maar enkel via een omslachtige weg door ijzervitriool of zwavel te stoken in grote aardewerken retorten. De geringe beschikbaarheid beperkte de afzetmogelijkheden, al gebruikten de Engelsen het al wel in plaats van ijzervitriool om er sterk water van te maken. Rond 1740 was het ook een Engelsman, Joshua Ward, die het productieproces van zwavelzuur wist te verbeteren door het in grote, glazen kolven op verwarmde zandbedden uit te voeren. Door hier keer-op-keer een portie zwavel/salpetermengsel in te brengen en dit, na afdichting,  te laten verbranden met de opgesloten lucht, verzamelde zich op de bodem vloeibaar zwavelzuur. De eerste fabrieken bestonden uit hallen waarin honderden glazen bollen in lange rijen stonden opgesteld, met arbeiders die door het vullen en aftappen longschade opliepen vanwege blootstelling aan de hete zwaveldampen. Hoewel men er in slaagde om bollen van ruim een meter doorsnede te blazen, waren deze erg kostbaar en kwetsbaar en daarom was een alternatief materiaal gewenst. Dat diende zich rond 1770 aan, na de ontdekking dat lood nauwelijks door zwavelzuur wordt aangetast. Nieuwe fabrieken werden uitgerust met loden kasten, of ‘kamers’,  in plaats van de glazen bollen. Door het zwavel/salpeter-mengsel in een aparte oven te verbranden en dit samen met stoom in de loden kamers te leiden kon het proces nog eens aanzienlijk verbeterd worden. Wel was de concentratie van het zwavelzuur uit het lodenkamerproces lager dan bij gebruik van glazen bollen. Dat nadeel kon pas na 1800 opgelost worden en ook dit maal was het een metaal dat de doorbraak bracht: platina. Met destillatieketels van dit metaal slaagde men erin om het zwavelzuur te concentreren. Terwijl zwavelzuur tot dan toe vooral aan de textielververijen, -blekerijen en –drukkerijen geleverd was, ging het vanaf die tijd ook dienen als basisstof voor de productie van soda (Leblanc-proces) en  bleekpoeder (calciumhypochloriet).

Begin negentiende eeuw gaven Engeland en Frankrijk de toon aan op het gebied van zwavelzuurfabricage, met een jaarproductie die toen al in de miljoenen kilo’s liep. Alleen in de Zuidelijke Nederlanden wist men aan te haken bij deze ontwikkelingen, om de daar sterk opkomende textielindustrie te beleveren. Luik was van oudsher een centrum van zwavelzuurbereiding vanwege de nabijheid van mijnen voor de winning van sulfaat-houdende ertsen. Rond Brussel, met zijn katoendrukkerijen en glasindustrie, werden na 1760 enkele zwavelzuurfabrieken operationeel volgens de methode van Joshua Ward. Het was ook daar dat aan het begin van de negentiende eeuw de eerste fabriek overging op het lodenkamerprocedé, gevolgd door bedrijven in Luik, Leuven en Gent. In laatstgenoemde stad diende François de Rudder in 1811 een verzoek in om zwavelzuur te gaan produceren in het Spanjaardenkasteel, een militaire versterking die toen al in onbruik was geraakt en later gesloopt zou worden om plaats te maken voor het huidige Citadelpark. Het bedrijf kon er decennialang ongestoord zijn gang gaan en pas rond 1850 waren de protesten van omwonenden tegen de zwavelhoudende uitstoot dermate toegenomen dat het stadsbestuur harde eisen stelde aan een nieuwe vergunning.

Halverwege de negentiende eeuw was het lodenkamerprocedé dankzij verdere verbeteringen een zogenaamd continuproces geworden. Daardoor was de productiecapaciteit van fabrieken zo sterk toegenomen dat nieuwe toepassingen binnen bereik kwamen, zoals de productie van kunstmeststoffen. Landbouwchemici hadden vastgesteld dat stikstof en fosfor essentiële elementen waren voor de plantengroei en met zwavelzuur konden chemicaliën bereid worden om deze in de bodem te brengen: ammoniumsulfaat en superfosfaat. In 1850 stichtte Jules Leirens een ‘Fabrique De Produits Chimiques Agricoles’, waarmee hij op het gebied van de industriële kunstmestproductie tot de voorlopers behoorde. De benodigde kennis had hij enkele jaren daarvoor opgedaan in het landbouwwetenschappelijk instituut van Charles Henri Schattenmann in Bouxwiller (Elzas). Vanwege de strengere vestigingsregels liet hij de fabriek niet in zijn woonplaats Gent bouwen, maar in buurgemeente Ledeberg aan de oever van de Schelde. Als grondstof voor de zwavelzuurproductie maakte Leirens gebruik van pyriet (ijzersulfide) dat in een installatie van de Saksische ovenbouwer Gastenhöffer verbrand werd, om samen met waterdamp toegevoerd te worden aan de loden kamers. Om hier vervolgens superfosfaat van te kunnen maken importeerde hij fosforiet  (calciumfosfaat) uit het Spaanse Cacerès, een grondstof die bekend stond om zijn hoge zuiverheid. De juiste verhouding waarin het ammoniumsulfaat en superfosfaat vermengd moesten worden voor een optimale bemesting van uiteenlopende landbouwgewassen, was gebaseerd op het experimentele werk van Dr. Georges Ville. Hij was als adviseur aan de onderneming van Leirens verbonden. Deze grondige aanpak wierp zowel letterlijk als figuurlijk zijn vruchten af, want in 1873 won Jules Leirens hiervoor de medaille van verdienste op de wereldtentoonstelling van Wenen.

De industriële chemie ontwikkelde zich zo snel dat al voor het einde van de eeuw een nieuwe productiewijze voor zwavelzuur was uitgevonden, het Contact-Proces. Dit keer waren het de Duitsers die voor een doorbraak zorgden, omdat zij voor de synthese van kleurstoffen uit steenkoolteer zwavelzuur in een hogere concentratie nodig hadden dan met het lodenkamerproces realiseerbaar was. In plaats van het zwavelzuur nadien te concentreren in ketels van platina, gebruikten ze fijnverdeeld platina als katalysator in de reactor om het direct in een hoog gehalte uit de grondstoffen te vormen. Weliswaar volstond het zwavelzuur uit het lodenkamerproces voor de productie van superfosfaat, door de schaalvergroting die zich in de kunstmestindustrie voltrok was de fabriek van Leirens rond de eeuwwisseling al verouderd. Het fabrieksgebouw dat in 1895 werd toegevoegd aan het complex was de laatste uitbreiding. Toen het Franse bedrijf ‘Etablissements Kuhlmann’ in 1911 te Zelzate langs het Kanaal Gent-Terneuzen een moderne zwavelzuur- en fosfaatfabriek opende, kon Leirens hiermee niet meer concurreren en sloot zijn deuren.Gent (10)Afbeelding 3: De zwavelzuur- en fosfaatfabriek van Kuhlmann werd in 2009 buiten gebruik gesteld en zal plaats maken voor een zonnepark.

Na een periode van leegstand werd het complex in Ledeberg aangekocht door Emile d’Hooge om er zijn fabriek voor wasserijmachines in te vestigen. D’Hooge was in 1911 als zelfstandig ondernemer begonnen, na ervaring in de machinebouw te hebben opgedaan in het Gentse metaalconstructie-bedrijf Le Phoenix. Met steun van zijn broers Karel en Gustaaf, in respectievelijk de productie en verkoop, wist hij het bedrijf uit te bouwen tot een toonaangevende leverancier van wasmachines, centrifuges, drogers, strijkmachines en desinfectie-installaties voor wasserijbedrijven. In de jaren vijftig verwierf d’Hooge een Amerikaanse patent op dry-clean installaties. Het bedrijf ging deze machines vervolgens bouwen voor een keten van eigen winkels. Voor veel Belgen waren deze ‘Martin Shops’ de eerste kennismaking met ‘droogkuis’, zoals deze voorziening al snel in het Vlaams genoemd werd. Tot 1979 bleef het een familiebedrijf, waarna het samen ging met de Deense branchegenoot Jensen. De productie bleef tot 2004 in Ledeberg gehandhaafd en verhuisde toen naar Nazareth. Binnen enkele jaren volgde sloop, waarbij alleen het voormalige gebouw van de zwavelzuurfabriek gespaard bleef. Dit werd in 2009 aangekocht door de Oost-Vlaamse afdeling van het Wit-Gele Kruis, die er haar kantoor in liet onderbrengen.Gent (10)Afbeelding 4: Na sluiting van de firma Leirens werd het complex gekocht door Emile d’Hooge om er zijn wasserijmachinefabriek in te vestigen.