
Afbeelding 1: Clayton & Shuttleworth begon kort na 1900 ‘traction engines’ te bouwen voor agrarisch gebruik. Deze tractoren op stoom zijn in onze contreien beter bekend als locomobielen.
Door mechanisatie van de nijverheid ontstonden fabrieken en daarmee een sector die we de ‘industrie’ zijn gaan noemen. Deze industriële revolutie komt in zoveel reportages op deze website aan bod dat men helemaal zou vergeten dat in diezelfde negentiende eeuw ook de mechanisatie van de landbouw op gang kwam, hoewel deze nooit als een revolutie wordt omschreven. Die had de landbouw er toen overigens al twee achter de rug. De eerste landbouwrevolutie vond rond 10.000 v. Chr. plaats en leidde er toe dat mensen hun rondtrekkende bestaan opgaven en in permanente nederzettingen gingen wonen. Tijdens de tweede landbouwrevolutie, die zich in Engeland in de achttiende eeuw voltrok en ook wel ‘agrarische revolutie’ wordt genoemd, begon de leegloop van het platteland omdat mensen in de steden een beter bestaan hoopten op te bouwen. Om toch voldoende voedsel te kunnen blijven produceren voor deze sterk groeiende stedelijke bevolking, was de inzet van machines ter aanvulling op de schaarser worden arbeidskrachten in de agrarische sector onvermijdelijk. Het bedrijf dat centraal staat in deze reportage, Clayton & Shuttleworth uit Lincoln, ging deze al in 1845 bouwen. Nog voor het einde van die eeuw was een locomobiel waarmee een dorsmachine of ploeg werd aangedreven een vertrouwd beeld geworden op het Engelse platteland. In Nederland daarentegen heeft stoomkracht in de agrarische sector nauwelijks of geen rol gespeeld. De mechanisatie van de landbouw brak er pas na de oorlog door en werd toen al gedomineerd door trekkers met brandstofmotoren.

Afbeelding 2: De gieterij nabij Stamp End waaruit Clayton & Shuttleworth ontstond.
Nathaniel Clayton en Joseph Shuttleworth begonnen in 1842 samen een machinefabriek in het nieuwe nijverheidsgebied van Lincoln dat bekend stond als Waterside South. De vader van Joseph had daar een kleine scheepswerf ter hoogte van Stamp End, waar Nathaniel een paar jaar eerder een ijzergieterij was begonnen. Met twee smidsvuren en twaalf arbeiders bouwden beide ondernemers in 1845 de eerste ‘portable steam engines’, vier jaar later aangevuld met dorswerktuigen. Clayton & Shuttleworth behoorde hiermee tot de eerste leveranciers van landbouwmachines in Engeland en groeide spoedig uit tot één van de marktleiders op dit gebied. Landelijke bekendheid verwierven ze door presentatie van hun machines op de Great Exhibition in Londen van 1851 en nog in datzelfde jaar verlieten tweehonderd machines de fabriek. Daarna bleef de productie alleen maar stijgen, want in 1857 verliet de vierentwintighonderdste machine de fabriek en in 1890 stond de teller al op vierentwintigduizend stoommachines en zesentwintigduizend dorsmachines. Met twaalfhonderd arbeiders was het bedrijf in 1871 al de grootste werkgever van Lincoln. Om de export te stimuleren opende men vestigingen in Wenen, Boedapest, Praag, Krakau en Lemberg. Vanaf 1901 opereerde de onderneming als een naamloze vennootschap (Limited of Ltd.) met Alfred Shuttleworth, zoon van de inmiddels overleden Joseph, als bestuursvoorzitter.

Afbeelding 3: Verkoopbrochure van Clayton & Shuttleworth met enkele tractormodellen.
In 1905 demonstreerde het bedrijf zijn eerste ‘traction engine’, een lichtgewicht landbouwvoertuig met grote achterwielen dat in de volksmond al snel als tractor bekend kwam te staan. Lichtgewicht was overigens een relatief begrip, want ze werden nog altijd stoom aangedreven. Dat gaf hen oppervlakkig gezien nog het voorkomen van een stoomlocomotief, waardoor ze ook wel als ‘locomobiel’ aangeduid werden. Volgens de verkeerswet was het echter toegestaan om er de openbare weg mee op te gaan onder de classificatie ‘heavy motorcars’. Concurrent Aveling & Porter uit Kent was er als eerste mee gekomen en Ruston, Proctor & Co. – eveneens in Lincoln gevestigd – volgde enige tijd later. Met de introductie van een mechanisch smeersysteem, waardoor de bestuurder geen stop meer hoefde te maken om de oliespuit ter hand te nemen, nam Clayton & Shutterworth vanaf 1908 overigens wel een voorsprong op hen. De eerste tractor met een brandstofmotor verliet in 1911 de fabriek en was uitgerust met een viercilinder motor die op stookolie draaide. Een centrifugaal-regulator zorgde ervoor dat er een dorsmachine, dynamo of pomp mee aangedreven kon worden. Voor de Canadese en Zuid-Amerikaanse markt werd een model ontwikkeld dat zowel op olie als benzine reed en in 1913 volgde de eerste diesel-aangedreven tractor. Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog rupsvoertuigen werden ingezet om in zwaar terrein kanonnen te verplaatsen lieten ingenieurs van Clayton & Shuttleworth zich hierdoor inspireren tot een tractor met rupsbanden.

Afbeelding 4: Gevechtsvliegtuig van het type Sopwith Camel dat tijdens de Eerste Wereldoorlog door Clayton & Shuttleworth werd geproduceerd.
Hoewel het voor de hand had gelegen dat het bedrijf tijdens WOI legervoertuigen of tanks was gaan produceren, kreeg het opmerkelijk genoeg juist het verzoek om bij te dragen aan de bouw van gevechtsvliegtuigen. Van 1917 tot 1919 rolden er meer dan vijfhonderd jachttoestellen van het type Sopwith Camel uit de ‘Titanic Works’, de grote montagehal van het bedrijf. Na een eerste stationaire motortest werden ze weer gedeeltelijk uit elkaar gehaald voor transport naar een vliegbasis. Toen Clayton & Shuttleworth een contract kreeg voor de bouw van bommenwerpers van het type Handley Page O/400 werd hier ten oosten van het fabriekscomplex speciaal een vliegveld voor aangelegd. Vanaf dit ‘Handley Page Field’ werden de toestellen onderworpen aan een testvlucht, waarna ze naar hun luchtmachtbasis vlogen. Richard Ormonde Shuttleworth, kleinzoon van Joseph, ontwikkelde een passie voor stuntvliegen en verzamelde uiteenlopende toestellen die nu het hart van de Shuttleworth Collection vormen. De omschakeling van oorlogs- naar civiele productie verliep uiterst moeizaam. Terwijl concurrenten met elkaar fuseerden probeerde Clayton & Shuttleworth zelfstandig het hoofd boven water te houden door bedrijfsonderdelen te verkopen, zoals de constructieafdeling aan ketelbouwer Babcox & Wilcox in 1924. Dat was in 1929 niet meer vol te houden, waarna het bedrijf werd overgenomen door Marshall Sons & Co. uit Gainsborough, eveneens in Lincolnshire gelegen. Deze concurrent was vooral geïnteresseerd in de ‘combine harvesters’ van Clayton & Shuttleworth, machines die het maaien en dorsen combineerden. De ijzergieterij werd overgenomen door Smith Castings uit Coventry en werd tot 1966 voortgezet als Smith-Clayton Forge Ltd.

Afbeelding 5: Het fabrieksgebouw van Clayton & Shuttleworth aan de Waterside South, met op de voorgrond de gekanaliseerde River Witham.
De fabrieksgebouwen van Clayton & Shuttleworth in Lincoln, waaronder de Titanic Works, zijn tot op de dag van vandaag behouden gebleven en bieden al decennialang onderdak aan uiteenlopende bedrijvigheid. De stad heeft nooit bijzonder veel industrie gekend en het erfgoed beperkt zich dan ook hoofdzakelijk tot de oevers van de River Witham. Blikvanger is de imposante Doughty’s Oil Mill die enkele tientallen jaren geleden tot een wooncomplex werd getransformeerd. Voor zover bekend resteren er nog drieëndertig traction engines, elf stoomwalsen en negentien portable steam engines, waarvan het grootste deel nog draaiende wordt gehouden door enthousiaste verzamelaars. Af en toe komen deze samen op het landgoed van Shuttleworth House nabij Bedford om een publieksdemonstratie te geven. Niet ver daar vandaan ligt de Old Warden Airodrome waar de Shuttleworth Collection kan worden bewonderd. Richard Osmonde Shuttleworth legde er de basis voor en na zijn vroegtijdige dood als gevolg van een vliegtuigcrash in 1940 groeide deze verzameling uit tot meer dan veertig toestellen, zowel militair als civiel. Daarnaast zijn er nog ruim dertig oldtimer automobielen, motorfietsen en tractoren te bezichtigen. In laatstgenoemde categorie gaat het om een Clayton Steam Motor Wagon, een Dorothy Tractor en een Phoenix General Purpose Engine.

Afbeelding 6: In haar ‘Titanic Works’ bouwde Clayton & Shuttleworth tijdens de Eerste Wereldoorlog jachtvliegtuigen en bommenwerpers.