
Afbeelding 1: De Mertensmolen is een voormalige graanmaalderij in Viane, een gehucht binnen de gemeente Geraardsbergen. Sinds 2006 is Museum ’t Aloam er in ondergebracht.
Enkele tientallen kilometers ten zuidwesten van Brussel stroomt het riviertje de Marck, dat gezien de tweetaligheid van deze streek ook een Waalse spelling kent: Marcq. Ondanks haar geringe lengte van dertig kilometer stroomt ze door drie provincies. De Marck ontspringt in het bos van het Henegouwse Edingen, waar een dorpje de naam Marcq draagt, om daarna via Waals-Brabant en Oost-Vlaanderen in het Henegouwse Twee-Akeren uit te monden in de Dender, een zijrivier van de Schelde. Onderweg wordt ze nog gevoed door tien beken en door het aanzienlijke verval telde ze ooit zestien watermolens, waarvan bijna de helft nog in een of andere vorm behouden is gebleven. De Mertensmolen in het gehucht Viane, vallend onder de gemeente Geraardsbergen, bleef het langste in gebruik en groeide uit tot de industriële maalderij die in deze reportage centraal staat. Sommige historici beschouwen de Marck als de zuidelijke begrenzing van het Pajottenland. Deze benaming voor het heuvelachtige gebied tussen Brussel, Halle, Edingen, Geraardsbergen en Ninove gaat niet verder terug dan 1845, toen haar bewoners in een streekroman voor het eerst ‘Payotten’ genoemd werden. Voordien werden alleen soldaten in het Oostenrijkse regeringsleger die uit de eigen streek (pays) afkomstig waren als dusdanig aangeduid.

Afbeelding 2: Reeds in de middeleeuwen was er in Viane een molen die werd aangedreven door het water van de Marck, een riviertje dat verderop uitmondt in de Dender.
De vroegste vermelding van een watermolen op deze locatie gaat terug tot 4 juni 1293 toen de Abdij van Sint-Klara uit Gentbrugge er het Hof te Koudenberg kocht van heer Gerard van Viane. In deze oorkonde valt het volgende te lezen: ‘Ende up den viver ten couden berghe hebben wi gheorloft ende vercocht der abdtdessen ende den conuente voren gheseit binnen al der voorseider voorwaerden dat si moghen setten eene slachmolen te hare nutschepen … Ende siin hem sculdech de beke te hare nutscap te warandeerne jn onse heerscap dore hare erue haren rechten loep.’ Uit de penningcohieren van 1571 wordt duidelijk dat het Hof te Koudenberg dan bestaat uit een huis, schuren en stallen die door de Abdij van Sint-Klara verpacht worden aan een zekere Gillis Vandehuffele, terwijl Steven Stalpaerts er graan en olie maalt voor ‘Zijne Majesteit’. Laatstgenoemde was destijds de koning van Spanje, die vermoedelijk de molen geconfisqueerd had nadat hij de Graaf van Egmond, heer van Moerbeke en Viane, wegens hoogverraad had laten terechtstellen op de Grote Markt van Brussel. Ruim twee eeuwen later blijkt de molen in bezit te zijn van Baron Eustache-Joseph de Blondel de Beauregard en dan enkel nog graan te malen. Diens kleinzoon Alphonse-Marie-Ernest geeft in 1889 opdracht om de molen uit te breiden, zodat een stoommachine geplaatst kan worden om ook bij lage waterstanden te kunnen malen. In 1905 liet hij het waterrad vervangen door twee turbines, waarvan er één diende voor de opwekking van elektriciteit.

Afbeelding 3: Hoewel de Mertensmolen in de jaren dertig overschakelde op walsenstoelen bleef haar oorspronkelijke inrichting met maalstenen behouden.
In 1919 verkocht de familie De Blondel de Beauregard de maalderij aan Pierre Driscart, telg uit een molenaarsfamilie in het naburige Galmaarden, die haar daarna ook ging uitbaten. Hij liet de maalderij in 1928 met twee verdiepingen verhogen en schakelde in de jaren dertig over van molenstenen op cilinders, waartoe hij zes walsenstoelen liet plaatsen. De stoommachine was toen al niet meer in gebruik en aanvankelijk was het een gasmotor die deze stoelen aandreef, voordat vanaf 1934 dieselmotoren dit overnamen. Na het overlijden van Pierre namen zijn zoon Victor en dochter Maria het bedrijf over, die beide gehuwd waren met broer en zus Karel- en Martha Mertens. De gezamenlijke onderneming van beide echtparen kwam daarna bekend te staan als ‘Meunerie & Cylindres Victor Driscart & Charles Mertens’ en had zestien mensen in dienst. De inventaris van hun graanmaalderij bestond in 1940 uit twee waterturbines, twee koppels maalstenen, zes walsenstoelen, twee dieselmotoren, een dynamo en een haverpletter. Opmerkelijk genoeg was in één van de gebouwen van het complex ook nog een weverij gevestigd die door Victor’s broer Leon was opgezet.

Afbeelding 4: Na een waterrad, waterturbine, stoommachine en gasmotor waren het uiteindelijke twee dieselmotoren die de walsenstoelen gingen aandrijven.
Begin jaren vijftig werd het complex opnieuw uitgebreid en kwam de dagelijkse leiding in handen van Charles- en Honoré Mertens, beide zonen van Karel Mertens die ‘Molens Mertens Ch. & H.’ als firmanaam gingen voeren. Tien jaar later introduceerden zij een pneumatisch transportsysteem waardoor de productiecapaciteit kon worden opgevoerd naar zeventienhonderd kilogram tarwe per uur. Ook de opslagruimte moest daardoor een uitbreiding ondergaan. Naast het bestaande silogebouw met elf silo’s van honderd ton verrees daarom achter het woonhuis nog eens een extra silo van duizend ton, die bovendien beter was aangepast voor het hoge vochtgehalte van het binnenlandse graan. Ook in de daaropvolgende decennia werden nog moderniseringen doorgevoerd, waarvan de benodigde investeringen overigens steeds moeilijker terugverdiend konden worden vanwege het dalende rendement. Het was echter het gebrek aan een opvolger dat Charles Mertens er in 1992 toe deed besluiten om met het bedrijf te stoppen. Bescheiden inkomsten werden daarna enkel nog behaald uit de kleinschalige opwekking van elektriciteit met de waterturbines. Terwijl het complex te koop stond brak er brand uit in het silogebouw, waardoor het dak instortte en de maalderij er enkele jaren in een verkommerde toestand verkeerde.

Afbeelding 5: Toen de Mertensmolen in 1992 haar deuren sloot beschikte ze over acht walsenstoelen en vier cilindermolens waarvan er hier enkele te zien zijn.
De redding van de maalderij kwam in 2002 toen Herman Merckaert, aannemer uit Geraardsbergen, het complex kocht en in drie jaar tijd restaureerde om er zijn collectie ambachten en gereedschappen in onder te gaan brengen. Vanaf 1 juli 2006 kunnen geïnteresseerde bezoekers er terecht om deze te bewonderen in wat vanaf die dag Museum ’t Aloam heet. Voor velen van hen zal het toch op de eerste plaats een molenmuseum zijn omdat vrijwel alle installaties en werktuigen behouden zijn gebleven en daarmee een goed beeld geven van de wijze waarop een industriële maalderij begin vorige eeuw functioneerde. Dat geldt ook voor de molenaarswoning, waarin sinds de jaren dertig nauwelijks iets is veranderd en het lijkt alsof de tijd er stil heeft gestaan. Het ruim twintig meter hoge silogebouw kreeg zes tussenverdiepingen waarop de oude gereedschappen behorende bij twaalf ambachten ten toon zijn gesteld, waaronder een oude drukkerij. Na revisie kreeg één van de oude dieselmotoren een plaatsje in de kelder van het graanpakhuis en kan daar op verzoek weer in werking worden gesteld. Oorspronkelijk zorgde dit exemplaar van de firma Deutz voor de aandrijving van het transportsysteem, reinigingsapparaten en weegtoestel in het silogebouw. Sinds 2015 wordt er in de Mertensmolen eveneens weer op bescheiden schaal gemalen door Jef Merckaert, zoon van Herman, en Noëlle Mertens, dochter van Honoré.

Afbeelding 6: Dankzij een zijtak op de Marck met een verval van 1,7 meter en een debiet van vijftien kubieke meter per minuut kunnen de Francisturbines van de Mertensmolen een vermogen van vijf kilowatt opwekken.