Nordhausen (D)

Afbeelding 1: De voormalige pruimtabakfabriek C.A. Kneiff aan de Gerhart Hauptmannstraße in Nordhausen zal op korte termijn worden omgebouwd tot een wooncomplex voor senioren.

Het beeld van het Duitse industriële verleden wordt weliswaar gedomineerd door kolen- en staal, toch beperkte deze ‘Montanindustrie’ zich slechts tot een handvol regio’s en leefden de mensen tot begin vorige eeuw in de meeste streken van handel, ambacht en landbouw. Zo ook in de Harz, het noordelijkste berggebied van Duitsland, waarvan de Brocken met zijn elfhonderd-en-veertig meter de hoogste top vormt. Eeuwenlang waren hier mijnen waar zilver, lood, koper en zink werd gewonnen, maar een omvangrijke verwerkende industrie is hier nooit uit voortgekomen. Om het harde bestaan van de mijnwerkers draaglijk te maken ontstond er behoefte aan genotsmiddelen en het waren deze producten waar de nijverheid van Nordhausen zich in ging specialiseren. Dat begon met het stoken van brandewijn, waarvan de eerste vermelding uit 1507 dateert. In de hoogtijdagen telde de stad vele tientallen ‘Kornbrennereien’. Tabakverwerking liet nog drie eeuwen op zich wachten, maar toen gingen de ondernemers van Nordhausen zich ook hier op grote schaal mee bezighouden. Eén van hen was Carl August Kneiff. Hij begon in 1827 een tabaksmanufactuur die in een eeuw tijd uitgroeide tot een fabriek waarvan het reusachtige gebouw behouden is gebleven en binnenkort ingericht zal gaan worden met seniorenwoningen.

Afbeelding 2: In de negentiende eeuw ontstonden in Nordhausen tal van tabaksondernemingen. Deze geschiedenis wordt sinds 1994 getoond in het Museum Tabakspeicher dat gevestigd is in het voormalige tabaksmagazijn van de firma Walther & Sevin.

Het was vooral ‘Kautabak’ (pruimtabak) waarop men zich in Nordhausen ging toeleggen, want alleen op die manier konden de mijnwerkers ook ondergronds profiteren van de stimulerende werking van nicotine. Hiervoor lieten de ondernemers zware, hoogwaardige Kentucky-tabak importeren, die via de havens van Bremen en Hamburg in Duitsland aankwam. Samengeperst verpakt in vaten of bundels waren de bladeren al tijdens de overtocht grotendeels gefermenteerd. Deze werden op drie manieren geschikt gemaakt voor de consumptie. Door te spinnen, waarbij de grote bladeren werden bevochtigd, gewalst en in repen werden gesneden tot ‘Rippentabak’.  Van de kleine bladen werd ‘Buscher’ gemaakt, dat als binnenwerk diende voor tabaksproducten. Tenslotte produceerde men zogenaamde ‘Soße’ (saus) door tabak uit te logen, waarna deze nicotinearme bladeren voor sigaren gebruikt werden. Het aromarijke extract werd toegevoegd aan drop, citroensap, rum en wijn. Spinmachines draaiden de tabaksreepjes in elkaar tot strengen die vervolgens op rollen werden gewikkeld. Afhankelijk van de gewenste sterkte voegde men er tijdens dit proces Buscher of Soße aan toe om een schaal van één tot zeven te bereiken. Voor de verkoop aan de consument versneed men het eindproduct tot staafjes, rolletjes of snoeren en verpakte deze in blikken met daarop een accijnszegel. De receptuur, met name die van de Soße, was een streng bewaard geheim van iedere onderneming.

Afbeelding 3: Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van C.A. Kneiff werd in 1927 een uitgebreide fotoreportage van de fabriek gemaakt. Met de klok mee zijn hier te zien (vanaf linksboven) de spinnerij, de inpakafdeling, de kokerij en de zeefmachine.

Het was in 1811 August Fleck die in de Kranichstraße als eerste een manufactuur voor rook- en snuiftabak opende en vanaf 1815 ook pruimtabak in zijn assortiment opnam. Vanaf 1817 kreeg hij concurrentie van Georg Andreas Hanewacker en Johann Friedrich Knies, waarvan laatstgenoemde zich in dezelfde straat vestigde. Zoals gezegd trad Carl August Kneiff tien jaar later toe tot deze branche en dat gold ook voor Friedrich Conrad Lerche. In 1835 was de firma Reddersen voorlopig de laatste die in Nordhausen tabak ging verwerken. Dit aantal stak schril af tegen de tachtig stokerijen die de stad op dat moment telde, maar zij waren het wel die de tabaksondernemers extra klandizie bezorgden omdat de voerlieden die er de brandewijn kwamen ophalen ook steevast rook-, snuif- of pruimtabak bij hen kochten. De omzet kreeg in 1843 een extra impuls door de introductie van de ‘Missouri-Zigarre’ die men produceerde uit de tabaksbladeren die uitgeloogd waren ten behoeve van de Soße-bereiding. Dit leidde wederom tot de komst van nieuwe tabaksfabrikanten zoals Salfeld & Stein (1843), Grimm & Triepel (1849), Rothhardt & Co. (1854) en Berlin & Bona (1858). Halverwege de negentiende eeuw schaften deze ondernemers ook de eerste stoommachines aan zodat met recht gesproken kon worden van een industriële ontwikkeling binnen de tabakssector. In de halve eeuw die volgde steeg het aantal tabaksfabrieken tot achttien, die samen meer dan vijftigduizend Zentner (vijfentwintighonderd ton) tabak verwerkten. Het aantal stokerijen was met achtenzestig weliswaar hoger, de tewerkstelling was met vierentwintighonderd arbeidsplaatsen binnen de tabaksfabrieken dan weer groter. Door deze omvang was het onvermijdelijk dat de tabaksarbeiders zich gingen organiseren en het was deze ‘Kautabak-Arbeiterproductivgenossenschaft’ van Nordhausen die in 1901 deelnam aan de grootste staking binnen de sector die zes maanden duurde.

Afbeelding 4: Eveneens uit de fotoreportage van 1927 zijn hier met de wijzers van de klok mee te zien de afdeling voor dekbladverwerking (linksboven), snijmachines voor rooktabak, kelder voor het uitpakken van de ruwe tabak en de rollenmakerij.

Kort voor de Eerste Wereldoorlog voorzag Nordhausen ruwweg in de helft van de vraag naar pruimtabak binnen heel Duitsland. Die positie was niet alleen bereikt door een hoge kwaliteit, maar ook door veel reclame te maken, zoals bijvoorbeeld met de slogan ‘Nordhäuser Priem (pruimtabak) äss wältberiehmt, där Kenner keinen andern priemt!’ Sommige tabaksfabrikanten verwierven prominente posities binnen de stad, zoals Hermann Hanewacker die in 1900 voorzitter van de kamer van koophandel werd en in 1907 ereburger van de stad. Zijn financiële bijdrage aan de ‘Hanewacker-Brücke’ en het ‘Stadtbad’ zullen daar ook een rol in hebben gespeeld. Na het uitbreken van de oorlog in 1914 begon de grondstofvoorziening als snel problematisch te worden, hoewel de bedrijven tot aan de wapenstilstand van 1918 de frontsoldaten met surrogaatproducten, zoals onder de merknaam ‘Kamerad Priem’, aan het pruimen hielden. Financieel gezien brak de moeilijke tijd pas daarna aan door de economische crisis die op het Verdrag van Versailles volgde. Tien ondernemingen reageerden hierop door in 1920 gezamenlijk de ‘Nordhäuser Tabakfabriken Aktiengesellschaft’, kortweg ‘Nortak’ te vormen. Dit kartel liet in 1927 een nieuwe, prestigieuze productielocatie bouwen die overigens in de volksmond ‘Hanewacker-Fabrik’ ging heten, omdat deze ondernemer de Nortak domineerde. Dit project was onder de aandeelhouders echter zeer omstreden en het feit dat bedrijven die buiten Nortak bleven het verrassend goed bleven doen bevestigde hun scepsis. Na de Tweede Wereldoorlog betekende de opmars van de sigaret en kauwgum het begin van het einde voor de pruimtabak. Nordhausen ging deel uitmaken van de DDR en zoals de meeste ondernemingen werd ook Nortak een VEB, ofwel Volkseigene Betrieb. Na 1990 kwamen de restanten van VEB Nortak in handen van tabaksgigant Reemtsma.

Afbeelding 5: Brievenhoofd uit 1907 met daarop het fabriekscomplex dat 1894 gebouwd was nadat het vorige door brand was verwoest.

Nadat hij de eerst tien jaar in een gehuurd bedrijfspand in de Rautenstraße actief was geweest, kocht Carl August Kneiff in 1837 een lap grond aan de Hagenstraße waarop hij zijn eigen manufactuur liet bouwen, die daarna nog diverse uitbreidingen onderging. In 1865, één jaar voor zijn overlijden, bedroeg de productie zeven miljoen sigaren, tweeëntwintig ton snuiftabak, tweeënzeventig ton rooktabak en maar liefst honderdnegentig ton pruimtabak. Zijn beide zonen Carl en Rudolph zetten de zaak succesvol voort, zodat twintig jaar later al tweehonderdtachtig ton pruimtabak geproduceerd werd. De andere tabaksproducten hielden hier overigens geen gelijke tred mee omdat de broers onvoldoende inspeelden op de veranderde smaakvoorkeuren. Hun meeste aandacht ging immers uit naar de pruimtabak, vanwege de grootste omzet die ze daarin maakten. Bovendien kregen ze een financiële klap te verwerken toen hun bank failliet ging en ze daardoor driehonderdduizend Mark verloren, terwijl er juist voor een half miljoen Mark aan Kentucky-tabak betaald moest worden die onderweg was. In 1893 volgde een twee tegenslag toen een brand de helft van hun bedrijfsgebouwen in de as legde, waarbij ook tweehonderdveertigduizend sigaren en negentig ton pruimtabak in rook opgingen. Dankzij het vertrouwen van hun leveranciers, afnemers en geldschieters konden Carl en Rudolph een nieuwe, moderne fabriek van zes verdiepingen laten bouwen die bovendien was uitgerust met een eigen elektriciteitscentrale. Na de eeuwwisseling kregen de derde- en vierde generatie Kneiff te maken met de gevolgen van de grote tabaksarbeidersstaking, Eerste Wereldoorlog en economische crisis die daarop volgde. De firma C.A. Kneiff trad in 1920 eveneens toe tot het Nordtak-kartel en ging daar na de Duitse Deling van 1949 volledig in op toen de Kneiffs, net als veel andere ondernemersfamilies in de DDR, onteigend werden. Een deel van het grote fabrieksgebouw heeft daarna jarenlang onderdak geboden aan het gemeentelijke Finanzamt en zal binnenkort, na jarenlange leegstand, omgebouwd worden tot wooncomplex voor senioren.

Afbeelding 6: Kaft van het jubileumboek dat in 1927 werd uitgebracht ter gelegenheid van het eeuwfeest van de firma C.A. Kneiff.