
Afbeelding 1: Bijna een eeuw lang voorzag Perran Foundry de koper- en tinmijnen van Cornwall van machineonderdelen voor hun pompen en hamerwerken. Daarna werden de gebouwen nog eens een eeuw gebruikt voor productie en opslag van veevoeder. Sinds kort zijn er woningen in ondergebracht en is er op het voormalige gieterijterrein ook nieuwbouw verrezen.
Dankzij de vele tientallen Pump Engine Houses die herinneren aan het verleden van de tinmijnbouw behoort het industrieel erfgoed van Cornwall tot het bekendste van heel het Verenigd Koninkrijk. Al in de oudheid werd hier tin gewonnen voor het smelten van brons, maar pas begin achttiende eeuw kon men hiervoor dieper in de bodem afdalen toen Thomas Newcomen een stoommachine had ontwikkeld om de mijngangen droog te pompen. Boven iedere schacht verrees daarna een torenvormig gebouw met schoorsteen waarin deze ‘vuurmachine’ was ondergebracht. Ze domineren nog altijd het landschap en kregen vanaf 2015 grote bekendheid door de televisieserie ‘Poldark’. Gedurende vijf seizoenen wist de BBC een groot publiek te boeien met de belevenissen van Ross Poldark, een voormalig legerkapitein die in 1783 uit Amerika terugkeert naar Cornwall om daar o.a. een tinmijn te gaan exploiteren. Naast de intriges en romantiek waren het zeker ook de opnames van het ruige landschap die bij de kijkers in de smaak vielen en hen er toe aanzetten om er een tweede woning te kopen. Overigens was Cornwall al veel langer een geliefde binnenlandse vakantiebestemming voor de Britten, waardoor in veel dorpen en stadjes amper nog betaalbare woningen beschikbaar zijn voor de eigen bevolking. Die moet tegenwoordig vooral haar geld verdienen met dat toerisme, want aan de tinwinning is al meer dan een eeuw geleden een einde gekomen. En dat geldt ook voor de industrie die daarmee verbonden was, zoals Perran Foundry. Deze ijzergieterij vervaardigde onderdelen voor de stoommachines, pompen en hamerwerken van de tin- en kopermijnen, maar later ook voor andere toepassingen zoals de stoomgemalen van de Haarlemmermeerpolder, hoewel dit uiteindelijk niet konden voorkomen dat het bedrijf in 1879 ten onderging. De gebouwen gingen daarna dienst doen als mengvoederfabriek om na de laatste eeuwwisseling uiteindelijk een woonbestemming te krijgen. Laten we hopen dat dit keer ook ‘locals’ er onderdak kunnen vinden.

Afbeelding 2: Perran Foundry ontleent zijn naam aan Saint Piran (Sint Piranus), een abt uit de vijfde eeuw die een orde stichtte in Cornwall en later heilig werd verklaard. Hij groeide uit tot de patroonheilige van Cornwall en die van haar mijnwerkers in het bijzonder.
Het was George Fox die in 1769 de basis legde voor de bedrijvigheid in de vallei van de River Kennal door in Perranarworthal op de zuidoever een stuk grond te pachten van Lord Mount Edgecumbe. Fox was een Quaker en blonk net als veel van zijn geloofsgenoten uit in het ondernemerschap, wat hen samen met andere dissenters tot een belangrijke motor van de industriële revolutie maakte. Zeven jaar eerder had hij in het naburige Falmouth al de handelsonderneming G.C. Fox & Company opgericht, die zich presenteerde als ‘Consuls, Merchants and Shipping Agents’. Het was nu zijn bedoeling om in Perran een haven aan te leggen van waaruit de kopermijnen in het tien kilometer verderop gelegen Gwennap bevoorraad konden worden met steenkool, kalksteen en hout. Perran Warf was een succes en werd na de dood van George Fox in 1781 voortgezet door zijn zonen George en Robert. Die gingen eveneens guano importeren omdat de boeren van Cornwall dringend behoefte hadden aan een meststof om hun oogstopbrengst te vergroten en daarmee de monden te voeden van het sterk groeiende aantal mijnwerkers en hun gezinnen. Ook de vraag naar onderdelen voor stoommachines en hamerwerken was groot en daarom besloten de broers in 1791 om die te gaan vervaardigen in een eigen ijzergieterij: Perran Foundry. Omdat ze zelf niet over technische kennis beschikten trokken ze Peter Price aan als bedrijfsleider. Voor het benodigde ruwijzer gingen ze een samenwerking aan met de Neath Abbey Ironworks nabij Swansea in South-Wales. Schepen werden in Perran Wharf beladen met kopererts uit Gwennap om het in Swansea – bijgenaamd ‘copperopolis’ – te laten smelten en brachten vervolgens ijzer mee terug voor verwerking tot machineonderdelen in Perran Foundry. Daar had George Fox II in 1799 de leiding van Price overgenomen, die zelf de Abbey Ironworks onder zijn hoede nam.

Afbeelding 3: Tekening uit de vroege 19e eeuw van Perran Wharf met op de achtergrond de rokende schoorstenen van Perran Foundry. Het vele hout dat nodig was voor de mijnbouw werd hier aangevoerd vanuit Noorwegen. De herberg waarin de Noorse zeelieden destijds verbleven staat nog altijd bekend als de Norway Inn.
De River Kennal was niet alleen de vaarweg van waaruit Perran Wharf via het estuarium van de River Fal met de open zee was verbonden, maar daarnaast ook de krachtbron voor Perran Foundry. Daarvoor groef men twee kanalen parallel aan de rivier om met het daardoor omgeleide water vijf grote raderen (variërend van zestien- tot tweeëntwintig voet diameter) aan te drijven, waarmee de zware hamers van de smederij bekrachtigd werden. Hoewel het debiet van deze kanalen met anderhalf miljoen gallon per uur aanzienlijk kon zijn, moest er in de droge maanden een beroep gedaan worden op stoomkracht om het bedrijf draaiende te houden. De gieterij bestond uit drie hallen met ieder hun eigen koepeloven en haard. Het eenvoudige gietwerk vond plaats in de ‘green sand shop’ en de meer complexe vormen in de ‘dry sand shop’. Terwijl hier de gietvormen werden gemaakt door kisten met zand te vullen was de ‘loam shop’ gereserveerd voor het gieten van de grootste machineonderdelen. Daar was de gehele lemen vloer beschikbaar om de gewenste gietvorm in aan te brengen. Ook smeedijzer, schroeven en messing plaatwerk werden binnen het eigen bedrijf geproduceerd. In totaal besloegen de werkplaatsen, loodsen en magazijnen een oppervlakte van twee hectare en waren er in de hoogtijdagen zo’n honderdveertig mannen en jongens werkzaam. De machineonderdelen voor de kopermijnen werden over de ‘coach road’ door Perranarworthal naar Gwennap getransporteerd. Die voor klanten elders in het land bracht men in platbodemschuiten naar Restronguet aan de Fal Estuary, waar het water diep genoeg was om zeeschepen te laten afmeren. De leveringen aan de kopermijnen bestonden uit takelwerktuigen, kaapstanders, hamerwerken, raderen, buizen en afsluiters. Voor de constructie van pompen voorzag Perran Foundry de machinebouwers van balansarmen en cilinders, waarvan de grootste exemplaren een diameter van negentig inch hadden. Harvey & Co. uit Hayle, ook wel ‘Harveys of Hayle’ genoemd, was de belangrijkste machinefabriek van Cornwall die de meeste pompmachines bouwde. Niet alleen voor de mijnen van Cornwall, maar tussen 1845 en 1850 ook voor de gemalen Lijnden, Leeghwater en Cruquius van de Haarlemmermeerpolder. Laatstgenoemde is in operationele toestand behouden gebleven en tegenwoordig een museum.

Afbeelding 4: Eén van de kopermijnen van Gwennap was ‘Wheal Busy’ waar in twee eeuwen tijd naar schatting honderdduizend ton kopererts gewonnen is. Al in 1727 werd hier een stoompomp naar ontwerp van Thomas Newcomen geplaatst om de mijngangen te ontwateren.
Na zijn dood in 1812 werd George Fox II opgevolgd door George Fox III, die als diepreligieuze intellectueel de dagelijkse leiding liever overliet aan Benjamin Sampson. Deze was als mijnwerker begonnen en had daarna ervaring opgedaan als ondernemer door buskruit te produceren, eveneens onmisbaar voor de tin- en koperwinning. In 1822 verliet George Fox II Cornwall en werd opgevolgd door zijn jonge neef Charles Fox die wel belangstelling had voor bedrijfsvoering. Een eigenschap die hij in de goede Quaker-traditie combineerde met een bevlogen zorgzaamheid voor zijn werknemers. Toen de vraag uit de tin- en kopermijnen tijdelijk terugliep wist hij ze aan het werk te houden met een grote exportopdracht voor Mexico. Die omvatte de levering van ruim vijftienhonderd ton aan werktuigen voor het ontwateren van een zilvermijn aldaar. Nadat Sampson in 1840 was gestorven en Charles Fox zich teruggetrokken had op zijn landgoed in Trebah, nam zijn neef Barclay Fox de leiding over. Diens moeder was van geboorte een Barclay, eveneens een Quaker-familie die zakelijk succesvol was, maar dan in het bankwezen. Het investeringskapitaal voor een noodzakelijke modernisering van Perran Foundry leende Barclay echter niet van een bank maar van de familie Williams die eigenaar was van de kopermijnen in Gwennap, waar nog altijd de meeste opdrachten vandaan kwamen. Van oudsher hadden zij al een belang in de gieterij en breidden dat in de jaren die volgden verder uit tot ze er in 1860 de volledige zeggenschap over hadden. Vanaf dat jaar kwam de dagelijkse leiding in handen van Michael Henry Williams en daarna Sir. Frederick Martin Williams MP. Ondanks exportorders en opdrachten voor waterleidingbedrijven die in opkomst waren, bleef Perran Foundry sterk afhankelijk van de kopermijnen. Toen die in de loop van de jaren zeventig uitgeput raakten en het af moesten leggen tegen de import van goedkoop kopererts uit het buitenland, betekende dat in 1879 ook het einde van de ijzergieterij. Vierhonderd mensen verloren hun werk, met grote sociale gevolgen. Velen trokken weg om in de haven van Falmouth hun brood te gaan verdienen, anderen belandden zelfs in London bij de Royal Dockyards en Woolwich Arsenal. Het machinepark van Perran Foundry werd overgenomen door Harveys of Hayle, de metaalvoorraden, gietmallen en blauwdrukken op een veiling verkocht. In 1881 stonden de gebouwen leeg en daar zou bijna tien jaar geen verandering in komen.

Afbeelding 5: Foto van Perran Foundry, genomen omstreeks begin vorige eeuw. In de gebouwen was toen een mengvoederfabriek ondergebracht.
In 1891 werd het terrein gepacht door de familie Edwards, uitbaters van de nabij gelegen Manor Mill. Zij liet de gebouwen geschikt maken om er granen tot veevoeder te kunnen vermalen met behulp van drie maalsteenkoppels die door de bestaande waterraderen werden aangedreven. Bovendien kwam er in 1894 een nieuwe kade om de granen die per platbodemschuit vanuit de zeeschepen werden aangevoerd te kunnen lossen. Om de bevaarbaarheid van de River Kennal te verbeteren werd in de jaren vijftig haar loop zelfs nog aangepast, inclusief de bouw van een brug. Tien jaar later werd ook de mengvoederfabriek gemoderniseerd nadat deze was overgenomen door J. Bibby & Sons. Deze onderneming bleef nog tot 1987 actief in Perran Foundry, waarna wederom een periode van langdurige leegstand volgde. Na de laatste eeuwwisseling werd duidelijk dat het industriële tijdperk voor deze locatie definitief voorbij was en herontwikkeling voor een nieuwe bestemming het meest voor de hand lag. Gekozen werd voor een combinatie van wonen en werken, met behoud van de oude gieterijgebouwen. Vanaf 2013 werden deze omgebouwd tot woningen, kantoren en werkruimtes voor kleinschalige bedrijvigheid, te beginnen met de voormalige smederij. Op de rest van het voormalige bedrijfsterrein kwam nieuwbouw tot stand in een architectuurstijl die aansluit bij die van de oude ijzergieterij.

Afbeelding 6: Een replica van een waterrad in het wooncomplex herinnert aan de belangrijke rol die waterkracht speelde voor de vroegere bedrijvigheid van Perran Foundry.