Industrie & Recht

Afbeelding 1: Het Britse patent dat Guglielmo Marconi in 1896 kreeg verleend op zijn uitvinding van de draadloze telegrafie.

Onze moderne samenleving is ondenkbaar zonder het rechtssysteem, waaraan niet alleen individuen, maar ook organisaties zoals industriële ondernemingen zijn onderworpen. Het gaat dan niet alleen om het bedrijfsrecht, waaraan ook handelsondernemingen, kleine zelfstandigen of bancaire instellingen zich dienen te houden, maar ook om een aantal specifieke rechtsgebieden waarmee men te maken krijgt bij de ontwikkeling, fabricage en verkoop van producten. Zoals het patentrecht, dat bescherming biedt aan het intellectuele eigendom van de uitvinding die aan een product ten grondslag ligt en het merkenrecht aan de naam waaronder het op de markt wordt gebracht. Daarnaast moet het product aan de warenwet voldoen om de veiligheid en gezondheid van de consument te garanderen, evenals de betrouwbaarheid dat deze ook daadwerkelijk krijgt wat hem beloofd wordt. Al tijdens de opkomst van de industrie werd snel duidelijk dat grootschalige productie aanleiding geeft tot overlast, gevaar en vervuiling van de directe omgeving, waar de hinderwet paal en perk aan moest stellen. Eind vorige eeuw kwam het milieurecht tot stand om dit voor zowel mens als natuur in de wijde omtrek te bewerkstellingen. Meer nog dan andere bedrijven zijn industriële ondernemingen aangewezen op export wanneer hun productieomvang de binnenlandse vraag overstijgt, maar krijgen dan te maken met invoerrechten waarmee andere landen hun eigen industrie beschermen. Deze pagina zal aandacht besteden aan de historische achtergrond van deze rechtsgebieden, te beginnen in het pre-industriële tijdperk toen de nijverheid nog gedomineerd werd door ambachtslieden.

Afbeelding 2: Het US patent dat Elisha Graves Otis in 1861 kreeg verleend op zijn uitvinding van de veiligheidslift.

In de late middeleeuwen gingen de ambachten in de steden zich organiseren in gilden, die binnen de stadsmuren het alleenrecht bezaten om een ambacht uit te oefenen. Ze zagen toe op de kwaliteit van hun producten door nieuwe leden aan een meesterproef te onderwerpen, nadat deze jarenlang als gezel in opleiding waren geweest. De toegelaten vakman mocht daarna het keurmerk voeren dat voor zijn klanten een garantieteken was en hem onderscheidde van zogenaamde beunhazen die buiten het gilde om het ambacht probeerden uit te oefenen. Veel gilden voorzagen ook in een vorm van sociale zekerheid wanneer een lid door ongeval of ziekte zonder inkomsten dreigde te raken of onderhielden zelfs weduwe en kinderen in geval van overlijden. Ze ontmoetten elkaar wekelijks in een eigen kapel in de kerk die aan hun patroonheilige was gewijd en jaarlijks meermaals op de vergadering in het gildehuis waarbij nieuwe leden werden toegelaten, nieuwe regels werden goedgekeurd en functionarissen werden gekozen. Laatstgenoemden droegen zorg voor het dagelijks bestuur, inspecteerden de werkplaatsen van hun leden en zagen er op toe dat deze hun contributie betaalden en zich aan de productiequota hielden. Vaak hadden ze ook bevoegdheid om recht te spreken, met name om handelsconflicten af te wikkelen. Meestal betrof het zaken waarbij inbreuk was gemaakt op het exclusieve recht van de gildebroeders om hun producten binnen de stad te verkopen. Met dit monopolie werd iedere vorm van concurrentie uitgeschakeld en daarmee de prijs hoog gehouden. Zodoende vormden ze een rem op schaalvergroting en modernisering en kwam de industriële ontwikkeling pas op gang nadat eind achttiende eeuw in West-Europa het gildestelsel was opgeheven. Toen waren overigens al decennialang industriepioniers actief, meestal ondernemers die door hun geloofsovertuiging geen toegang hadden tot de gilden zoals joden en doopsgezinden. Zij openden hun manufacturen en fabrieken buiten het rechtsgebied van de gilden in dorpen of zelfs verlaten gebieden, daarbij gelijktijdig profiterend van de lagere loonkosten aldaar.

Afbeelding 3: Het keizerlijke Duitse patent dat Rudolf Diesel in 1892 kreeg verleend op zijn uitvinding van de tweetaktmotor voor gasolie.

De leidende rol die Groot-Brittannië had in de industriële revolutie was mede gebaseerd op een aantal uitvindingen die er in de achttiende eeuw werden gedaan zoals de cokeshoogoven van Abraham Darby, de spinmachine van Richard Arkwright en de stoommachine van James Watt. Ter erkenning van hun recht op het intellectueel eigendom van deze vindingen kregen zij hier een patent op verleend, al betekende dit niet dat dit recht van regeringswege actief beschermd werd. Zij droegen zelf de verantwoordelijkheid om vast te stellen wanneer daar inbreuk op werd gemaakt en naar de rechter te gaan om dit aan te vechten. Dat was enkel mogelijk binnen de landsgrenzen, want van een internationaal patentrecht was geen sprake. Daar zag de Britse regering wél een rol voor zichzelf weggelegd en stelde kort voor 1800 een verbod in op de uitvoer van met name textielmachines. Dit kon echter niet voorkomen dat deze in onderdelen naar het continent gesmokkeld werden of dat Britse ingenieurs ze daar in opdracht van ondernemers gingen bouwen. In de loop van de negentiende eeuw werden daar echter ook octrooiwetten aangenomen. Frankrijk had er al één die tijdens het revolutionaire bewind in 1791 tot stand was gekomen. Nederland, België en het Duitse Keizerrijk volgden in respectievelijk 1817, 1854 en 1877.

Overigens betekende dit niet dat er voor die tijd geen octrooien verleend waren. De Republiek der Zeven Provinciën, voorloper van het Koninkrijk Nederland, bestond nog maar kort toen haar Staten Generaal al in 1584 octrooi verleenden aan Simon Stevin voor zijn waterpomp. Het bekendste octrooi had echter geen betrekking op een uitvinding maar op het alleenrecht om handel te drijven met Indië dat in 1602 aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie werd toegekend. Want terwijl tegenwoordig een octrooi of patent direct in verband wordt gebracht met een uitvinding, was het in het pre-industriële tijdperk ook mogelijk om er een exclusief handelsrecht in vast te leggen. Het eerste Engelse patent dateert overigens uit 1449 en gaf de Vlaming (!) John of Utynam het alleenrecht om twintig jaar lang gebrandschilderd glas te maken, hoewel het allerminst vaststond dat het zijn uitvinding was. Het was de Republiek Venetië die in 1416 als eerste een patent toekende, en wel voor een toestel om uit wol vilt te maken. Zoals gezegd waren het de Britten die drie eeuwen later het patentrecht begonnen te gebruiken om het doen van uitvindingen te stimuleren door ‘novelty’ (nieuwheid) als eis te stellen. Daarnaast moest het gaan om echte inventiviteit, dus niet logisch volgend uit een bestaand idee, en diende het industrieel toepasbaar te zijn. Dat zijn ook vandaag de dag nog de drie uitgangspunten bij het toekennen van een patent. Voor laatbloeiers op het gebied van de industrialisatie zoals Nederland begon de octrooiwet een belemmering te vormen voor haar economische ontwikkeling en daarom werd ze in 1869 weer buiten werking gesteld. Door ondernemers ongehinderd gebruik te laten maken van buitenlandse uitvindingen hoopte de regering dat zij hun achterstand op industrieel gebied zouden kunnen inlopen. Ook Zwitserland koos voor deze benadering, maar voerde in 1888 onder internationale druk alsnog een octrooiwet in. Nederland hield haar houding nog langer vol maar volgde in 1910 als laatste Europees land toen de Rijksoctrooiwet in werking trad.

Afbeelding 4: Nadat Zwitserland in 1888 een octrooiwet had ingevoerd kreeg Paul Serret als eerste een patent toegekend voor zijn uitvinding van een nieuw balanceermechanisme voor horloges op basis van de metaallegering Invar.

Toen in de loop van de negentiende eeuw de omvang van industriële ondernemingen sterk begon toe te nemen, groeide de behoefte aan kapitaal voor de benodigde investeringen. Om dit van buiten het bedrijf aan te kunnen trekken gingen fabrikanten er toe over om aandelen uit te geven, waarvoor de juridische status van Naamloze Vennootschap (NV) de meest voor de hand liggende was. Dit betekende dat het kapitaal ging bestaan uit aandelen die vrij verhandelbaar waren en waarvan het risico van de houders beperkt bleef tot de waarde van hun inleg. Deze ondernemingsvorm bestond al sinds 1602, want historisch gezien was de Verenigde Oost-Indische Compagnie er het eerste voorbeeld van, dat internationaal snel navolging kreeg. Pas in 1826 ging men van een naamloze vennootschap spreken, nadat het als dusdanig was vastgelegd in het Wetboek van Koophandel. Daarbij werden de voorwaarden opgenomen waaraan een dergelijke onderneming moest voldoen, met als eerste dat de naam van één of meerdere van de vennoten niet gebruikt mocht worden in de naam van de NV, hetgeen de uitdrukking ‘naamloos’ verklaard. Daarnaast moest de bedrijfsnaam ook de activiteit weergeven waarmee de onderneming zich bezig hield. Na 1900 werden deze voorwaarden minder strikt gehandhaafd en na 1925 verdwenen ze uit de wet. Terwijl de aandelen van de NV vrij verhandelbaar zijn, bijvoorbeeld aan een effectenbeurs, geldt dit niet voor een BV, ofwel een Besloten Vennootschap, waarvan de aandeelhouders in een register dienen te worden vastgelegd. Deze bedrijfsvorm werd in Nederland pas in 1971 ingevoerd, min of meer naar Angelsaksisch voorbeeld waar deze al sinds 1855 bekend is onder de afkortingen Ltd. (‘Limited Company’ in het Verenigd Koninkrijk) en LLC (‘Limited Liability Company’ in de Verenigde Staten). De uitdrukking ‘limited’ verwijst hierin naar de ‘beperkte’ aansprakelijkheid van de aandeelhouders. Bedrijven die als NV opereren zijn in het Verenigd Koninkrijk herkenbaar onder de afkorting PLC (‘Public Limited Company’) en in de Verenigde Staten als Inc. of Corp. (‘Incorporated Business’). De Duitse tegenhanger van de BV wordt aangeduid als GmbH (Gesellschaft mit beschränkter Haftung, letterlijk vertaald Vennootschap met beperkte Aansprakelijkheid), de NV als AG (Aktiengesellschaft, ofwel Aandelenvennootschap). In Frankrijk tenslotte spreekt men van een SARL (Société à Responsabilité Limitée) en SA (Société Anonyme) als het gaat om respectievelijk een BV of NV.

Afbeelding 5: Frans patent dat Paul Magès in 1935 kreeg verleend op zijn uitvinding van een ‘carburateur à dépression constante’.  Hij is vooral bekend geworden door de ontwikkeling van het hydropneumatische veersysteem voor Citroën.

Om de mensen in de directe omgeving van bedrijven te beschermen tegen het gevaar en de overlast van productieprocessen werd in 1875 de Hinderwet ingevoerd. Dat deze vooral gericht was op industriële activiteiten blijkt wel uit het feit dat deze gedurende de eerste twintig jaar nog ‘Fabriekswet’ werd genoemd. De volledige naam luidde ‘Wet, tot regeling van het toezicht bij het oprichten van inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken’ en bestond uit voorwaarden voor het verkrijgen of verliezen van een vergunning. Weinig bekend is overigens dat deze wet al vroege voorlopers kende. Zo was er het Keizerlijk Decreet van 15 oktober 1810 betreffende fabrieken en werkplaatsen die een ongezonde hinderlijke geur verspreiden. Nederland maakte toen onderdeel uit van het Franse Keizerrijk en het decreet betrof een initiatief van de Jean-Antoine Chaptal, minister van binnenlandse zaken, maar van oorsprong scheikundige. Samen met vakgenoot Louis Bernard Guyton de Morveau had hij gedetailleerde rapporten opgesteld waarin zij de uitstoot van fabrieken in drie gevarenklassen onderbrachten. Het decreet dat hier uit voortkwam gold niet alleen in Frankrijk en Nederland, maar ook in België, Luxemburg en het Rijnland. Na afloop van de Franse Tijd bleef het gehandhaafd en ging binnen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1824 over in het ‘Koninklijk Besluit rakende de vergunningen ter oprichting van sommige fabrieken en trafieken’. De Hinderwet onderging in 1956 nog een grondige aanpassing en werd in 1990 uiteindelijk vervangen door de Wet Milieubeheer. Ook de oorsprong van de Mijnbouwwet uit 2003 gaat terug tot 1810 toen deze als Mijnwet door de Fransen eveneens op Nederland toepasbaar werd verklaard. Ze was als ‘Loi Minière’ in 1791 ingevoerd in Frankrijk, gevolgd door de Zuidelijke Nederlanden in 1801. De belangrijkste bepaling hierin schreef voor dat niemand bevoegd was om een mijn te exploiteren zonder een concessieakte van de regering. Net als de voorloper van de Hinderwet nam het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ook de Mijnwet in 1824 over en bleef deze na de deling van 1830 zowel in Nederland als België van kracht. Een aanpassing was nodig in 1901 om de exploitatie van steenkolenmijnen in Zuid-Limburg van Staatswege mogelijk te maken.

Om de burger als consument te beschermen kwam in 1919 een Warenwet tot stand, die in 1935 opging in de huidige. Dat is een zogenaamde raamwet die bestaat uit tientallen uitvoeringsbesluiten waarin nauwkeurig is vastgelegd waaraan met name voedingswaren moeten voldoen voor wat betreft samenstelling, verpakking en etikettering. Sinds geruime tijd zijn deze overigens al weer gebaseerd op Europese richtlijnen. De behoefte aan dit soort wetgeving ontstond eind negentiende eeuw, onder andere omdat de industrie goedkope varianten op bestaande voedingswaren gingen produceren. Een bekend voorbeeld hiervan was margarine dat als kunstboter op de markt werd gebracht. De ingrediënten die hierbij gebruikt werden (zoals boterkleursel) waren soms discutabel en men koos voor verpakkingen die verdacht veel op die van echte boter leken. Ook broodfabrieken hadden aanvankelijk een slechte reputatie omdat ze ervan verdacht werden kalk toe te voegen aan het meel, terwijl zuivelfabrieken hun melk zouden aanlengen met water. Berucht zijn ook boraat en sulfiet dat als conserveringsmiddel werd toegevoegd, totdat men er achter kwam dat deze chemicaliën schadelijk zijn voor de gezondheid. Invoering van verscherpte wetgeving leidde er soms toe dat binnen enkele jaren tal van bedrijven hun poorten moesten sluiten omdat ze niet over kapitaal en kennis beschikten om hun producten aan de nieuwe voorwaarden te laten voldoen. Zo veroorzaakte het Bierbesluit van 1926 een ware kaalslag onder kleine brouwerijen. Die waren vaak nog maar kort daarvóór actief geworden in de bereiding van pilsener bier, zonder werkelijk in staat te zijn om dit op kwaliteitsvolle wijze te brouwen.

Afbeelding 6: Keizerlijk Duits patent dat Gerard Philips in 1905 verleend kreeg voor zijn uitvinding van een verbeterde gloeilamp. Zijn bedrijf profiteerde sterk van het feit dat er destijds in Nederland geen octrooiwetgeving bestond die hem beperkte in de toepassing van buitenlandse uitvindingen, zoals bijvoorbeeld een gloeidraad van metaal i.p.v. koolstof.

Om de import van een product af te remmen kunnen regeringen er toe overgaan om daar een heffing op van toepassing te laten zijn, waardoor de aankoop hiervan voor de consument duurder wordt. Dit soort importheffingen worden ook wel invoerrechten genoemd en vormen samen met uitvoerrechten een categorie van indirecte belastingen. Uiteraard krijgt iedere onderneming die exporteert hiermee te maken en zal hiervan nadeel ondervinden omdat het zijn producten voor klanten in het buitenland duurder maakt, maar voor de industriële sector zitten er twee kanten aan. Invoerrechten worden namelijk bij uitstek door regeringen ingezet om de eigen industrie te beschermen tegen die uit het buitenland. Dat begon al in de negentiende eeuw in landen waar de industrie zich nog moest ontwikkelen, maar ondertussen concurrentie ondervond van buurlanden die daarin al een stap verder waren en dus hun producten goedkoper konden afzetten. Later bleef dit zich herhalen omdat nieuwe industrietakken in het ene land sneller van de grond kwamen dan in het andere. Bovendien gingen regeringen in tijden van economische crisis het wapen van de invoerrechten veel breder inzetten om het eigen bedrijfsleven, en daarmee de werkgelegenheid, overeind te houden. Berucht zijn de hoge importtarieven die in de jaren twintig en –dertig van de vorige eeuw door tal van landen breed werden ingesteld en een uitdrukking deden ontstaan die er nog steeds voor gehanteerd wordt: protectionisme. Het woord kent een negatieve connotatie omdat langzaam duidelijk werd dat het op de lange termijn altijd nadelig uitpakt voor de algehele economische ontwikkeling. Economen zullen daarom over het algemeen pleiten voor een beleid van vrijhandel, dat na de Tweede Wereldoorlog dan ook is gaan domineren. Sinds de laatste eeuwwisseling lijken we echter weer terecht te komen in een tijdperk van protectionisme nu economische grootmachten op verschillende continenten elkaar bedreigen met importheffingen. Voor grote industriële bedrijven was dit in het verleden aanleiding om buitenlandse vestigingen te openen teneinde daar hun producten te vervaardigen in plaats van deze ‘duur’ in te moeten voeren. Of dit zich zal gaan herhalen laat zich nu nog moeilijk voorspellen.