Weesp

Weesp (1)Afbeelding 1: De vitaminefabriek van Philips wordt nog altijd gebruikt voor productiedoeleinden, tegenwoordig door farmaceutisch bedrijf Abbott.

Het was C.J. Van Houten die in de negentiende eeuw met zijn cacaofabriek Weesp als industriestadje op de kaart zette. Bijna een halve eeuw na de sluiting van dit bedrijf is er niet veel tastbaars meer dat herinnert aan deze periode. Het enige industrieel erfgoed dat vandaag de dag nog resteert is te danken aan de samenwerking met Philips. In deze fabriek werd vanaf 1930 met speciale lampen vitamine-D geproduceerd dat met een chocoladeomhulsel als kindvriendelijk alternatief voor levertraan op de markt werd gebracht. Onder de naam Philips Duphar groeide deze samenwerking uit tot een farmaceutisch bedrijf voor de gezondheid van mens, dier en plant, dat later werd verkocht aan Solvay en thans onderdeel is van Abbott. De verlening van de gemeentelijke monumentenstatus aan het uit 1895 daterende gebouw van de vitaminefabriek verhindert overigens niet dat het nog steeds in gebruik is voor productiedoeleinden en daarom schuil gaat achter een wirwar van buizen, bordessen en brandtrappen.

Terwijl Van Houten het na een eeuw nog steeds hoofdzakelijk moest hebben van cacaopoeder, was Philips hard op weg om van gloeilampenfabrikant een wereldspeler in de opkomende elektrotechnische industrie te worden. Vooral haar eigen research-organisatie, het Natuurkundig Laboratorium (NatLab), speelde hierin een belangrijke rol door innovaties op het gebied van radio en röntgenbestraling. Wat nieuwe verlichtings-bronnen betrof werkten de onderzoekers aan gasontladingslampen, waarvan de neon- en TL-buizen de bekendste waren. Tot deze categorie behoorden echter ook de natriumlampen, die met hun kenmerkende oranje kleur later ingezet zouden worden om wegen te verlichten, en kwiklampen. Omdat kwikdamp bij hoge temperatuur en druk een wit licht uitstraalt  van hoge intensiteit dat de kleur van daglicht benadert, lag toepassing in filmprojectoren, studio-lampen, zoeklichten en vuurtorens voor de hand. De mogelijkheden werden nog groter door gebruik van een kwartsglas omhulsel, aangezien dan ook de ultraviolette component van het kwikspectrum benut kon worden om plantengroei te stimuleren en dit lamptype kreeg dan ook de merknaam Biosol.RZ3910-15 (van neg), Philips-Roxane, Weesp, fabricage Vitamine AAfbeelding 2: Operators aan het werk in de vitaminefabriek, medio jaren vijftig.

Dat ook het menselijk lichaam, vooral tijdens de groeifase, niet zonder ultraviolette straling kan was reeds in de voorgaande eeuw duidelijk geworden in het zich snel industrialiserende Engeland, waar in arbeiderswijken en fabrieken nauwelijks zonlicht doordrong. Bij kinderen gaf dit aanleiding tot skeletvergroeiing die door de medische wereld als Rachitis werd aangeduid maar in de volksmond bekend werd als “Engelse Ziekte”. Vanwege de ontwikkelingen in de röntgendiagnostiek stond het NatLab reeds in contact met de medische wereld en toepassing van een nieuwe stralingsbron voor gezondheidsdoeleinden was zeker niet onlogisch. Ter behandeling van patiënten werd een hoogtezon geconstrueerd op basis van kwiklampen, maar daar liet onderzoeker Egbert Reerink het niet bij, en verdiepte zich in het mechanisme dat schuil ging achter deze therapie. Aan het begin van de jaren twintig waren er wetenschappelijke doorbraken bereikt door niet alleen het verband aan te tonen tussen rachitis en zonlicht maar ook met bepaalde voedingsmiddelen. Men stelde vast dat ook met een dieet van boter, melk en levertraan rachitis kon worden voorkomen. Toen was het slechts een kwestie van jaren eer men een stof geïdentificeerd had die deze voedingsmiddelen gemeen hebben en bovendien wordt aangemaakt bij bestraling van de menselijke huid met ultraviolette straling: Vitamine D.

Nadat ook de uitgangsstof hiervan bekend was geworden, namelijk cholesterol, haakte Reerink hierop in door dit proces buiten het menselijk lichaam op te wekken met een utrasollamp. De UV-straling uit het spectrum van deze kwiklamp bleek inderdaad in staat om cholesterol in vitamine D om te zetten, zo rapporteerden zij aan hun directie. Die wist aanvankelijk niet hoe dit voor de onderneming profijtelijk te maken zou zijn, maar lichtte er in ieder geval president directeur Anton Philips over in. Deze deinsde er niet voor terug om radicaal nieuwe wegen te bewandelen waarvan de winstperspectieven pas op de wat langere termijn te verwachten waren, maar industriële productie van vitamine leek hem op het eerste gezicht toch wel erg ver buiten de business van zijn bedrijf  liggen. Het laatste zetje in deze richting werd echter gegeven door Geert van Mesdag, lid van de raad van commissarissen van Philips èn van Van Houten. Van Mesdag zag commerciële mogelijkheden in vitamine-D bevattende chocoladepastilles, omdat levertraan weliswaar zeer rijk was aan dit bestanddeel maar door zijn ranzige smaak en geur van rotte vis niet geliefd was bij kinderen. Onder de slogan “Lekkerder dan Levertraan” moest dit toch aan kunnen slaan, zo concludeerden Philips en Van Mesdag. Hoewel men aanvankelijk dacht aan een licentieovereenkomst die Van Houten het recht zou geven om tegen vergoeding de vinding van het NatLab voor dit doel in te zetten, kwamen de onderhandelingen in 1929 op een ander resultaat uit. Besloten werd om de productie en verkoop van chocoladepastilles onder te brengen in een gezamenlijke onderneming die in 1930 het levenslicht zag onder de naam N.V. Pharmaceutische Productenmaatschappij Philips-Van Houten.Weesp (3)Afbeelding 3: Het industriecomplex van Van Houten in de Aetsveldse Polder omstreeks het midden van de jaren vijftig. De vitaminefabriek is gemarkeerd.

De productie van vitamine-D vond voorlopig bij Philips in Eindhoven plaats, de vermenging met cacaoboter bij Van Houten in Weesp. In 1931 werd de vitamine houdende chocoladepastille gepatenteerd en onder de naam Dohyfral op de markt gebracht. Aangezien het productievolume nog klein was, vergde dit nog geen grote investeringen. Dit gold wel voor de reclamecampagnes en vrijgavetesten met het oog op voedselveiligheid en medicinale werking. Een spoedig uitzicht op winst was er niet, terwijl de voortwoekerende economische crisis de resultaten van beide bedrijven onder druk zette. Van Houten, dat voordien al verzwakt was, kon deze extra lasten niet langer dragen en was in 1935 genoodzaakt om zich uit de gezamenlijke onderneming terug te trekken. Desondanks concentreerde Philips de productie en verkoop van Dohyfral in Weesp. Hiervoor werd in 1936 een langgerekt bedrijfsgebouw van bouwjaar 1895 bestaande uit vier bouwlagen met ketelhuis op het fabriekscomplex van Van Houten geschikt gemaakt. De naam Philips-Van Houten bleef gehandhaafd en Reerink  ging er als directeur leiding aan geven. De achtentwintig medewerkers in Weesp hadden voorlopig hun handen vol aan de verbetering van het productieproces. Zo was het bestralingsprocedé brandgevaarlijk en een ongeluk liet dan ook niet lang op zich wachten. In 1939 kostte een explosie het leven aan een chemicus en een instrumentenmaker en raakten twee operators zwaar gewond. Daarom werd overgeschakeld van ether op het minder ontvlambare ethylalcohol als oplosmiddel voor het cholesterol. De beschikbaarheid van deze grondstof was overigens ook nog een punt van aandacht, aangezien niet ieder type vet hier even rijk aan is. Onderzoek wees uit dat met name mosselvlees een hoog cholesterolgehalte van 11% heeft. Om van voldoende mosselvlees verzekerd te zijn werd zelfs een mechanische pellerij in het Zeeuwse Arnemuiden opgestart. Uiteindelijk bleek echter wolvet, ofwel lanoline,  nog cholesterolrijker te zijn, waarbij de Nieuw-Zeelandse schapen met 15% het hoogst scoorden. Deze grondstof zou na de oorlog geleverd gaan worden door het Veenendaalse bedrijf Schuppen & Zoon.Weesp (4)Afbeelding 4: Reclameaffiches voor Biosol-lampen en Vitamine-D-pastilles onder de merknamen Agré-Gola en Actifral.

Het besef groeide echter al snel dat de farmaceutische activiteiten alleen maar konden groeien als ze een volwaardige plaats binnen de concern-organisatie zouden krijgen en zo ontstond in 1948 tot de Hoofd Industrie Groep (H.I.G) Philips Dutch Pharmaceuticals, of kortweg “Philips Duphar”. Naar de buitenwereld presenteerde men zich als een onderneming “Ter bevordering van de gezondheid van mens, dier en plant”. Punt van zorg was echter niet alleen dat winsten voorlopig uitbleven, maar ook dat binnen Philips weinig kennis bestond op het gebied van de fijnchemicaliën. Daarom werd de voormalig directeur van het eigen kennisinstituut NatLab, Gillis Holst, ingeschakeld voor advies. Deze suggereerde eenzelfde oplossing als destijds gekozen was voor de productieopschaling van elektrische apparaten die binnen het NatLab werden ontwikkeld, namelijk een flexibel inzetbare proeffabriek. Met dat verschil echter, dat de uiteindelijke industriële productie niet binnen eigen fabrieken maar die van gevestigde chemiebedrijven zou gaan plaatsvinden. Vanaf 1958 begon men eindelijk winst  maken en wierpen de  productontwikkelingsactiviteiten hun vruchten af. Intussen telde de hoofdindustriegroep twaalfhonderd medewerkers en was wel duidelijk dat Weesp er het zwaartepunt van zou worden, want na een korte naoorlogse opleving was Van Houten namelijk definitief in een negatieve spiraal terechtgekomen en zou haar industrieterrein in de Aetsveldse polder genoeg uitbreidingsmogelijkheden gaan bieden voor het expanderende Philips Duphar.RZ3911-5, Philips Roxane, Duphar, Weesp, 1953, 181.4, 882Afbeelding 5: De vitaminefabriek met op de voorgrond de laboratoria in laagbouwpaviljoens.

Ondanks de groei en verkoopsuccessen van Philips Duphar was er aan de positie binnen het moederbedrijf niet veel veranderd. Dat was ondertussen een elektronicaconcern van wereldformaat geworden waarbinnen de farmaceutische divisie een vreemde eend in de bijt was gebleven. Wel was de bedrijfseconomische visie binnen grote multinationals internationaal aan het veranderen. Was het in de jaren vijftig nog de trend binnen de industrie om te groeien door nieuwe markten te betreden of te ontwikkelen en op omzet te sturen, door de groeiende macht van de aandeelhouder wijzigde dit zich in een strategie waarin de winstgevendheid voorop stond en die vergroot moest worden door concentratie op enkele kernactiviteiten. Vanwege de toegenomen internationale concurrentie moest ook Philips meegaan in deze trend, met name omdat de nieuwe ontwikkelingen binnen de elektronica, zoals voortschrijdende miniaturisatie en de opkomst van de computer grote investeringen vergden. Het was dan ook voor insiders geen verrassing dat Philips Duphar in aanmerking kwam voor verkoop. Gezien de ervaringen uit het verleden lag een overnamekandidaat uit de chemische industrie het meest voor de hand. Bedrijven in deze sector waren bovendien ook actief op zoek naar producten met een hogere toegevoegde waarde, nu de marges van hun bulk- of basisproducten steeds verder onder druk kwamen te staan door internationale concurrentie. De nieuwe eigenaar van Philips Duphar werd in 1980 het Belgische chemiebedrijf Solvay. Na vijftig jaar Philips zou Solvay bijna dertig jaar lang het moederbedrijf van Duphar blijven, totdat het in 2009 door het Amerikaanse Abbott gekocht werd, de huidige eigenaar.Weesp (6)Afbeelding 6: Het laboratorium van NV Pharmaceutische Productenmaatschappij Philips-Van Houten, eind jaren dertig.

Dat de vitaminefabriek behouden is gebleven is te danken aan het feit dat het gebouw tot op de dag van vandaag voor productiedoeleinden wordt ingezet. Omdat de technische ontwikkelingen niet stil gestaan hebben is inmiddels het interieur en exterieur drastisch gewijzigd. Aan de buitenkant is dat te zien aan de vele pijpen die uit het gebouw steken. De dikke pijpen zorgen voor verse lucht in de fabriek, uit de kleine pijpjes op het dak komen damppluimpjes van oplosmiddelen die uit de reactoren vrijkomen. Brandveiligheidseisen hebben ervoor gezorgd dat er inmiddels overal vluchtwegen zijn en brandtrappen langs het gebouw lopen. Arbo-eisen hadden tot gevolg dat nu bijvoorbeeld aan de buitenkant een blauwe liftschacht gebouwd is. Dat het hier gaat om het enige overblijfsel van het fabriekscomplex van C.J. van Houten & Zoon was echter de belangrijkste reden voor Weesp om de vitaminefabriek toe te voegen aan de gemeentelijke monumentenlijst, hoewel de cacaoproductie zelf er overigens nooit in heeft plaats gevonden. Het is aanmerkelijk kleiner dan de andere fabriekspanden die begin jaren zeventig gesloopt werden, maar wat bouwstijl betreft wel representatief voor het gehele complex. De bedrijfsleiding van Solvay was destijds niet erg ingenomen met deze monumentenstatus uit vrees dat noodzakelijke aanpassingen van het pand in de toekomst mogelijk op bezwaren vanwege aantasting van het historisch uiterlijk zouden kunnen stuiten. Uit het feit dat het sindsdien inwendig een grondige modernisering heeft ondergaan kan worden opgemaakt dat deze zorg achteraf gezien voorbarig was. Onder de huidige omstandigheden zal dit enigszins opmerkelijke monument weinig bijdragen aan het in stand houden van de herinnering aan Van Houten  Cacao , hoewel de associatie  met Philips nog geringer zal zijn, terwijl het gebouw toch aan dat bedrijf haar behoud heeft te danken.