
Afbeelding 1: Het machinaal ‘uitzetten’ van leer bij schoenfabriek Bata in Best. Bij deze bewerking werd lokale rek in het leer over het hele vel verdeeld waardoor het in oppervlak toenam en eenvoudiger te verwerken was.
Hoewel schoen- en lederindustrie vaak in één adem worden genoemd is er binnen deze rubriek voor gekozen om ze op afzonderlijke pagina’s te behandelen. Weliswaar vonden productie van leer en schoenen vaak in dezelfde regio plaats en waren de schoenmakers de belangrijkste afnemers van leerlooiers, toch speelden beide nijverheden zich nooit onder hetzelfde dak af en ontwikkelden zich tijdens de industrialisatie eveneens aparte leder- en schoenfabrieken. De mechanisatie die in de tweede helft van de negentiende eeuw binnen de sector haar intrede deed leidde tot schaalvergroting, maar liet ruimte bestaan voor een omvangrijk midden- en kleinbedrijf waar handmatig werk nog lang bleef domineren. Niettemin bleef ook binnen de grote fabrieken het vervaardigen van schoenen een arbeidsintensief proces, net zoals dat gold voor de confectie-industrie. Om deze reden kon de schoenindustrie vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw al niet meer concurreren met de lagelonenlanden, die toen nog in Zuid-Europa gesitueerd waren, maar zich ondertussen al weer decennia in Azië bevinden. Tegelijkertijd deden synthetische materialen hun intrede waardoor leer als grondstof steeds meer naar de achtergrond gedrongen is. Van oudsher lag het zwaartepunt van de Nederlandse leder- en schoenenindustrie in de Brabantse Langstraat. Kort na de laatste eeuwwisseling waren daar nog tweehonderdveertig bedrijven actief op dit gebied, waarvan overigens ruim de helft als groothandel die jaarlijks nog goed was voor de verkoop van bijna tweehonderdvijftig miljoen paar schoenen. In ruim zestig bedrijven werden er toen nog daadwerkelijk schoenen geproduceerd, wat enkel mogelijk was door specialisatie zoals door de productie van maatwerkschoenen, orthopedische schoenen, kinderschoenen en werkschoenen.

Afbeelding 2: Het stikken van schachten bij schoenfabriek Swift in Nijmegen.
Schoenmakers ontwierpen en vervaardigden schoenen aan de hand van een houten vorm van de voet, de zogenaamde ‘leest’. Daarop werd het bovenwerk van de schoen, de ‘schacht’, uitgetekend, op leer overgezet en uitgesneden. Het stuggere en stevigere deel van de gelooide koeienhuid, de croupon, werd benut voor het ‘bodemwerk’: de binnenzool, loopzool en de verschillende lagen die samen de hak vormden. De schacht werd nog tot in de twintigste eeuw door thuiswerkers samengesteld door het voorblad, de neus, de zijpanden en de hiel aan elkaar te stikken. Voor bevestiging van de schacht op de binnenzool zette men deze eerst met een paar pinnen op de leest vast. De schacht werd vervolgens over de leest gespannen en tijdelijk met een paar spijkers op de binnenzool geslagen, om hem daarna tegelijk met een leren band, de ‘welt’, aan de binnenzool te naaien. Na verwijdering van de spijkers uit binnenzool en schacht was de schoen gereed om de loopzool aan de leren band te kunnen naaien. De schoen had nu voldoende samenhang om de leest te kunnen verwijderen, waartoe deze uit twee delen was samengesteld die uit elkaar konden worden genomen. Nadat de hak aan de zool was genageld werden de randen van de zool afgewerkt met een glad mes en met was bestreken.
Het begin van de mechanisatie vond rond 1850 plaats met de introductie van de stikmachine. Deze werd aanvankelijk nog met de voet aangedreven, waarbij de kracht met behulp van een wiel van het pedaal op de machine werd overgebracht. Eind negentiende eeuw volgden de stansmachine om het leer voor de zolen te snijden en de walsmachine om het leer plat te maken. De eerste schoenfabrieken werden met deze machines uitgerust en daar met stoomkracht aangedreven, maar ze werden ook aangekocht door ambachtelijke schoenmakers die er in een manufactuur samen gebruik van gingen maken. Naast de inzet van stoomkracht was het ook een steeds verder doorgevoerde arbeidsdeling waarin de fabrieken zich onderscheidden van deze manufacturen. Stikkers zaten op een rij aan de machines en voorzagen na elkaar verschillende delen van de schacht van een serie steken. De doornaaimachine van Mackay die rond 1875 vanuit Amerika ook in Europa toepassing begon te vinden maakte het mogelijk om de binnenzool en loopzool in hoog tempo met elkaar te verbinden. Het betekende een doorbraak in de schoenmakerij omdat dit tot dan toe snelheid van het totale productieproces had bepaald. Deze verkorting van de productietijd maakte schoenen goedkoper en daarmee voor veel meer mensen betaalbaar. Tegelijkertijd verbeterde de Mackaymachine de werkomstandigheden omdat arbeiders hem staande konden bedienen in plaats van de gebogen houding die ze bij het handmatig stikken nog hadden moeten aannemen. Een machine voor bevestiging van binnen- en buitenzool liet daarna niet lang op zich wachten en kreeg als bijnaam ‘de ijzeren schoenmaker’ omdat arbeiders hem als een bedreiging voor hun werkgelegenheid zagen.

Afbeelding 3: De stikafdeling van schoenfabriek Eperon d’Or in het Belgische Izegem.
Naast de twee bovengenoemde machines voor het bevestigen van zolen werden er nog andere ontwikkeld, zoals die van de Amerikaanse onderneming Goodyear voor het binnen-naaien en ‘aflappen’ (het bevestigen van de welt op de schacht en het aan elkaar stikken van binnen- en buitenzool). Hierop was in 1862 patent verleend, hoewel het nog twintig jaar duurde vooraleer deze machine de kwaliteit van het handwerk benaderde. Vervolgens duurde het nog eens twintig jaar voordat het eerste exemplaar in Nederland geplaatst werd. Mogelijk dat hierbij ook een rol heeft gespeeld dat Goodyear haar machines niet verkocht, maar enkel verhuurde aan de schoenfabrikanten. Concurrenten zoals Ellis en Ramsden kwamen met vergelijkbare machines op de markt die wél te koop waren, maar door hun mindere prestaties de positie van Goodyear nooit bedreigd hebben. Een andere belangrijke technische innovatie binnen de sector was de ontwikkeling van een machine waarmee de schacht op de binnenzool kon worden omgeslagen. Dit ‘zwikken’ was namelijk een tijdrovende en moeilijk te mechaniseren stap in het productieproces geweest. Het eerste bruikbare model, waarbij de machine kleine pinnetjes door de schacht en de zool heen sloeg, werd geïntroduceerd door het Amerikaanse bedrijf ‘Consolidated’ in 1882. Levering van de eerste zwikmachine aan een Nederlandse schoenfabriek vond in 1890 plaats, maar veel branchegenoten bleven nog lang vasthouden aan handwerk omdat ze de hoge investeringskosten niet konden opbrengen. Moderniseringen als deze bleven nog lang beperkt tot enkele vooruitstrevende ondernemers.
Met de uitbreiding van het machinepark veranderde ook de bouw en opzet van de schoenfabrieken. De grotere bedrijven werden opgedeeld in afdelingen voor ontwerpen, bodemwerk, leestklaarwerk en eindbewerking. Op de ontwerpafdeling werden soms leesten gemaakt, maar meestal werden deze geproduceerd in een aparte leestenmakerij. Vanaf 1925 werden in Nederland voornamelijk leesten toegepast die in het buitenland waren gemaakt, waardoor men zich op deze afdeling volledig kon gaan richten op het ontwerp en men zich niet meer hoefde te bekommeren om de pasvorm. De verandering in het modebeeld, met name bij damesschoenen, voltrok zich hierdoor sneller, hoewel dit gepaard ging met een afname in de kwaliteit. De ontwerpen van de schacht werden op de afdeling leestklaarwerk uit het leer gesneden en aan elkaar gestikt. Hier aan voorafgaand werden de stikranden met schalm- of schiftmachines vaak geschuurd om te voorkomen dat deze te onregelmatig van dikte zouden worden. Ook voor het aanbrengen van versieringen op de schoen waren op deze afdeling vaak diverse machines beschikbaar, zoals perforeermachines maar ook machines om haken of ringen aan te brengen. Terwijl de stiksters op de afdeling leestklaarwerk de schachten in elkaar zetten, waren de arbeiders op de afdeling bodemwerk de zolen aan het uitstansen en de schoenen aan het zwikken om deze daarna op de loopzool te bevestigen. Tot aan de oorlog gebeurde dit nog volgens de methode van Mackay of Goodyear, daarna steeds meer volgens het Ago-systeem waarbij de schacht niet aan de zool werd genaaid maar geplakt. Op de afdeling bodemwerk werden de hakken in elkaar gezet en aan de schoenen gemonteerd met respectievelijk hakkenvoorbouwmachines en achterlapbrosmachines. Voordat de schoenen de fabriek verlieten werden ze eerst nog op de afdeling eindbewerking gepoetst en gepolijst, waarbij de schoen met een soort lak werd bestreken.

Afbeelding 4: Het verlijmen van zool en schacht volgens de Ago-methode in schoenfabriek Fort te Klazienaveen.
Begin vorige eeuw kregen stoommachines steeds meer concurrentie van zuiggas- en elektromotoren, die vooral de mechanisatie van kleinere bedrijven een impuls gaven. De werktuigen hoefden hierdoor niet meer met drijfriemen op de centrale as van een transmissiesysteem te worden aangesloten, maar konden volgens een zogenaamd ‘bloksysteem’ over de fabriek verdeeld worden. Hierbij werden de machines waarmee een bepaald onderdeel van het productieproces werd uitgevoerd, gegroepeerd in een ‘blok’. De motoren die de machines aandreven werden daar onder, of te midden daarvan in een console geplaatst om zoveel mogelijk ruimte te sparen. Het bloksysteem was er op gericht om het transport van halffabrikaten zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. De zolen, hakken, gezwikte schoenen zonder loopzool en andere onderdelen werden aanvankelijk in rekken van de ene naar de andere afdeling gebracht. Vanaf de jaren dertig ging men in grote fabrieken voor dit intern transport lopende banden inzetten. In hun moderne hoogbouwcomplexen werden de afdelingen met stikwerk op de bovenverdiepingen ondergebracht, met grote raampartijen voor een optimale natuurlijke lichtinval. De ruimtes waar de montage van de schoenen plaatsvond, zoals het zwikken van de schoen en monteren van de hakken, waren op de begane grond gesitueerd vanwege de zware machines. Hier moesten sheddaken voor voldoende licht op de werkplek zorgen.
Toen vanaf de zeventiende eeuw de leerlooierijen uit de Hollandse steden verdwenen en deze nijverheid in de Langstraat tot opbloeide, kwam de verwerking tot schoenen er enige tijd later ook op gang. Door het ontbreken van gilden waren de lonen er laag en dankzij de omvangrijke veeteelt waren huiden als afvalproduct van de slacht er ruim voor handen. Rond 1800 zouden er naar schatting al meer dan zevenhonderd schoenmakers actief zijn geweest in deze streek, waarvan het hart gevormd werd door het stadje Waalwijk. Samen met Baardwijk, Besoyen en enkele andere plaatsen had dit tot die tijd nog onderdeel uitgemaakt van het gewest Holland, maar werd daarna toebedeeld aan de nieuwe provincie Noord-Brabant. In 1859 werd in Waalwijk de eerste stikmachine geplaatst en vijfentwintig jaar later opende in Baardwijk de eerste stoomschoenenfabriek haar deuren. Tussen 1865 en 1875 verviervoudigde de schoenenproductie in de Langstraat van zeshonderdduizend naar tweeëneenhalf miljoen paar, vooral vanwege legerorders als gevolg van de opgelopen spanning door de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871. Zo’n productiepiek herhaalde zich nog eens tijdens de Eerste Wereldoorlog en noodzaakte de bedrijven tot mechanisatie omdat veel van hun werknemers gemobiliseerd waren. Begin jaren twintig werd Nederland overspoeld door goedkoop schoeisel uit de buurlanden, waardoor de sector een zware klap kreeg en enkel dankzij het importbeperkende ‘Schoenwetje’ wist te overleven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het de bezetter die grote opdrachten plaatste voor de Wehrmacht, die door schaarste aan materialen echter al snel niet meer voldaan konden worden. De naoorlogse hoogtijdagen duurden tot 1957, toen door oprichting van de Europese Economische Gemeenschap goedkope en modieuze schoenen uit Italië in de winkelschappen verschenen, waartegen de Langstraat met haar hoge loonkostenniveau het op termijn moest afleggen. De jaren zestig en zeventig stonden dan ook in het teken van de bedrijfssluitingen, waarna menig fabriekscomplex onder de sloophamer viel. Desalniettemin is er in Waalwijk nog interessant industrieel erfgoed te vinden dat herinnert aan de leerlooiers- en schoenmakersnijverheid.

Afbeelding 5: In schoenenfabriek Van Schijndel aan de Stationsstraat in Waalwijk werden na sluiting in 1965 appartementen ondergebracht.
Aan de Stationsstraat in Waalwijk prijkt nog steeds de monumentale voorgevel van de Koninklijke Schoenenfabriek A.H. van Schijndel. Antoon van Schijndel was in 1873 zijn bedrijf begonnen aan de Grotestraat en liet in 1900 dit indrukwekkende fabriekspand optrekken waarin zo’n honderdvijftig mensen werkzaam waren. Van Schijndel stond bekend als gewiekst ondernemer die vooral goede zaken deed met zijn luxe damesschoenen. Als fabrikant had hij een minder goede reputatie vanwege de ijzeren discipline die hij eiste. De spanningen met zijn personeel en vakbond kwamen in 1910 tot een uitbarsting toen hij een onredelijke boete liet opleggen aan een stikster en daarmee een spontane staking veroorzaakte, die door steun van de bonden uitliep op een uitputtingsslag. Door katholieke- en protestante arbeiders tegen elkaar uit te spelen trok Van Schijndel uiteindelijk aan het langste eind, maar er bleef altijd een waas van conflict rond het pand hangen. De fabriek heeft gedraaid tot 1965 en werd later omgebouwd tot appartementencomplex.

Afbeelding 6: Het fabriekscomplex van schoenenfabrikant Van Haren in Baardwijk is nagenoeg volledig in oorspronkelijke toestand behouden gebleven en heeft de status van rijksmonument.
Toen Johannes van Haren zich in 1913 vanuit Beneden-Leeuwen in Waalwijk vestigde stelde zijn schoenfabriekje nog maar weinig voor. Zijn zoon Ivo bracht daar vanaf 1927 echter verandering in door er in tien jaar tijd een volledig geïntegreerd bedrijf van te maken bestaande uit drie schoenfabrieken, een looierij en vijfenzestig winkels met in totaal vijftienhonderd werknemers op de loonlijst. Verkoop in een keten van eigen winkels was voor Nederland een nieuw concept en dat gold ook voor de eenheidsprijzen die hij hanteerde: fl. 2,95, fl. 3,95 of fl. 4,95 per paar. Branchegenoten haalden hun neus op voor deze discounter, maar midden in de crisis van de jaren dertig sloeg het aan bij het publiek en floreerde het bedrijf. Hij had een eigen wagenpark, timmer- en schildersbedrijf, architectenbureau en maakte zijn eigen schoensmeer, merkkrijt en cementlijm. Naast zijn fabriekscomplex aan het Hoogeinde liet hij in Baardwijk ook tal van woningen voor zijn personeel bouwen. Door deze onafhankelijkheid van toeleveranciers en afnemers kon hij snel inspelen op modetrends en dat werd na de oorlog alleen maar belangrijker in de schoenenwereld. Uit dat oogpunt is het weinig verrassend dat juist Van Haren de neergang in de sector heeft weten te overleven en tot op de dag van vandaag actief is, maar dan wel enkel als winkelketen met honderdvijftig filialen. In de tussentijd ging het bedrijf over in Duitse handen en werd de schoenproductie in 1989 afgestoten. Van Haren is nog altijd met haar hoofdkantoor en distributiecentrum in Waalwijk gevestigd, al is dat al weer geruime tijd op een modern bedrijventerrein. In het voormalige fabriekscomplex uit de jaren dertig aan het Hoogeinde bevindt zich enkel nog een designwinkel. Een aantal gebouwen heeft de status van rijksmonument, waaronder de kantine met fraaie glas-in-loodramen en de ontvangsthal met wandschilderingen en dankvenster van gekleurd glas.

Afbeelding 7: Het complex van NV Schoenenfabriek G.L. Smits & Cie. aan de Kerkstraat in Dongen werd na de eeuwwisseling heringericht met vijftien appartementen en twee eengezinswoningen.
Ook het dorp Dongen behoort tot de Langstraat en kende een omvangrijke leerlooiersnijverheid waar een aantal schoenfabrieken uit voortkwamen zoals Smits aan de Kerkstraat en JAL aan de Sint Josephstraat. De gebouwen van eerstgenoemde fabriek dateren uit de periode 1905-1935. Ze werden na de eeuwwisseling als rijksmonument geklasseerd en ingericht met vijftien appartementen en twee familiewoningen. Schoenmaker Johannes Antonie Ligtenberg begon in 1881 met de vervaardiging van zeelaarzen en werkschoenen. Later breidde hij zijn assortiment uit met luxe herenschoenen onder de merknaam JAL, waarvan hij in 1915 dankzij mechanisatie al tweeduizend paar per week wist te maken. Een tweede- en derde generatie Ligtenberg zetten het bedrijf voort, dat in de jaren vijftig aan ruim driehonderd mensen werk bood en toen naast JAL ook het merk Cowboy begon te voeren. Na het faillissement in 1984 stonden de fabrieksgebouwen jarenlang leeg voordat ze in 2002 de status van rijksmonument kregen en twintig jaar later werden omgebouwd tot wooncomplex.

Afbeelding 8: In Oisterwijk produceerden Leo en Isidoor van der Heijden tot in de jaren zeventig schoenen onder de merknaam Vedeha. In het voormalige fabriekspand zit nu een interieurstudio.
In de dorpen Rijen en Oisterwijk ontstonden dankzij hun ligging aan de hoofdspoorlijn door Noord-Brabant lederfabrieken die nog een maatje groter waren dan de leerlooierijen in de Langstraat. De fabriek van Koninklijke Verenigde Leder (KVL) in Oisterwijk spande de kroon. De KVL, oorspronkelijk Almy en daarna KLO geheten, was actief van 1916 tot 2000 en is dankzij herbestemming grotendeels behouden gebleven. Bekende merken waaronder in Oisterwijk schoenen werden geproduceerd waren Renata en Vedeha, een afkorting van de achternaam van fabrikant Leo van der Heijden. Hij was in 1932 zijn vader opgevolgd als directeur van een leerlooierij in Leeuwarden, waar ook enkele arbeiders werkten die afkomstig waren uit Oisterwijk. Toen hij besloot om met zijn neef Isidoor een schoenenfabriek op te zetten koos hij daarom voor dit dorp. Ze kochten in 1938 een leegstaande leerlooierij aan de Gemullehoekenweg en gingen er met veertig werknemers bottines en luxe herenschoenen vervaardigen. Door tijdig onder te duiken met hun gezin wisten beide directeuren aan de Jodenvervolging te ontkomen en na de oorlog hun bedrijf voort te zetten. In 1960 was het personeelsbestand opgelopen tot honderdvijfentwintig en bedroeg de weekproductie drieduizend paar schoenen, waarvan een vijfde deel voor de export bestemd was. Halverwege de jaren zeventig eindigden deze bedrijfsactiviteiten en tegenwoordig huist er een interieurstudio in het voormalige fabriekspand.

Afbeelding 9: Bata Industrials in Best is nog altijd gevestigd in het oorspronkelijke kantoor en de gebouwen van de schoenen- en kousenfabriek.
Nog wat verder oostwaarts aan de hoofdspoorlijn door Noord-Brabant ligt het dorp Best. De nijverheid was daar van oudsher eveneens gericht op schoeisel, maar dan in de vorm van klompen. Het was dan ook een buitenstaander, sterker nog, een buitenlander die hier een schoenenfabriek begon en er een dorp bij liet bouwen voor zijn werknemers: Batadorp. Het ging om Tomàš Bat’a uit Tsjechoslowakije die begin vorige eeuw zijn schoenenfabriek in Zlin uitbouwde tot modelstad Batapolis en daarna zijn imperium uitbreidde naar andere Europese landen. Aanvankelijk met schoenenwinkels, maar toen tijdens de crisisjaren de invoerheffingen sterk stegen liet hij in deze landen ook eigen fabrieken bouwen. In alle gevallen ging het om complexen die zelfvoorzienend waren en in functionalistische stijl ontworpen waren. Ze kenmerkten zich door gebouwen met een transparant, ruimtelijk karakter, opgetrokken uit moderne materialen en in stroken geordend over de industrieterreinen. Zo ook in Best, waar de bouwwerkzaamheden in 1933 begonnen op een stuk heide tussen het Wilhelminakanaal en de spoorlijn. De fabrieksgebouwen werden conform de opzet van het productieproces geordend in vijf stroken die noord/zuid georiënteerd waren. De meest westelijke strook bestond uit drie gebouwen van drie bouwlagen waar de kantoren, de schoenen- en de kousenfabriek in waren ondergebracht. Daarachter bevonden zich magazijnen voor leder, rubber en verpakkingsmateriaal. Alle gebouwen waren verbonden via een rastervormig stratenpatroon en grondstoffen die per trein werden aangevoerd konden via een raccordement ‘aan de voordeur’ worden afgeleverd. Geheel in lijn met de functionalistische principes bestonden de fabrieksgebouwen uit een betonskelet, bekleed door gevels met grote raampartijen voor een maximale lichtinval. Ruime werkzalen zonder binnenmuren maakten een flexibele indeling mogelijk, waarbij men enkel rekening diende te houden met de dragende kolommen.
Gedurende de twee naoorlogse decennia beleefde ‘Batadorp’ haar gloriejaren met werkgelegenheid voor ruim tweeduizend mensen die schoeisel produceerden dat via zo’n honderdvijftig Bata-winkels in Nederland zijn weg vond naar de klanten. Tot een uitbreiding is het niet meer gekomen, hoewel het bedrijf daarvoor oorspronkelijk wel extra grond had aangekocht. De concurrentie van Zuid-Europese landen met hun destijds nog lage loonniveau dwong Bata tot ingrijpende maatregelen. Onder de naam Bata Industrials ging het bedrijf zich in Best vanaf 1970 specialiseren in veiligheidsschoenen, wat als consequentie had dat de werkgelegenheid terugliep tot slechts tweehonderd arbeidsplaatsen. Het industriecomplex veranderde in een gewoon bedrijventerrein, waarvan alleen nog het kantoorpand en de schoenen- en kousenfabrieken bij Bata in gebruik bleven. De laatste Bata-winkel van Nederland ging in 1996 dicht en de Bata Superstore in een van de voormalige fabrieksgebouwen is vandaag de dag de enige waar klanten nog terecht kunnen. Ook het omvangrijke woningbezit paste niet meer binnen de bedrijfsstrategie en in 1978 verkocht Bata haar dorp aan de gemeente Best. De verlening van de status van ‘beschermd dorpsgezicht’ in 2016 betekende van rijkswege een erkenning van de bijzondere monumentale waarde van Batadorp, met de bedoeling om dit voor de toekomst zoveel mogelijk te bewaren.

Afbeelding 10: Het kantoorgebouw van schoenenfabriek Eperon d’or in het Vlaamse Izegem is een pareltje van Art-Deco-architectuur. Aan de nieuwe bestemming als schoenenmuseum kwam in 2025 na nog geen tien jaar al een einde.
De Belgische schoenenstad bij uitstek is zonder twijfel het West-Vlaamse Izegem. De basis voor deze nijverheid zou er al in de zeventiende eeuw gelegd zijn, maar het was Eduard Dierick die er halverwege de negentiende eeuw dit ambacht op een hoger niveau bracht door als leermeester schoenmakers op te leiden in het vervaardigen van luxe modellen. Eén van deze leerlingen was Emiel Vandommele die in 1909 de merknaam Eperon d’Or introduceerde, wat het Frans is voor ‘Guldenspoor’. Daarmee verwees hij naar de ‘Bataille des Ėperons d’or’, ofwel de Guldensporenslag uit 1302, waarin de Vlamingen in het nabijgelegen Kortrijk een Frans ridderleger versloegen. Deze gebeurtenis is daarna altijd een belangrijke rol is blijven spelen binnen het Vlaamse nationale bewustzijn. Rond 1930 liet het bedrijf een prestigieus kantoorgebouw in Art-Decostijl optrekken om de fabriekshallen aan het zicht te onttrekken. Het naambord wordt daarop geflankeerd door de wapenschilden van het Belgische- en Luxemburgse vorstenhuis, verwijzend naar de rol van hofleverancier die de onderneming in beide landen vervulde. Na sluiting in 1968 raakte het gebouw langzaam in verval, tot het in 1999 op de monumentenlijst kwam en in 2007 gerenoveerd werd. Tien jaar later ging het dienst doen als museum over het Izegemse schoenennijverheidsverleden, waaraan helaas in 2025 alweer een einde kwam toen de gemeente de financiering stopzette.

Afbeelding 11: Museum in de voormalige schoenfabriek van Gustav Hoffmann in Kleef.
Net over de grens bij Nijmegen in het Duitse stadje Kleef was het in 1895 Fritz Pannier die het idee opvatte om zich toe te gaan leggen op kinderschoenen. De brede schoenneus die de kindertenen beschermt tegen zijwaartse druk, en de voet als geheel meer bewegingsruimte geeft, is daarom mede aan hem te danken. Hij moest veel doorzettingsvermogen aan de dag leggen om zijn afnemers van dit afwijkende model te overtuigen, omdat voorheen nauwelijks nog iemand zich echt verdiept had in het groeiproces van kindervoeten. Om ze op grote schaal te gaan produceren schakelde hij zijn zwager Gustav Hoffmann in als compagnon. Twaalf jaar verliep de samenwerking binnen Pannier & Hoffmann goed, totdat in 1908 hun beider wegen zich scheidden. Fritz Pannier begon zijn eigen Kinder- und Jugendschuhfabrik waar honderdvijftig werknemers kinderschoeisel maakten onder de merknaam ‘Storch’ en met modellen als ‘Kinderheil’, ‘Dornröschen’ en ‘Robinson’. Na zijn dood in 1943 zette zoon Werner het bedrijf voort tot 1971. Ook Hoffmann ging verder met de productie van kinderschoenen, maar dan onder de merknaam ‘Elefanten’ en op veel grotere schaal. In 1928 had hij bijna drieduizend mensen in dienst met een gemiddelde dagproductie van zeventienduizend paar schoenen. Net als de fabriek van Pannier werd ook die van Hoffmann nagenoeg volledig verwoest tijdens het zware luchtbombardement dat Kleve trof op 7 februari 1945. Na voltooiing van de wederopbouw in 1950 maakte het bedrijf decennialang een stormachtige groei door dankzij export en opening van buitenlandse vestigingen. Nadat ze nog vijfentwintig jaar als Elefanten GmbH bekend had gestaan sloot de fabriek in 2004 definitief, waarbij tweehonderdvijftig mensen hun werk verloren. Het gebouw aan de Siegertstraße bleef behouden en is nu gedeeltelijk ingericht als museum. Hoewel er naar gestreefd wordt om ook die van Fritz Pannier aan de Mozartstraße een nieuwe bestemming te geven, is de toekomst van dit complex nog onzeker.

Afbeelding 12: Het Musée des métiers de la chaussure is gevestigd in een sheddakhal zoals de meeste schoenenfabrieken in Sevremoine en omgeving die hadden.
In Frankrijk was de Mauges-streek, gelegen tussen Nantes en Cholet, bekend om zijn schoenindustrie. Die concentreerde zich vooral in en rond Sevremoine, waar een schoenenmuseum nu nog herinnert aan dit verleden. Ook hier vormden de jaren vijftig de glorietijd toen ruim vierhonderd schoenfabrieken werk boden aan bijna zestienduizend mensen. Nu zijn dat er vijfentwintighonderd in zo’n twintig fabrieken. De Société Anonyme de Chaussures, kortweg SAC, opende in 1897 een fabriek in St. Macaire en Mauges waar ze schoenen onder de merknaam ‘l’Action’ ging produceren. Begin jaren zeventig werkten er zo’n dertienhonderd mensen, waarvan overigens een groot aantal van kleine ateliers die het bedrijf na de oorlog in de omgeving van Sevremoine had overgenomen. Het eenvoudige fabrieksgebouw met sheddaken behoort nu tot het industrieel erfgoed en dat geldt ook voor een vergelijkbaar exemplaar in het naburige St. André de la Marche: Usine Morinière Ripoche. Marcel Morinière bouwde in 1919 deze schoenenfabriek, die daarna werd overgenomen door de familie Aigrault, waarna Victor Ripoche er van 1956 tot de sluiting in 1990 schoenen liet produceren. In het dorp staat ook nog een rijtje woningen dat tussen 1914 en 1921 gebouwd werd voor schoenmakers die op deze manier aan de fabriek gebonden werden. Hun soberheid contrasteert met een zevental fabrikantenvilla’s die eveneens behouden zijn gebleven, zoals Maison Victor Ripoche en Maison Auguste Repussard, dat in 1930 in Art-Decostijl werd opgetrokken.