Saône-et-Loire (F)

Afbeelding 1: Briqueterie Touillards-Vairet-Baudot in Ciry-le-Noble was een van de weinige steenfabrieken in een regio die gedomineerd werd door pannen- en tegelbakkerijen. Bezoekers kunnen er nu een beeld krijgen van de techniek en werkomstandigheden van destijds.

Het departement Saône-et-Loire geniet maar weinig bekendheid bij het publiek, dat er op weg naar een vakantiebestemming in Zuid-Frankrijk over de Autoroute-du-Soleil zo snel mogelijk doorheen rijdt. Gelegen tussen de grote steden Dyon en Lyon in het noorden en zuiden, en de rivieren Saône en Loire in het oosten en westen, heeft het net als het grootste deel van Frankrijk een uitgesproken landelijk karakter met Mâcon en Chalon-sur-Saône als grootste steden, hoewel deze nog geen vijftigduizend inwoners tellen. Het zijn dan ook vooral de bekende Bourgognewijnen Chalonais, Mâconnais en Beaujolais waar dit gebied het van moet hebben en die hun hoge kwaliteit te danken hebben aan het terroir. Het waren de Benedictijner monniken van de Abdij van Cluny en de Cisterciënzer monniken van de Abdij van Cîteaux die dit al in de middeleeuwen ontdekten en met de aanplant van wijngaarden begonnen. Op gronden die zich hier minder goed voor leenden gingen ze veeteelt bedrijven, zoals in het graafschap Charolais, waar een runderras uit voortkwam dat nog altijd deze naam draagt. Maar ook daar stelden ze vast dat de bodem meer te bieden had dan enkel het laten groeien van gras, alleen moest deze ‘schat’ dan wel eerst aan het oppervlak worden gebracht en vervolgens worden gevormd en gebakken. En dat was dan ook wat de monniken gingen doen met de gedolven klei: tegels bakken. Vloertegels, venstertegels en daktegels, voorzien van gele, rode en groene glazuur waarvoor ze de grondstoffen eveneens in de bodem aantroffen. Ze liggen nog altijd op het dak van het beroemde Hôtel-Dieu in de stad Beaune, het middeleeuwse hospitaal dat ook nog als dusdanig is ingericht, zij het dat de negentiende-eeuwse architect Eugène Viollet-le-Duc hier voor gezorgd heeft. Tot aan de industriële revolutie bleef men deze tegels echter hoofdzakelijk toepassen in representatieve gebouwen en dat gold eveneens voor de bakstenen, waarvan men vrijwel uitsluitend schoorstenen en siermetselwerk maakte. Huizen bestonden nog lang uit een houten geraamte waarvan de vakwerkwanden waren opgevuld met leem en het dak was gedekt met riet. Alleen wie het kon betalen liet voor de bouw van zijn huis granietstenen aanvoeren vanuit de noordwestelijk gelegen Morvan. Dat veranderde na de opening van het Canal du Centre (1793) tussen Chalon-sur-Saône en Digoin aan het Canal latéral à la Loire (1838). Op plaatsen waar men tijdens de aanleg klei had aangetroffen verrezen steenfabrieken (briqueteries) en pannenfabrieken (tuileries) die de brandstof voor hun ringovens via het kanaal lieten aanvoeren uit het steenkolenbekken van Blanzy rond Montceau-les-Mines. Voor het transport van bakstenen, dakpannen en andere keramische producten naar de afnemers werd eveneens gebruik gemaakt van deze vaarverbinding, die vanwege zijn zestig sluizen overigens niet bekend stond om zijn snelheid.

Afbeelding 2: De steenpers van briqueterie Touillards-Vairet-Baudot is nog volledig in tact.

Niet alleen langs het kanaal, maar ook elders in de regio begonnen ondernemers een tuilerie en in enkele gevallen een briqueterie. Tellingen hebben uitgewezen dat van de vierhonderdzeventig gemeentes er op enig moment wel tweehonderddertig een pannen-, tegel- of steenbakkerij binnen hun grenzen hadden en dat er op zo’n driehonderd locaties ovens gestaan hebben. Dat waren overigens lang niet altijd volwaardige fabrieken, maar toch bood de sector in haar hoogtijdagen werk aan ruim vierduizend mensen, hetgeen neerkwam op acht procent van de beroepsbevolking. Daarmee nam het departement Saône-et-Loire landelijk gezien de vierde plaats in binnen deze industrietak. De belangrijkste producten waren de ‘tuile plate’ ofwel de daktegel, de ‘tuile canal’ ofwel de halfronde dakpan zoals die in veel Mediterrane landen wordt gebruikt en de ‘tuile mâconnais’ die een combinatie is van beide vormen. Afgekeurde exemplaren konden meestal nog verkocht worden als ‘tuile mureuse’, maar de bedrijven gebruikten ze ook zelf om fabrieksmuren uit op te trekken en in de regio kunnen daar nog veel voorbeelden van worden aangetroffen. De ‘tuile mécanique’, ofwel in elkaar grijpende daktegel, werd in 1841 geïntroduceerd door de gebroeders Giardoni uit de Elzas en had als voordeel dat hij sneller gelegd kon worden, zonder risico op verschuiving dankzij een zeer stabiele verankering. Naast deze enkelvoudig in elkaar grijpende daktegel ontwikkelden de broers later ook dubbele- en drievoudig in elkaar grijpende varianten. Omdat de benodigde overlap tussen deze daktegels geringer was, had men er minder van nodig om een dak te dekken, waardoor ook het totale gewicht lager was en de dakconstructie dientengevolge lichter kon worden uitgevoerd. In plaats van vijfenzeventig tegels waren er nog maar vijftien tegels per vierkante meter nodig met een totaal gewicht van veertig in plaats van vijfenzestig kilogram. Wel leidde de naamgeving al snel tot verwarring toen men in de tweede helft van de negentiende eeuw het productieproces ging mechaniseren met behulp van door stoomkracht aangedreven kleipersen. Deze tegels en pannen werden toen ook als zijnde ‘mechanisch’ aangeprezen, terwijl ze meestal ‘plat’ of ‘half rond’ waren, omdat alleen deze eenvoudige vormen geschikt waren voor een continu persproces.

Waar de industrialisatie geen verandering in bracht was de ondergeschikte rol van de baksteen ten opzichte van de dakpan. Soms werden ze enkel gebakken om als ondersteuning te dienen voor de stapels dakpannen in de oven. Meestal bleef hun toepassing beperkt tot het siermetselwerk van kastelen en stadhuizen, zoals vensteromlijstingen en schoorsteenmantels. Door de eeuwen heen ontwikkelde de ‘brique pleine’ van 6x11x22 cm zich min of meer tot de Franse standaard, met uitzondering van de Verdunois waar het formaat 3x15x30 cm bedroeg. De ‘brique creuse’, lichtgewicht en isolerend vanwege zijn holtestructuur, was een industrieel product dat alleen met een strengenpers gevormd kon worden. In de Bresse ontstond een vierkantvormige baksteen die men er aanduidde als ‘carron’, waardoor de steenbakkerijen er ook wel ‘carronières’ genoemd werden.

Afbeelding 3: Karren voor het transport van bakstenen, met op de achtergrond de opening van één van de ovens van briqueterie Touillards-Vairet-Baudot.

De steenbakkerijen mogen dan in de minderheid zijn geweest, toch is er een exemplaar in nagenoeg oorspronkelijke toestand behouden gebleven. Het betreft een pottenbakkerij die in 1863 door Jean-Baptiste Baudot werd opgericht in Les Touillards – nu deel uitmakend van Ciry-le-Noble – en na verloop van tijd uitgroeide tot een steenfabriek ter hoogte van sluis 14 in het Canal du Centre. Aan de noordzijde werd het bedrijfsterrein begrensd door de Bourbince, een riviertje waarvan het dal benut werd om over een lengte van tientallen kilometers het kanaal in uit te graven en later ook een spoorlijn in aan te leggen. Dat Baudot al na tien jaar overschakelde op het bakken van stenen blijkt uit een patent dat hij in 1874 aanvroeg op een zogenaamde ‘brique de fer’. Een baksteen die naar hij beweerde uiterst bestendig was tegen de inwerking van zuren dankzij het hoge ijzergehalte van de klei waaruit deze gevormd was. In 1896 droeg hij de leiding over op zijn schoonzoon Ernest Vairet om zijn aandacht volledig te kunnen richten op twee nieuwe fabrieken in Cusset en Paray-le-Monial. Na de eeuwwisseling onderging de fabriek nog tal van technische moderniseringen en uitbreidingen, onder andere met arbeiderswoningen, een kantoorgebouw en een spooraansluiting naar het station van Ciry-le-Noble. Begonnen met een ronde ringoven van twee verdiepingen (‘four circulaire’) onderging de fabriek tussen 1900 en 1916 een capaciteitsuitbreiding met nog eens twaalf afzonderlijke ovens (‘fours en batterie’). Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed men goede zaken met de zuurbestendige bakstenen, aangezien deze voor een goede prijs geleverd konden worden aan het ministerie van oorlog voor de bouw van buskruitfabrieken. De behaalde winst werd geïnvesteerd in twee nieuwe ringovens die in 1923 in gebruik werden genomen. Voor de aandrijving van het machinepark had men de beschikking over een waterturbine, aangevuld met een stoommachine van 250 pk om ook bij lage waterstanden te kunnen blijven produceren. Na de dood van Ernest Vairet in 1927 kwam de leiding over de fabriek tien jaar lang in handen van diens weduwe Antoinette. Door verslechterende marktomstandigheden daalde de vraag naar bakstenen en bood overschakeling op andere producten weinig soelaas vanwege concurrentie van andere bedrijven in de regio die hier al een klantenbestand voor hadden. Van de ruim honderd man die in de bloeitijd op de loonlijst hadden gestaan waren er na de oorlog nog maar enkele tientallen in dienst. In 1967 sloot de fabriek haar poorten, om pas in 1995 weer open te gaan voor langdurig werkelozen, die er in het kader van een re-integratie-project restauratiewerkzaamheden gingen uitvoeren. Het betrof een initiatief van Ėcomusée du Creusot-Montceau, dat het complex in 2011 als monument liet registreren. Tegenwoordig kan het publiek er op gezette tijden terecht voor rondleidingen langs de resterende ovens en machines.

Afbeelding 4: De resterende fabrieksgebouwen van Tuilerie Perrusson nabij sluis 9 in het Canal du Centre.

De fabriek in Ėcuisses bij sluis 9 aan het Canal du Centre was actief gedurende vrijwel dezelfde periode als die van Touillards-Vairet-Baudot. Ze werd opgericht door Jean-Marie Perrusson in 1860 en was daarna precies een eeuw lang operationeel tot 1960. Maar daarmee houden de overeenkomsten op, want in plaats van bakstenen of dakpannen ging de familie Perrusson zich toeleggen op luxe keramische bouwproducten die door heel Frankrijk verkocht werden. Klanten konden hun keuze maken uit de catalogus of een bezoek brengen aan de ‘Villa Perrusson’, aangezien in deze woning van de fabrikantenfamilie veel van de beschikbare ornamenten verwerkt waren. De Perrussons hadden aanvankelijk hun geld verdiend door als schipper op het Canal du Centre steenkool en bouwproducten te vervoeren voordat ze hun eigen tuilerie begonnen. Ze breidden hun assortiment al snel uit van tegels naar pinakels, siernokken en geglazuurde bakstenen in tal van kleuren. Nadat schoonzoon Marius Desfontaines in 1880 tot de directie was toegetreden kwam de onderneming bekend te staan als ‘Grandes Tuileries Perrusson & Desfontaines’. Voor het maken van ontwerpen kwam er een kunstwerkenafdeling die onder leiding stond van beeldhouwer Noël Ruffier. In 1871 had Jean-Marie al een tweede fabriek geopend in Sancoins in het departement Cher, die vanaf 1882 onder leiding kwam te staan van zijn zoon François. Daar kwam in 1878 nog een vestiging bij in de Charente, een streek die eveneens over rijke kleilagen beschikte. Deze fabriek in Fontafie, nabij steenbakkerijenstad Roumazières, heeft nog tot 1988 geproduceerd.

Afbeelding 5: Pagina uit de catalogus van de ‘Grandes Tuileries Perrusson & Desfontaines.

Kort voor de eeuwwisseling waren er bijna driehonderd mensen werkzaam in de fabriek van Ėcuisses, wat reden was voor de directie – toen bestaande uit de zonen Jean-Baptiste Perrusson en Gabriel Desfontaines – om zich ook om hun huisvesting te gaan bekommeren. Ze liet op enkele honderden meters afstand van de tuilerie een arbeiderswijkje met achtentwintig woningen verrijzen, inclusief een bakkers- en kruidenierswinkel. In de jaren dertig onderging deze ‘Cité Perrusson’ zelfs nog een uitbreiding. Hoe geschikt deze huizen ook mogen zijn geweest voor hun tijd, het contrast met de ‘Villa Perrusson’ was immens. Het hoofdgebouw uit 1869 onderging tussen 1890 en 1900 een uitbreiding door architect Tony Ferret, die ook de ontwerpen leverde voor het theater en de protestante kerk van Bourg-en-Bresse.  Hij verwerkte een overvloed aan geglazuurde tegels, sierstenen en ornamenten in de villa. Dit bleef niet beperkt tot het uitwendige, want ook de wanden, vloeren, trappen en haarden voorzag hij rijkelijk van decoratieve tegeltableaus. Aan de achterzijde was evenveel aandacht besteed als aan de voorzijde, want deze was zichtbaar voor de treinreizigers op de nabijgelegen spoorlijn van Nevers naar Chagny. Zelfs de stallen, oranjerie en duiventil kregen op deze manier een representatieve uitstraling.  Villa en omliggend park gingen in 2008 eveneens deel uitmaken van het Ėcomusé du Creusot-Montceau, dat er sinds 2016 ook regelmatig hedendaagse kunst laat exposeren.

Afbeelding 6: Rijkelijk voorzien van ornamenten en sierstenen uit de eigen fabriek was de Villa Perrusson niet alleen een woonhuis maar ook een reclameobject voor de onderneming.