Afbeelding 1: De brouwtoren van de Grandes Brasseries de Saint-Nicolas-de-Port is een juweeltje van Art-Deco-architectuur en nog altijd een blikvanger in het kleine Lotharingse stadje.
De vroegste getuigenis van het bierbrouwersambacht in Lotharingen is een Romeinse stèle uit de eerste eeuw na Christus die gevonden werd in Sarrebourg-en-Moselle. Deze verbeeldt Sucellus, de Gallische god van het bier, met Nantosuelta, godin van de honing, aan zijn zijde. Uit de eeuwen die volgden zijn tal van werktuigen, objecten en documenten bewaard gebleven die herinneren aan de belangrijke rol die bier vervulde in deze regio. Tot halverwege de negentiende eeuw veranderde er nauwelijks iets aan de techniek van het bierbrouwen, waardoor de brouwers, zich enkel baserend op de ervaring van hun voorouders, nog altijd niets begrepen van de fundamentele principes die er achter de omzetting van graan in bier schuil gingen. Nadat de Franse Revolutie een einde had gemaakt aan het gildestelsel van het Ancien Regime, begon het aantal brouwerijen sterk toe te nemen. Zo telde Nancy in 1810 al negenentwintig brouwerijen, terwijl er twintig jaar eerder nog geen één actief was geweest. Het waren vervolgens de wetenschappelijke ontdekkingen en technologische vooruitgang die er in de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw voor zorgden dat de vele ambachtelijke ondernemingen werden verdrongen door grote, industriële brouwerijen. Na de eeuwwisseling leidden beide wereldoorlogen ertoe dat het aantal brouwerijen nog sterker terugliep. Desalniettemin wordt Lotharingen nog altijd gezien als het bierbastion van Frankrijk, omdat een aantal grote brouwerijen zich van hieruit ontwikkeld hebben. Bovendien zijn veel technologische en wetenschappelijke inzichten hier ontstaan, zoals dankzij de verbeteringen in de bierbereiding die Louis Pasteur doorvoerde in de brouwerij van Tantonville in het departement Meurthe-et-Moselle. Het is mede ook zijn verdienste dat er een vakopleiding voor bierbrouwers tot stand kwam. De herinnering hieraan wordt nog altijd levend gehouden in de drie bierbrouwerijmusea die Frankrijk telt, waarvan één in Saint-Nicolas-de-Port.
Afbeelding 2: Dankzij de grote vensters in de zuidgevel is de brouwzaal met drie koperen ketels goed zichtbaar vanaf de straat.
Hoewel de eerste vermeldingen van bierbrouwen in Saint-Nicolas-de-Port uit de zeventiende eeuw dateren, werd de vroegst bekende bierbrouwerij pas in 1826 geopend door François Daval. Nadat deze een aantal malen in andere handen was over gegaan, waren het in 1846 de gebroeders Courtois die haar aankochten. Zij waren het ook die de brouwerij in 1860 haar huidige locatie gaven aan de Rue Laval, die later bekend kwam te staan als de Rue Charles Courtois. Vrijwel gelijktijdig werd een andere brouwerij, genaamd ‘Du Vaisseau’ opgericht aan de Rue du Canal. Deze werd in 1906 overgenomen door de familie Moreau, die als brouwers al actief waren in het dertig kilometer verderop gelegen Vézelise. Een jaar later voegde deze familie beide brouwerijen samen onder de naam ‘Grandes Brasseries de Saint-Nicolas-de-Port’. De leiding van deze onderneming werd toevertrouwd aan Maurice Moreau, de jongste zoon uit het gezin. Het bedrijf deed in die periode goede zaken vanwege de vele Elzassers en Lotharingers die zich vanuit de door Duitsland bezette gebieden in Sint-Nicolas-de-Port vestigden. Nadat er nog lange tijd verbeteringen en aanpassingen waren gedaan aan de bestaande gebouwen, was in 1925 het moment aangebroken om een geheel nieuw complex te bouwen volgens de laatste stand der techniek, teneinde ook in de toekomst aan de alsmaar stijgende vraag te kunnen voldoen. Het was Paul Moreau die het initiatief nam om een nieuw kantoor en brouwerijcomplex te laten bouwen, nadat zijn broer Maurice vroegtijdig was gestorven. Voor het ontwerp deed hij een beroep op Fernand César, architect in Nancy en zoon van Félicièn César, die lid was van de ‘Ecole de Nancy’. Binnen deze kunstbeweging van de Art-Nouveau hadden vader en zoon samen aan tal van projecten gewerkt, maar na de Eerste Wereldoorlog stapte Fernand over op de Art-Deco die toen in zwang begon te raken. Hij leverde daarna vooral veel ontwerpen voor gebouwen in het kuuroord Vittel. Deze werden uitgevoerd door het bedrijf France-Lanord & Bichaton dat zich vanaf 1895 specialiseerde in betonconstructies volgens het Hennebique-systeem.
Afbeelding 3: De filterpers die de helderheid van het geproduceerde bier moest garanderen.
De hoofdfaçade van de brouwtoren, die op het zuiden georiënteerd is, werd het meest prestigieus uitgevoerd, omdat ze direct vanaf de straat zichtbaar was. Dankzij ramen op de eerste etage van meer dan vier meter hoogte zijn de ketels in de brouwzaal goed zichtbaar. Om de aandacht van voorbijgangers te trekken was deze ruimte dag en nacht verlicht en vormde daarmee het uithangbord van de onderneming. Alle ramen zijn voorzien van een diamantvormig ruitje in geel glas, geheel volgens de sobere, strakke vormentaal van de Art Deco. Dit decoratieve element is ook toegepast in de ramen van de derde verdieping en die van de gehele westelijke gevel. De naam van de onderneming werd in reliëf en met hoofdletters aangebracht op een lijst onder de overstekende dakrand. Direct daaronder, ter hoogte van de ramen van de derde verdieping, bevindt zich een mozaïek van bijna twee meter hoogte met daarop een kraaiende haan, balancerend met één poot op een glas bier. Het werd vervaardigd door Jean Cristopheli, die dit vakmanschap had meegebracht uit zijn geboortestreek Friuli. Het logo zelf was al in 1920 door Marcellin Auzolle ontworpen in opdracht van de Grandes Brasseries de Saint-Nicolas-de-Port.
Conform het Hennebique-systeem werd de brouwtoren opgebouwd uit kolommen, balken en vloerplaten van gewapend beton, waarna ter decoratie de tussenliggende ruimtes werden opgevuld met siermetselwerk van rode baksteen. De hoogte bedraagt ruim achtentwintig meter, met een extra opbouw van vijf meter voor twee waterreservoirs. De brouwzaal beschikt over een kookketel (chaudière à houblonner) van 287 hectoliter, een maischketel (cuve d’empâtage) van 180 hectoliter en een warmwaterketel (cuve de trempe) van 110 hectoliter. Ze werden vervaardigd door ketelbouwer Diebold, die zich in 1891 vanuit de geannexeerde Elzas in Nancy had gevestigd. De filterpers die direct daarachter op een verhoging is opgesteld werd geleverd door de Société Strasbourgeoise de Constructions Mécanique, die eveneens naar Lotharingen was uitgeweken om aan de Duitse bezetting te ontkomen. De begane grond was deels gereserveerd voor apparatuur om de brouwzaal te laten functioneren, zoals pompen, buisleidingen, kranen en ventielen. Daarnaast maakte men er in grote pekelkuipen ijsblokken waarmee klanten het bier in hun etablissementen koel konden houden. Voor het koelen van de wort in de brouwzaal werd gebruik gemaakt van een installatie die in 1865 door de Belg Jean-Louis Baudelot was ontwikkeld en kortweg met diens achternaam werd aangeduid. Deze ‘Baudelot’ bestond uit verticale koperen pijpen waar koelwater doorheen stroomde om de temperatuur van de wort, die er aan de buitenzijde in tegenstelde richting overheen liep, snel te doen dalen. Tenslotte gebruikte men de begane grond nog voor de opslag van hop in een goed geïsoleerde ruimte. Het laboratorium werd ondergebracht op de tweede verdieping, die verder grotendeels bestemd was voor de opslag van mout in een serie silo’s. Om de wort tot de gewenste vergistingstemperatuur te laten afkoelen bevond zich op de derde etage een ondiepe koperen bak, het zogenaamde koelschip, waar men ventilatielucht overheen blies. Alle verdiepingen waren bereikbaar via twee trappenhuizen, waarvan één rondom een schacht, waarin de geplande lift overigens nooit geplaatst werd. In de machinekamer tegen de oostzijde van de brouwtoren stond een grote compressor opgesteld voor de ammoniak van de koelmachines die in 1931 door de firma Quiri uit Schiltigheim was geplaatst. Daarnaast stonden een luchtcompressor en twee transformatoren die gevoed werden door 20 kV-stroom om alle benodigde elektriciteit voor de brouwerij te leveren.
Afbeelding 4: Foto van de machinezaal uit de jaren dertig, met op de voorgrond de compressor voor de koelinstallaties van de brouwerij.
Met een personeelsbestand van ruim honderd werknemers produceerden de Grandes Brasseries de Saint-Nicolas-de-Ports jaarlijks bijna tweehonderdduizend hectoliter bier, die verkocht werden onder de merknaam Hélios: Hélios-pils, Hélios-première, Hélios-Lorraine met daarnaast nog enkele specialiteiten zoals het Porterbier en het traditionele Lentebier. Na het gereedkomen van de nieuwe brouwerij in 1931 begonnen in Frankrijk de gevolgen van de economische wereldcrisis duidelijk voelbaar te worden, waardoor nieuwe investeringen uitbleven. Hoewel de Tweede Wereldoorlog die daar op volgde tal van verwoestingen aanrichtte in Lotharingen, bleef de schade aan de brouwerij zeer beperkt. Het waren daarom vooral de inbeslagname van materialen, afwezigheid van personeel en de moeizame bevoorrading die de bedrijfsvoering sterk hinderden. Rantsoenering bleef de brouwerij daarna nog tot begin jaren vijftig parten spelen. Al met al duurde het tot 1953 vooraleer er weer geld was voor investeringen in uitbreiding en modernisering. Zo kwam er toen een nieuwe bottelarij en koelapparatuur. In 1960 kwam er een fusie tot stand met de brouwerij van Vézelise, het moederbedrijf van Saint-Nicolas-de-Port, dat nog altijd werd geleid door de familie Moreau. Directeur Jean Moreau ging zijn aandacht vanaf toen verdelen over beide vestigingen. Langzaamaan groeide het marktaandeel van het bedrijf binnen de totale bieromzet van Lotharingen, omdat zich een nieuwe sluitingsgolf had ingezet. Om hier zelf aan te ontkomen verkocht Jean Moreau zijn bedrijf in 1971 aan het Belgische bierconcern Stella Artois, dat toen bezig was om haar marktpositie binnen Frankrijk te versterken. De overname leidde tot nieuwe investeringen in magazijnen, silo’s voor opslag van grondstoffen in de vorm van stortgoed, een schrootmolen voor het vermalen van de mout, een filtreermachine en vier grote, verticale vergistingstanks die buiten op het brouwerijterrein werden geplaatst. Juist vanwege deze reeks van moderniseringen kwam de aankondiging van de sluiting in 1985 als een donderslag bij heldere hemel. Het betrof een beslissing van het hoofdkantoor in België, waar men niet onder de indruk was van enkele protestacties van het personeel, zodat de ontmanteling al in 1986 van start ging.
Afbeelding 5: De brouwerij maakte in haar reclamecampagnes ook gebruik van de verering van Sint-Nicolaas waaraan het stadje zijn naam dankt. Kruisvaarders zouden het vingerkootje van deze heilige in de elfde eeuw uit Myra hebben meegebracht. Ter ere daarvan verrees vijf eeuwen later de kolossale basiliek die in de achtergrond van het affiche zichtbaar is.
Al snel ontstond er een initiatief van lokale historici en oud-medewerkers met als doel om de karakteristieke gebouwen met zoveel mogelijk machines en installaties te behouden. De gemeente verleende vrijwel onmiddellijk medewerking en kreeg de prefectuur zo ver om een tijdelijk sloopverbod uit te vaardigen, ten einde de monumentale waarde te kunnen vaststellen. Uiteindelijk ging het grootste deel van de gebouwen over in handen van het naastgelegen ziekenhuis, dat ze liet slopen voor een parkeerplaats. Tot teleurstelling van velen viel ook het ketelhuis met de zestig meter hoge schoorsteen onder de slopershamer. Het kantoorgebouw, de brouwtoren en de machinezaal werden daarentegen aangekocht door de gemeente om er een nieuwe bestemming aan te geven. In korte tijd werden deze toegankelijk gemaakt voor het publiek en gingen op 1 juli 1988 open als ‘Musée Français de la Brasserie’. De collectie was aanvankelijk nog beperkt tot de inventaris van de brouwerij, maar werd in de daar op volgende jaren uitgebreid met gereedschappen, kunstobjecten en reclameborden uit andere brouwerijen. Tot de topstukken behoren twee glas-in-lood-ramen uit de brouwerij van Vézelise, vervaardigd door Jacques Gruber. Maar ook werk van andere kunstenaars uit de Ecole de Nancy die in opdracht van brouwerijen werkten zoals Alfred Finot, Louis Guingot en Victor Prouvé kan er worden bezichtigd. Jaarlijks organiseert het museum verschillende activiteiten en het beschikt over een microbrouwerij om eigen bier te kunnen serveren. Amateurbouwers kunnen zich in een klein laboratorium vertrouwd maken met de beginselen van de microbiologie.
Afbeelding 6: Tot de collectie van het museum behoort ook dit glas-in-lood-raam dat in 1910 door Art-Nouveau-kunstenaar Jacques Gruber werd vervaardigd voor de brouwerij van Vézelise.