Nantes (F)

Afbeelding 1: De suikerraffinaderij van Béghin-Say is met zijn beschilderde wanden en schoorsteen een ware blikvanger die in de toekomst behouden zal blijven.

In 2013 stopte de firma Béghin-Say in Nantes met het raffineren van rietsuiker, om zich daarna enkel nog bezig te houden met verpakkingsactiviteiten. Daarmee kwam een einde aan ruim drie-en-een-halve eeuw suikerverwerking in deze Franse havenstad aan de Loire, die nauw verbonden was met de koloniën in het Caribisch Gebied. Want net als de Engelsen en Nederlanders vestigden ook de Fransen zich halverwege de zeventiende eeuw op een aantal West-Indische eilanden om daar tabak, cacao, indigo en suiker te gaan verbouwen op plantages, als onderdeel van een driehoekhandel waarbij de benodigde slaven afkomstig waren van de West-Afrikaanse kust. Aanvankelijk ging het daarbij om Guadeloupe, Martinique en nog een aantal eilanden die samen de Franse Antillen gingen vormen. De hoofdprijs was echter Saint-Dominique, de westelijke helft van Hispaniola die bij het vredesverdrag van Rijswijk in 1697 werd verworven en tegenwoordig Haïti heet. Frankrijk beschikte over een handvol zeehavens aan haar Atlantische kust, maar dat juist Nantes de spil ging vormen in de scheepvaart op West-Indië had te maken met de handelsrelaties die de stad al vanaf begin zestiende eeuw had met enkele Spaanse havensteden. Want het was in eerste instantie Spanje dat het Caribisch gebied koloniseerde en andere Europese landen kennis liet maken met de nieuwe, tropische gewassen die daar geteeld konden worden. Toen de Spanjaarden er zich uit terugtrokken (met uitzondering van Cuba), om zich te gaan concentreren op de koloniën op het vaste land van de Nieuwe Wereld, greep rivaal Frankrijk zijn kans om direct te gaan profiteren van deze handel in tropische producten.Afbeelding 2: Dwarsdoorsnede van een suikerraffinaderij met op de eerste etage de kookketels en centrifuges en op de begane grond de verpakkingsafdelingen.

De eerste suikerraffinaderij van Nantes kwam in 1654 in bedrijf, waarna het aantal opliep tot vijf in 1690. Nog voor het einde van de eeuw waren er dat al twaalf vanwege de toevoeging van Saint-Dominique aan het koloniale rijk met zijn vele suikerrietplantages. Deze werden door de reder en koopman René Montaudouin in een vijftiental expedities van slaven voorzien, waarmee hij zoveel geld verdiende dat hij o.a. een meerderheidsbelang in de suikerraffinaderij Croix-Blanche kon verwerven. De redersfamilies Grilleau en Lemasnes volgden zijn voorbeeld. Later vervaagde de band tussen scheepvaart en suikerverwerking en ontstond er een fabrikantenklasse die de raffinage voor haar rekening nam. Sommige kooplieden gaven er in de achttiende eeuw zelfs de voorkeur aan om de ruwe suiker direct te exporteren, omdat daar meer winst mee te behalen viel dan deze te laten verwerken in Nantes. Hoewel het aandeel van suiker in de totale koloniale handel via Nantes terugliep van 44% in 1730 tot 16% in 1787, waren de hoeveelheden groot genoeg om de raffinaderijen er te laten floreren. En niet alleen in Nantes, maar ook verder stroomopwaarts van de Loire in Orleans dat zich eveneens tot een verwerkingscentrum ontwikkelde voor de schier onverzadigbare behoefte aan zoetigheid in Parijs. Toen door de slavenopstand op Saint-Dominique (1791-1804) en de Britse zeeblokkades tijdens de Napoleontische Oorlogen (1792-1815) de koloniale handel ineenstortte moesten veel suikerraffinaderijen echter hun deuren sluiten.

Hoewel de afschaffing van de handel in slaven, nadat de Engelsen dit al in 1807 gedaan hadden, nog maar een kwestie van tijd was, bloeide die in koloniale waren tijdens de ‘Restauratie’ (1815-1830) weer snel op. In die periode steeg de hoeveelheid geraffineerde suiker in Nantes van duizend naar zevenduizend ton. De aanplant en verwerking van suikerbieten in Noord-Frankrijk had ondertussen echter een dermate grote omvang gekregen dat deze ondernemers bij de politici in Parijs gingen pleiten voor hoge invoertarieven op rietsuiker om hun opkomende industrie te beschermen. Dat was voorlopig tevergeefs en ze moesten nog wachten tot de afschaffing van de slavernij in 1848 de prijs van rietsuiker sterk deed stijgen. Niet alleen de suikerraffinadeurs in Nantes beleefden daardoor nog een gouden tijd, maar ook de machinebouwers, beenzwartfabrikanten en scheepsbouwers. In 1844 waren de suikerraffinaderijen goed voor een derde deel van de totale industriële omzet in Nantes en ze verbruikten bijna de helft van alle steenkool die vanuit Engeland in de haven werd aangevoerd. Om verzekerd te blijven van de aanvoer van rietsuiker was men fors gaan investeren in de aanleg van plantages op het eiland Réunion. Nicolas Cézard en Émile Étienne liepen erin voorop en hun raffinaderij met vierhonderd werknemers die zij in 1852 openden was goed voor een jaaromzet van vijfentwintig miljoen Francs.Afbeelding 3: Raffinerie de Chantenay groeide einde negentiende eeuw uit tot de grootste van Nantes.

In 1866 liet Louis Cézard, zoon van Nicolas, de olieslagerij van Charles Suffisant aan de Rue Jules-Launay ombouwen tot een raffinaderij waar dagelijks vijf ton ruwsuiker kon worden verwerkt. Naast een grote hal met kookpannen bestond het complex uit gebouwen voor zuivering, filtratie, droging en opslag, terwijl alle ruimtes verlicht werden met gas dat afkomstig was uit een eigen gazometer. Zelfs het voor de eindzuivering benodigde beenderzwart werd binnen het eigen bedrijf geproduceerd door verkoling van dierenbotten. Later kwam er nog een afdeling voor het gieten van tabletten en klontjes en werd er een onderkomen toegevoegd met elementaire voorzieningen voor de arbeiders. Albert Cézard, broer van Louis en medefirmant, gaf tussen 1868 en 1881 leiding aan de fabriek. In 1880 fuseerde de onderneming met de raffinaderij van Émile Étienne en de kandijsuikerfabriek Bourchard & Cie. tot de ‘Société Anonyme des Anciennes Raffineries Émile Étienne & Cézard’. Deze krachtenbundeling van rietsuikerverwerkers moest een antwoord zijn op de onstuimige groei die de bietsuikerindustrie destijds in het noorden en oosten van Frankrijk doormaakte, maar kwam te laat. Ondanks de jaarlijkse verwerking van zesendertigduizend ton suiker kwam het fusiebedrijf niet uit de verliezen en moest in 1881 haar deuren sluiten.

Dankzij Ernest Souquet konden de activiteiten in 1884 echter al weer hervat worden. Deze industrieel ondernemer uit Guadeloupe was op zoek naar raffinagecapaciteit in Frankrijk voor de verwerking van zijn rietsuiker en rum. Voor laatstgenoemd product verrezen er nieuwe gebouwen om te decanteren en conditioneren. Vanaf 1886 vond dit plaats onder de naam van het stadsdeel waarin het bedrijf gevestigd was: Raffinerie de Chantenay. In de jaren die volgden onderging het complex tal van uitbreidingen, zoals afdelingen voor de bereiding van suikerbroden en poedersuiker, een blikslagerij, een ketelhuis en een machinekamer met generatoren voor eigen elektriciteitsopwekking. Na de eeuwwisseling was de eigenlijke raffinaderij aan modernisering toe, een operatie die vanaf 1905 plaatsvond onder leiding van ingenieur Lizeray. Hij was afkomstig van concurrent ‘Société Say’ in Parijs en zorgde er voor dat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog ook de Raffinerie de Chantenay over de laatste stand der techniek kon beschikken. Het bedrijf telde toen zo’n zevenhonderd werknemers die niet alleen uiteenlopende suikervariëteiten produceerden, maar ook melasse verwerkten tot veevoer. In de jaren twintig vond de laatste grote uitbreiding plaats, waarvoor het gerenommeerde bouwbedrijf Hennebique hallen in gewapend beton liet optrekken ten behoeve van een nieuw ketelhuis, elektrische centrale en een nieuw onderkomen voor nog grotere malaxeurs. In deze maximale omvang bleef de Raffinerie de Chantenay operationeel tot haar sluiting in 1968, waarna binnen tien jaar al haar gebouwen aan Rue Jules-Launay gesloopt werden om plaats te maken voor nieuwbouw.Afbeelding 4: Een afbeelding van een gekleurde suikerplantagearbeidster op de verpakking zou nu ondenkbaar zijn.

De enige suikerraffinaderij waarvan het gebouwencomplex behouden is gebleven heeft een veel recenter verleden dan die van Chantenay, hoewel haar grondleggers al ruim een eeuw eerder in Nantes actief waren in de suikerverwerking. Het gaat om de familie Say die oorspronkelijk afkomstig was uit de Lozère, maar vanwege haar protestante geloofsovertuiging de vlucht nam naar het Zwitserse Genève na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685. Zoals veel hugenoten waren ook de Say’s echte ondernemers die een neus hadden voor nieuwe marktkansen en toen ze na de revolutie weer terug konden keren naar Frankrijk begon Louis Say een katoenspinnerij in Abbeville. Als gevolg van de havenblokkades kwam de aanvoer van katoen echter stil te liggen en Louis zag nieuwe mogelijkheden in het initiatief van Napoleon om suiker uit bieten te gaan winnen. Hij ging daartoe in 1812 samenwerken met de Armand Delessert die een raffinaderij in Nantes bezat. Deze lag eveneens stil omdat ook de rietsuiker uit de koloniën werd tegengehouden door de Engelsen. Voor men goed en wel de eerst bietsuiker geproduceerd had was de Franse keizer al verslagen en kon er weer overgeschakeld worden op ruwsuiker van overzee. Hoewel de onderneming Louis Say & Cie. floreerde liet de uitdaging om suiker uit bieten van eigen Franse bodem te winnen hem niet los en daarom kocht hij in 1832 de Raffinerie de la Jamaïque in Ivry-sur-Seine bij Parijs om het twintig jaar later nog eens met ‘betteraves’ te gaan proberen. En dit keer met succes. Na zijn overlijden kwam het bedrijf in handen van zijn zoon Constant, die op zijn beurt werd opgevolgd door kleinzoon Henry. Laatstgenoemde gaf de aanzet tot een omvangrijke expansie door samen te gaan met de ‘Sucrerie d’Ardres, Delori & Cie’ en daarna fabrieken over te nemen in Saint-Just-en-Chaussée, Abbeville, Coulommiers en Neuilly-Saint-Front.Afbeelding 5: De Raffinerie des Ponts van Armand Delessert en Louis Say groeide onder Émile Étienne uit tot een groot complex maar ging in 1883 ten onder in de concurrentiestrijd tegen de bietsuiker.

Om uiteindelijk de gehele Franse markt te kunnen domineren, kwam medio jaren dertig opnieuw de raffinage van suikerriet in beeld en viel het besluit om daarvoor een moderne raffinaderij in Nantes te bouwen. Tegelijkertijd was dit een antwoord op de kwetsbaarheid die tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het licht was getreden toen veel suikerfabrieken in Noord-Frankrijk in bezet gebied waren komen te liggen. Het nieuwe complex kwam aan Boulevard Benoni-Goullin te liggen, direct aan de oever van de Loire en omvatte tevens een papierfabriek voor de verpakkingen. Bij ingebruikname in 1937 bedroeg de capaciteit tweehonderd ton suiker per dag en hoewel ze tijdens WOII de nodige bombardementsschade opliep kon dit productieniveau in 1946 al weer gehaald worden. In 1973 werd Say overgenomen door branchegenoot Béghin, waarna Béghin-Say uitgroeide tot een concern met vrijwel alle denkbare suikervariëteiten in haar productassortiment en dat sinds 2004 onderdeel is van de coöperatieve Tereos-groep. Na de laatste eeuwwisseling was het personeelsbestand inmiddels geslonken tot tachtig werknemers die dagelijks zeshonderd ton suiker raffineerden. Om te benadrukken dat het hierbij nog steeds om suikerriet ging had men in 1993 de bedrijfsgebouwen een kleurenpatroon gegeven dat associaties moet oproepen met tropische gebieden waar deze vandaan komt. Daarmee is het complex een begrip geworden in Nantes en in afwachting van een nieuwe bestemming die recht doet aan het zoete verleden zonder daarbij de koloniale schaduwkant uit het oog te verliezen.Afbeelding 6: Bij oplevering in 1937 was de vestiging van Say in Nantes de laatste nieuwe raffinaderij voor suikerriet.