Marseille (F)

Marseille (1)Afbeelding 1: De dakpannenfabriek van Milles was operationeel van 1882 tot 1939, waarna ze tijdens de Tweede Wereldoorlog dienst ging doen als internerings- en doorgangskamp. Het gebouw is behouden gebleven als herinneringscentrum voor dit oorlogsverleden.

In Marseille waren vroeger de fabriekssirenes in de hele stad te horen, maar vooral in de wijk l’Estaque. Het Massif de la Nerthe, de diepblauwe zee, huizen in warme tinten en met rode dakpannen en de schoorstenen van de steenfabrieken: deze indrukken van l’Estaque en de Baai van Marseille werden door impressionisten als Paul Cézanne graag op doek vastgelegd. Maar achter deze kleurrijke werken ging een dagelijkse realiteit schuil die allesbehalve schilderachtig is. Generaties steenbakkers moesten hier in de fabrieken bikkelhard werken, tot er een moment aanbrak waarop ze gezamenlijk de strijd voor sociale gerechtigheid aangingen. Lange tijd was l’Estaque slechts een ingeslapen vissersdorp, dat afgezien van een muilezelpaadje nog niet eens een verbinding met Marseille had. Maar begin negentiende eeuw kwam daar verandering in door de opkomst van de pannenbakkerijen, ofwel ‘tuileries’. Daarna gingen de ontwikkelingen snel, want in 1895 kon men vanuit de baai al zesennegentig schoorstenen tellen, hoewel een aantal daarvan ook aan chemische- en metallurgische bedrijven toebehoorden. Destijds was meer dan negentig procent van de geëxporteerde dakpannen afkomstig uit de ovens van l’Estaque, Saint-André en Saint-Henry. Dankzij de rijke kleiafzettingen die er afgegraven werden drukte deze industrie tot in de jaren tachtig haar stempel op deze drie dorpen.Marseille (2)Afbeelding 2: De Baai van Marseille gezien vanuit l’Estaque, geschilderd door Paul Cézanne in 1885, met op de voorgrond de schoorstenen van enkele ‘tuileries’.

Aanvankelijk telden veel steenbakkerijen amper tien werknemers, maar rond 1900 trad een sterke concentratie op en ontstonden enkele grote dakpanfabrieken met ieder vier- á vijfhonderd arbeiders. Dankzij deze schaalvergroting kon aan de groeiende vraag worden voldaan, want het leek er destijds wel op of heel de wereld Franse terracottadakpannen wilde hebben. Voor het transport naar de afnemers werden schepen ingezet, waarvoor in de baai lange steigers waren gebouwd waarover de dakpannen met kruiwagens aan boord werden gebracht. Deze zware vrachten dienden overigens tevens als ballast ter stabilisatie van het vaartuig. Verre bestemmingen als Noord-Afrika, Latijns-Amerika en zelfs Azië waren geen uitzondering. Om aan voldoende arbeidskrachten te komen gingen de fabrikanten een beroep doen op buitenlanders, waarbij het in Zuid-Frankrijk vooral Italianen betrof. De zware arbeidsomstandigheden en lange werkdagen in een verzengende hitte leidden tot stakingen, waarvan de langdurigste plaatsvond in 1894. Voor het eerst streden daarbij Franse en Italiaanse arbeiders schouder aan schouder. Hoewel kort daarvoor een aantal werkgevers zich had verenigd slaagden de stakers er toch in om het van dit bolwerk te winnen. Ook vrouwen en meisjes die in de dakpanfabrieken werkzaam waren, veelal van Italiaanse afkomst, sloten zich bij de staking aan. In totaal tweeduizend Italiaanse en Franse arbeiders verenigden zich in een vakbond die hogere lonen, kortere werkdagen en betere arbeidsomstandigheden wist te bewerkstelligen. Bovendien kreeg deze vakbond invloed op de aanstelling van nieuwe arbeidskrachten, waardoor ze het de werkgevers onmogelijk kon maken om mensen in dienst te nemen die geen lid waren. Door de alsmaar groeiende arbeidersbevolking, niet alleen in de dakpanfabrieken maar ook in enkele andere industriesectoren, veranderde het straatbeeld van Marseille. En dat niet alleen, ook het landschap in de directe omgeving van de stad werd ingrijpend getekend door omvangrijke kleiwinning. De afwatering daarvan deed de zee ter plaatse diep rood kleuren, wat aanleiding gaf tot grote verontwaardiging onder de resterende vissers. Omwonenden van de kleigroeven leden eveneens schade, maar dan door opeenvolgende aardverschuivingen en verzakkingen langs de steile flanken.Marseille (3)Afbeelding 3: Voor het vervoer van de dakpannen naar de haven van Marseille werden dertig zogenaamde tartanen ingezet. Dit type zeilboot, dat in het hele Middellandse Zeegebied voor kwam, werd voor dit transport in 1905 vervangen door motorschepen.

Vandaag de dag zijn er nauwelijks nog dakpannenfabrieken actief. Na de oorlog werd de één na de ander stilgelegd omdat ze niet opgewassen waren tegen de buitenlandse concurrentie. In l’Estaque, Saint-Henry en Saint-André herinneren nog tal van muurtjes die zijn opgetrokken uit misbaksels aan deze nijverheid van weleer, in het buitengebied is dat vooral het sterk aangetaste landschap dat na de afgravingen achterbleef. De enige tuilerie die behouden is gebleven staat enkele tientallen kilometers verderop richting Aix-en-Provence in het gehucht Milles. Opmerkelijk genoeg vormde niet het industriële verleden, maar het oorlogsverleden aanleiding om deze voormalige dakpanfabriek niet af te breken maar tot herdenkingsplaats ‘Camp des Milles’ te bestempelen. Van 1939 tot 1942 diende ze als interneringskamp voor politieke vluchtelingen en tegenstanders van het Naziregime, daarna als doorgangskamp voor joden die in Marseille en omgeving waren opgepakt, nadat de Duitsers ook de vrije zone van Frankrijk hadden bezet. Bij haar opening in 1882 trok de fabriek veel aandacht omdat ze als eerste in het land was uitgerust met een ringoven, waardoor er in een maand tijd net zoveel dakpannen geproduceerd konden worden als voorheen in een heel jaar. De honderd mannen die er werkten groeven de klei af en stookten de ovens, terwijl het vooral vrouwen waren die de kleipersen bedienden. Ook het keuren van de klei was vrouwenwerk en niet onbelangrijk, aangezien het de zuiverheid was die uiteindelijk de kwaliteit van de dakpan bepaalde. Regelmatig kwam het voor dat gehuwden allebei werkzaam waren in de fabriek en daar samen de aantasting van hun gezondheid ondergingen als gevolg van de hitte uit de ovens en het stof uit de schoorstenen.Marseille (4)Afbeelding 4: De kleiafzetting waaruit de dakpannenfabrieken van l’Estaque, Saint-Henri en Saint-André hun grondstof wonnen staat bekend als het Bassin de Séon en werd al in de Romeinse tijd geëxploiteerd.

De industrialisatie van de sector die zich vanaf 1870 begon te voltrekken berustte op drie innovaties. De stoommachine, waarmee het productieproces gedeeltelijk gemechaniseerd kon worden. De verticale pers die het mogelijk maakte om rechthoekige dakpannen te vormen in plaats van de ronde daktegels die tot dan toe met de hand werden gemaakt. Tenslotte de Hoffmann-oven, die dankzij zijn continue werking niet alleen de productiecapaciteit verhoogde maar ook de kwaliteit van het baksel. Niettemin bleven er naast de fabrieken nog vele ambachtelijke pannenbakkerijen bestaan. Een voorbeeld  hiervan was de ondernemer Amédée Pierre, die weliswaar in Saint-Henry een moderne fabriek bezat voor de productie van dakpannen, maar daarnaast in l’Estaque een traditioneel bedrijf met twaalf arbeiders aanhield waar stenen en ronde daktegels nog handmatig werden gevormd en daarna gebakken in een met hout gestookte oven. Omstreeks 1880 waren er in de ambachtelijke- en industriële bedrijven van het Bassin de Séon gezamenlijk zo’n drieduizend mensen werkzaam die jaarlijks tweehonderdduizend ton aan dakpannen, tegels en bakstenen produceerden.Marseille (6)Afbeelding 5: De ringoven van de dakpanfabriek in Milles is toegankelijk voor de bezoekers aan het herinneringscentrum.

Toen er vanaf 1890 steeds grotere investeringen nodig waren om de technische ontwikkelingen te kunnen volgen, zochten de pannenfabrikanten in het Bassin de Séon toenadering tot elkaar. In 1894 betrof dat de Société des Tuileries et Briqueteries de Marseille, Roux Frères en Pierre Saccoman die hun verkoopactiviteiten samenbrachten in de Société Générale des Tuileries de Marseille & Cie. (SGTM & Cie). Het jaar daarop sloten drie andere branchegenoten zich hierbij aan: Guichard Frères, Pierre Frères en Les Fils de Léon Bonnet. Tenslotte kwamen daar in 1896 nog eens Les Fils de Barthélémy Fenouil, J.B. Roux en Les Tuilerie de la Méditerranée bij. Om ook hun productiecapaciteit te bundelen richtten de negen deelnemende bedrijven in 1901 de Société Générale des Tuileries de Marseille & S.A. op (SGTM & S.A.), waarbij zich ook de ondernemingen Guichard, Carvin & Cie. en Mallen et Martin Frères aansloten. Dit concentratieproces zette zich in de twintigste eeuw voort onder invloed van de sterk groeiende bouwsector, het verlies van afzet naar de koloniale gebieden en de toenemende buitenlandse concurrentie door totstandkoming van een gezamenlijke Europese markt. De laatste stap werd gezet in 1973 met de oprichting van de ‘Tuileries de Marseille et de la Méditerranée’ (TMM) met als doel om de productie samen te brengen in een aantal nieuwe, moderne fabrieken. De economische crisis van de jaren tachtig deed de bouwsector echter ineenstorten en de opkomst van de betonnen dakpan betekende de genadeklap voor de TMM. Ze kwam in handen van grote bouwkeramiekproducenten uit het noorden zoals Saint-Gobain en Lafarge, waarna definitieve sluiting in 2006 volgde. Alleen in Saint-André resteert nog een fabriek, waarin Monier dakpannen produceert uit klei die afkomstig is Puyloubier.Marseille (5)Afbeelding 6: Bewijs van aandeel in de dakpannenfabriek ‘Société de Produits Céramiques de St. Henry’ uit 1901 ter waarde van zeshonderdduizend Francs.