Afbeelding 1: Castleton Mill, gelegen aan het Leeds Liverpool Canal, kwam in 1836 in gebruik als vlasspinnerij en werd in 1850 uitgebreid met een linnen- en wolweverij. Na toekenning van de monumentenstatus in 1987 en renovatie in 2013 zijn er nu kantoorruimtes voor creatieve ondernemers in ondergebracht.
Met zijn reusachtige katoenspinnerijen was Manchester niet alleen textielstad nummer één van het Verenigd Koninkrijk, maar van de hele wereld en stelde daarmee andere industriecentra uit deze sector in de schaduw. Toch waren ook deze vaak nog van aanzienlijke omvang en dat kan zeker gezegd worden van Leeds. Bovendien, zoals de textielindustrie zich vanuit Manchester verspreidde over Lancashire, zo deed ze dat vanuit Leeds over West-Yorkshire en groeiden steden als Bradford, Halifax en Huddersfield eveneens uit tot centra van wolverwerking. Want terwijl Manchester bekend kwam te staan als ‘Cottonopolis’, bouwden Leeds en omstreken voort op de lakennijverheid die er al in de middeleeuwen tot bloei was gekomen. De benodigde wol was toen al lang niet meer afkomstig van de schaapskuddes in de Yorkshire Dales, maar kwam uit Argentinië, Australië en Nieuw-Zeeland en werd via spoorlijnen en kanalen vanuit de havens van Liverpool en Hull aangevoerd. De vraag naar textielmachines was zo groot dat lokale ondernemers zich op de bouw hiervan gingen toeleggen en hetzelfde gold voor de chemicaliën om de wol te wassen, te bleken en te verven. Ook kwam er een omvangrijke confectie-industrie tot stand die de geproduceerde stoffen verwerkte tot kledingstukken, en in eigen winkelketens verkocht. Tenslotte stond Leeds bekend om de verwerking van ‘shoddy’. Recycling mag dan op het eerste gezicht een recente ontwikkeling zijn, Benjamin Law uit het nabij Leeds gelegen Batley bedacht al in 1813 dat wollenstoffen opnieuw gebruikt konden worden door ze te verhakselen en de verkregen vezels opnieuw tot garen te verspinnen. Modieuze uitdrukkingen als ‘sustainability’ en ‘cradle-to-cradle’ mogen textielrecycling tegenwoordig dan wel een hippe uitstraling geven, de praktijk is door de toepassing van kunstvezels een stuk lastiger geworden.
Afbeelding 2: Het grootste confectiebedrijf van Leeds was dat van Montague Burton, die zichzelf presenteerde als ‘Tailor with Taste’. Deze slogan staat nog altijd op de gevel van de fabriek.
Tot het einde van de vroegmoderne tijd was Leeds nog een ‘market town’ die haar welvaart dankte aan de lakenhandel. Kooplieden verhandelden er de wollen stoffen die door thuiswevers vervaardigd waren. Deze ‘cottage industry’ speelde zich vooral op het omliggende platteland af, waar de boeren er hun inkomen mee aanvulden. De nabewerking vond in Leeds plaats en stond onder controle van de textielhandelaren. Al in 1185 was er sprake van een volmolen waar de weefsels door behandeling in een mengsel van klei (vollersaarde) en urine verdicht (letterlijk ‘voller’ gemaakt) werden. De wollen stof, ondertussen aangeduid als ‘laken’ (cloth), was daarna geschikt voor de keuring en verkoop in de lakenhal, waarover Leeds in 1711 de beschikking kreeg. Deze stond aan de Kirkgate en droeg de naam ‘White Cloth Hall’ omdat er enkel ongeverfde stoffen verhandeld werden. Het gebouw bestaat nog steeds en ging ‘1st White Cloth Hall’ heten omdat er reeds in 1756 een tweede, veel grotere hal geopend moest worden vanwege de toegenomen handelsactiviteiten. Ruwweg tweederdedeel van de wollenstoffen uit West-Yorkshire werd er toen verhandeld, wat neerkwam op ongeveer één-derdedeel van wat Engeland destijds van dit product exporteerde. Van deze ‘2nd White Cloth Hall’ is enkel de koepel behouden gebleven omdat deze in 1775 boven op de ‘3rd White Cloth Hall’ geplaatst werd. Hoewel laatstgenoemde destijds één van de belangrijkste handelscentra van Noord-Engeland was, moest ze in 1865 toch plaats maken voor de aanleg van een spoorlijn, waardoor enkel een poortgebouw met het koepeltje er tegenwoordig nog aan herinnert. De ‘4th White Cloth Hall’ werd op kosten van de North Eastern Railway Company gebouwd, maar heeft in feite amper dienst gedaan omdat het commerciële proces door de opkomst van de textielfabrieken, en daarmee gepaard gaande neergang van de thuisweverij, inmiddels grondig gewijzigd was.
Afbeelding 3: Wollenstoffenfabriek Armley Mills kwam begin negentiende eeuw voort uit een volmolen in de River Aire. Thwaite Mills, aan de rand van Leeds, is tot op de dag van vandaag als watermolen behouden gebleven met twee waterraderen en daaraan gekoppelde werktuigen.
Benjamin Gott geldt als één van de industriepioniers van Leeds omdat hij in 1792 Park Mills liet bouwen, een wollenstoffenfabriek waarin alle productieprocessen waren ondergebracht. Daardoor kon hij meteen profiteren van de grote vraag naar dekens en uniformstoffen die ontstond als gevolg van de oorlogen met Frankrijk gedurende de twee daaropvolgende decennia. Navolging van zijn voorbeeld door andere ondernemers liet nog tot de jaren twintig op zich wachten en de thuisweverij wist zich zelfs tot halverwege de negentiende eeuw te handhaven, zij het op bescheiden schaal. Gott bouwde zijn onderneming verder uit met Burley Mills in 1798, Armley Mills in 1804 en St. Anns Mills in 1824. Armley Mills was al een eeuw eerder als volmolen met vijf waterraderen en vijftien hamerarmen op een eiland in de River Aire gebouwd, maar door brand verwoest. Gott liet op dezelfde plaats een moderne fabriek optrekken rond een skelet van gietijzer om van een toekomstige brand gevrijwaard te blijven. Daar was extra reden toe omdat hij overgeschakeld was op stoomkracht, niet alleen om de spinnerij aan te drijven maar ook om met mechanische weefgetouwen te kunnen experimenteren. De rijke steenkolenlagen bevonden zich weliswaar in het zuiden van Yorkshire, maar dankzij Middleton Colliery hoefde de benodigde brandstof niet ver van Leeds te worden aangevoerd. In 1777 was het ‘Leeds and Liverpool Canal’ gereed gekomen, dat kort voor de aansluiting op de River Aire van een kade was voorzien waar enkele jaren later de eerste wol uit het Australische Botany Bay gelost werd. Armley Mills was destijds de grootste wollenstoffenfabriek ter wereld en bleef tot 1969 als dusdanig in gebruik. Heden ten dage biedt het complex onderdak aan het Armley Industrial Museum, dat naast uiteenlopende textielmachines ook nog een collectie stoomlocomotieven ten toon stelt. Benjamin Gott werd in 1799 burgemeester van Leeds en besteedde een deel van zijn fortuin aan de huisvesting voor armen, verzameling van kunst en de stichting van een literaire & filosofische gemeenschap in Leeds. Na zijn dood in 1840 liet hij zijn grote villa Armley Mansion met het omliggende landgoed van zeventig hectare na aan de stad, die het als ‘Armley Park’ openstelde voor het publiek.
Afbeelding 4: Naast wollenstoffen ging men in Leeds ook op grote schaal linnen produceren, zoals in Marshall’s Mill. Aanvankelijk nog aangedreven door het water van de Hol Beck, schakelde de fabriek later over op stoomkracht. De gebouwen zijn nu onderverdeeld in kantoorunits.
De lakenhandel mocht dan dominant zijn in Leeds, lange tijd werd er daarnaast nog volop linnen geweven. Deze nijverheid had begin achttiende eeuw een impuls gekregen dankzij de opening van de Aire & Calder Navigation in 1699. Door de kanalisatie van beide rivieren was er via de aansluitende River Ouse een binnenvaartverbinding met de Humber Estuary tot stand gekomen, zodat de wollenstoffen via de haven van Hull overzee geëxporteerd konden worden. Maar de route bood tegelijkertijd de mogelijkheid om grote hoeveelheden vlas uit het Baltische Zeegebied te importeren voor de verwerking tot linnen in Leeds en omgeving. Het was John Marshal die het productieproces van linnen industrialiseerde door de bouw van een fabriek in Holbeck in 1791, aangedreven door het water van het gelijknamige riviertje. Een stoommachine van Boulton & Watt garandeerde dat er ook bij lage waterstanden geproduceerd kon worden. Marshall ging samenwerken met engineer Matthew Murray om nieuwe machines te ontwikkelen voor het hekelen en spinnen van het vlas. Al in 1795 volgde uitbreiding met een nieuwe fabriek die eenvoudigweg ‘Mill B’ ging heten, waarna begin negentiende eeuw met Mill C, D en E een heel complex ontstond dat bekend kwam te staan als Marshall’s Mill en werk bood aan zo’n tweeduizend mensen. In 1840 werd daar nog ‘Temple Works’ aan toegevoegd, een fabriek die zijn naam ontleende aan een façade van achttien Egyptische zuilen en een schoorsteen in de vorm van een obelisk. Laatstgenoemde begon al na enkele jaren scheuren te vertonen en werd toen vervangen door een gangbaar exemplaar.
Afbeelding 5: In samenwerking met Matthew Murray wist John Marshall het verspinnen van vlas te mechaniseren, waardoor de linnenproductie sterk toenam.
Om de vele kinderen die in zijn bedrijf werkzaam waren na werktijd onderwijs te laten volgen liet hij in 1822 een school bouwen op het fabrieksterrein. De algemene leerplicht werd pas in 1880 ingevoerd en tot die tijd hebben er zo’n tweeduizend kinderen basisonderwijs genoten. Na zijn dood in 1845 werd de onderneming voortgezet door zijn zonen John Marshall II en James. Laatstgenoemde ontwikkelde een natspinproces voor fijnere garens en daarmee nieuwe producten. Daarmee kon de neergang van de linnennijverheid, die zich inmiddels had ingezet, nog enigszins worden vertraagd, maar in 1886 zag de derde generatie Marshal zich genoodzaakt het bedrijf te sluiten. Het complex ging nog een eeuw lang onderdak bieden aan andere textielondernemers, tot het kort voor de laatste eeuwwisseling herbestemd werd tot kantoorlocatie en een plaats op de monumentenlijst kreeg. Dit vormde het begin van de volledige herontwikkeling van een aantal voormalige fabrieksterreinen tot ‘Holbeck Urban Village’. Naast Marshall’s Mill en Temple Works ging het hierbij ook om Tower Works en Round Foundry, de machinefabriek van Matthew Murray, David Wood en James Fenton die zijn naam ontleende aan een rond gieterijgebouw. Begonnen met spinmachines voor Marshall ging men er later ook stoommachines bouwen en locomotieven voor de Middleton Railway Company, een spoorwegmaatschappij die was voortgekomen uit het steenkolenvervoer per spoor vanuit de Middleton Colliery. De vraag naar textielmachines was zo groot dat nog meer ondernemers in Leeds zich hierop gingen toeleggen zoals Taylor, Wordsworth & Co in 1812, Samuel Lawson met zijn Hope Foundry in 1813 en Peter Fairbarin met de Wellington Foundry in 1826. Zij legden de basis voor Leeds als een Centre of Engineering.
Afbeelding 6: In 1836 liet John Marshall een fabriek bouwen met een Egyptische zuilengalerij als façade die de toepasselijke naam ‘Temple Works’ kreeg. Na restauratie deed het gebouw vanaf 2009 tijdelijk dienst als kunstencentrum. Rechts op de achtergrond Marshall’s Mill.
Vanaf halverwege de negentiende eeuw gingen ondernemers in Leeds het linnen en de wollenstoffen ook verwerken tot kledingstukken, waar later een omvangrijke confectie-industrie uit voortkwam. John Barron begon hiermee in 1856 en vijfentwintig jaar later draaiden er in zijn twintig ateliers zo’n tweeduizend naaimachines en had hij drieduizend mensen op de loonlijst staan. William Blackburn en Joseph Hepworth volgden dit voorbeeld en rond de eeuwwisseling telde de sector vijftientienduizend werknemers die jaarlijks vijf miljoen kledingstukken vervaardigden, waarvan overigens een belangrijk deel in huisnijverheid. Joseph’s zoon Norris Hepworth begon een eigen keten van kledingwinkels die in 1891 al meer dan honderd vestigingen telde. J. Hepworth & Son groeide uit tot het grootste confectiebedrijf van het Verenigd Koninkrijk, waar in 1982 de nog altijd bestaande winkelketen Next uit voortkwam. Dat er ook mogelijkheden waren voor nieuwkomers van elders toont het voorbeeld van Montague Burton. Geboren als Meshe David Osinsky ontvluchtte deze joodse Litouwer de pogroms in zijn land en vestigde zich in 1900 als kleermaker in Chesterfield. Ruim tien jaar later had hij al vijf herenkledingzaken en een confectie-atelier in Leeds geopend, dat uitgroeide tot de grootste fabriek van de stad waar wekelijks dertigduizend herenkostuums werden geproduceerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leverde deze een kwart van de uniformen waarmee het Britse leger ten strijde trok en na afloop de demobilisation- ofwel ‘demob’ suit. Dit kostuum voor teruggekeerde militairen, dat bestond uit een jasje, broek, vest, overhemd en ondergoed, kwam later bekend te staan als de ‘The Full Montague Burton’, kortweg ‘The Full Monty’. De fabriek aan de Hudson Road, met zijn kenmerkende Art-Deco gevel uit 1922, was destijds de grootste in zijn soort ter wereld en bood werk aan ruim tienduizend mensen. Nu is het als ‘Burton Business Park’ een distributiecentrum van Arcadia Ltd. dat uit de Burton Group is voortgekomen en verschillende winkelkledingketens omvat.