Afbeelding 1: Raumfabrik Durlach in Karlsruhe bestaat uit bijna honderd ondernemingen die gevestigd zijn in de gebouwen van de voormalige naaimachinefabrikant Pfaff. Oorspronkelijk was het echter Gritzner & Co. die in 1872 op deze plaats begon met de productie van naaimachines.
Als vestigingsplaats van de op één na grootste olieraffinaderij van Duitsland zou men al snel geneigd zijn om Karlsruhe als industriestad te bestempelen, hoewel de naam van de stad reden zou moeten geven tot enige argwaan. Letterlijk vertaald luidt deze namelijk ‘Karelsrust’, en ‘rust’ associeert men nu niet bepaald met een industriestad. De twijfel is terecht, want Karlsruhe is een voormalige residentiestad, die bovendien pas begin achttiende eeuw ontstaan is. Het was Karl Wilhelm, Markgraaf van Baden, die haar in 1715 stichtte en daarmee was het één van de laatste voorbeelden van stadstichting binnen Europa. De planmatige opzet is nog altijd te herkennen in het regelmatig stratenpatroon, dat straalvormig is, met het residentieslot als middelpunt van een cirkel en tophoek van een driehoek. Baden groeide later uit tot een groothertogdom en maakt tegenwoordig deel uit van de deelstaat Baden-Württemberg. Met veel groen, brede straten en chique huizen bleef het vooral een aangename stad waar overheidsdienaren zich goed thuis voelden. Dat was in 1950 dan ook reden voor de jonge Bondsrepubliek Duitsland om er haar hooggerechtshof (Bundesgerichtshof) en grondwettelijk hof (Bundesverfassungsgericht) te vestigen, waardoor Karlsruhe ook wel ‘Residenz des Rechts’ wordt genoemd. Voor het industrieel erfgoed gaan we dan ook naar een plaats die pas sinds 1938 onderdeel uitmaakt van Karlsruhe, maar waar deze stad wél haar ontstaan aan heeft te danken: Durlach. Vóórdat de markgraven van Baden Karlsruhe stichtten hadden ze hier namelijk al anderhalve eeuw lang de Karlsburg bewoond. De stad maakte in de negentiende eeuw een voor Duitse begrippen bescheiden industriële ontwikkeling door met een orgelfabriek, farmaceutische onderneming, leerlooierij en twee machinefabrieken. Een deel van het complex van naaimachinefabriek Gritzner is behouden gebleven en staat sinds 2001 bekend als RaumFabrik Durlach, een bedrijventerrein met ongeveer honderd ondernemingen die werk bieden aan meer dan drieduizend mensen.
Afbeelding 2: In de hoogtijdagen werkten er vijfendertighonderd mensen bij Gritzner AG, die niet alleen naaimachines, maar ook rijwielen en motorfietsen produceerden.
Hoewel Karlsruhe dus amper een nijverheidsverleden kent, was het wel één van de eerste steden in Duitsland met een Polytechnicum, de voorloper van de Technische Hochschule. Ze werd in 1825 gesticht door groothertog Ludwig von Baden, naar het voorbeeld van de Ėcole Polytechnique in Parijs. Grenzend aan Frankrijk had men in Baden wel vaker ontwikkelingen uit dat land overgenomen, lang voordat ze elders in de Duitse Landen ingang vonden. Het nieuwe instituut hoefde overigens niet van de grond af te worden opgebouwd, want de stad had al een tekenschool voor architecten en een ingenieursschool, die beiden in het Polytechnicum opgingen. Eerstgenoemde opleiding was een initiatief van Friedrich Weinbrenner die als architect een groot aantal gebouwen in Karlsruhe had ontworpen. Johann Gottfried Tulla was vanaf 1807 naar Frans voorbeeld ingenieurs gaan opleiden en combineerde dat met zijn levenswerk: het kanaliseren van de Boven-Rijn, de grensrivier tussen Baden en Frankrijk. Van 1843 tot 1846 studeerde Max Carl Gritzner wiskunde en machinebouw aan het Polytechnicum. Hij was uit Wenen afkomstig en vermoedelijk voor zijn opleiding naar Karlsruhe gekomen omdat zijn neef Ferdinand Redtenbacher er docent was. Vervolgens verbleef hij meer dan twintig jaar in de Verenigde Staten, waar hij onder andere werkzaam was bij naaimachinepionier Isaac Merritt Singer. Ondanks toekenning van het Amerikaanse staatsburgerschap keerde hij terug naar Europa en begon met zijn vader Maximilian Joseph in Durlach een machinefabriek. Laatstgenoemde had Oostenrijk moeten ontvluchten vanwege zijn deelname aan de revolutie van 1848 en had ook een tijd in de VS doorgebracht.
Afbeelding 3: Pagina uit de catalogus van Gritzner AG, vermoedelijk daterend van rond 1900.
In 1878 introduceerde Gritzner & Co. de ‘Doppelumlaufgreifer’, of ‘Horizontal-Greifer’, een mechaniek voor garentransport dat de naaimachine veel robuuster maakte, zodat zelfs het stikken van schoenen mogelijk werd. Tegenwoordig zijn bijna alle naaimachines hiermee uitgerust. De ervaring die Max Carl had opgedaan bij Singer zal mede aan de basis hebben gestaan van deze uitvinding en zijn ambitie om zelf naaimachines te gaan produceren. De onderneming werd een succes en kort voor zijn dood in 1892 produceerden honderdtwintig werknemers op jaarbasis al meer dan twintigduizend naaimachines. Het miljoenste exemplaar verliet in 1902 de fabriek, het twee-miljoenste in 1910, waarvan meer dan tachtig procent geëxporteerd werd naar vele tientallen landen. Kort voor de Eerste Wereldoorlog had het bedrijf vijfendertighonderd mensen op de loonlijst staan, maar die vervaardigden sinds 1897 ook rijwielen en sinds 1903 ook motorfietsen. Gritzner & Co. AG behoorde toen inmiddels tot de grootste naaimachinefabrikanten van Europa. Het fabriekscomplex had een omvang gekregen van ruim elf hectare en beschikte over een eigen spooraansluiting met goederenstation. De combinatie van naaimachines en fietsen mag nu enigszins vreemd lijken, destijds was ze binnen de sector zeker geen zeldzaamheid. De ervaring had geleerd dat de verkoop van naaimachines ieder voorjaar sterk terugliep, om pas in de loop van het najaar weer aan te trekken. De fietsenverkoop vertoonde daarentegen een omgekeerde trend, terwijl uit oogpunt van metaalbewerking beide producten min of meer door hetzelfde personeels- en machinebestand vervaardigd konden worden. Zo kwam er in 1931 een fusie tot stand met de Pfälzische Nähmaschinen- und Fahrradfabrik vormals Gebrüder Kayser AG, gevestigd te Kaiserslautern.
Afbeelding 4: Er werkte een aanzienlijk aantal vrouwen bij Gritzner AG, zoals hier bij de nabewerking van omkastingen.
Eveneens in Kaiserslautern gevestigd was naaimachinefabrikant Pfaff. Grondlegger Georg Michael Pfaff was een tijdgenoot van Max Carl Gritzner die ook banden had met het Amerikaanse Singer, hetgeen aanvankelijk zelfs in zijn bedrijfsnaam tot uiting kwam: G.M. Pfaff Nähmaschinen-Fabrik-Singer. In 1891 produceerden zijn vierhonderd werknemers vijfentwintigduizend naaimachines en was daarmee in omvang vergelijkbaar met Gritzner. Daarna verliep de groei minder snel omdat Pfaff de rijwielenmarkt aan zich voorbij liet gaan, daarentegen wel andere machines voor de verwerking van textiel ging leveren. Vooral onder leiding van dochter Lina Pfaff stond het bedrijf in de jaren twintig bekend om zijn sociale voorzieningen, zoals een eigen woonwijk, ziektekostenverzekering en pensioenfonds. Pas veertig jaar later dan Gritzner werd ook Pfaff in 1926 een naamloze vennootschap (Aktiengesellschaft). Kleinzoon Karl was de laatste Pfaff in de directie en loodste het bedrijf door de oorlogsjaren, waarin een groot deel van het fabriekscomplex tijdens een bombardement werd verwoest. Na zijn overlijden in 1952 ging zijn opvolger Hugo Lind op overnamepad en voegde in 1957 Grintzer AG toe aan de onderneming. Twee jaar eerder had het complex in Durlach bij een brand grote schade opgelopen en de nieuwe eigenaar liet binnen korte tijd enkele vervangende fabrieksgebouwen optrekken, waaronder een ketelhuis met de naam ‘Pfaff’ op de schoorsteen. In de decennia die volgden wist Pfaff nog enkele innovaties te introduceren zoals de olievrije of ‘droge’ naaimachine in 1960, de ‘Zickzack-Maschine’ met zesduizend steken per minuut in 1967, een automaat om fabrieksmatig zakken op spijkerbroeken te naaien in 1968 en een programmeerbare contourmachine voor de confectie-industrie in 1973. De neergang van de Europese kleding- en schoenenindustrie bracht Pfaff in de loop van de jaren tachtig echter in de problemen, hetgeen nog versterkt werd door ongelukkige managementbeslissingen. Dit leidde in 1999 tot aanmelding van uitstel van betaling. Het bedrijf kwam uiteindelijk in Chinese handen en naaimachines onder de merknaam ‘Pfaff’ worden sindsdien voornamelijk in dat land geproduceerd. Alleen de productie van hoogwaardige machines vindt nog in Duitsland plaats, maar biedt slechts werkgelegenheid aan honderdvijftig mensen in Kaiserslautern.
Afbeelding 5: Het ketelhuis werd in 1958 gebouwd, direct na de overname door Pfaff. De naam van de nieuwe eigenaar werd meteen op de nieuwe schoorsteen aangebracht.
Voor de vestigingslocatie in Durlach was het doek al in 1996 gevallen. Vijf jaar later kochten tien ondernemers uit Karlsruhe het fabriekscomplex om er nieuwe bedrijvigheid in onder te brengen. Nadat in 2006 de eerste herontwikkelingsfase voltooid was telde ‘Raumfabrik Durlach’, zoals het initiatief inmiddels was gaan heten, al meer dan vijftig bedrijven met samen meer dan twaalfhonderd werknemers. In 2008 kwam het kenmerkende ketelhuis aan de beurt, waarin achttienhonderd vierkante meter aan kantooroppervlak werd gecreëerd. Vooral hightechbedrijven op het gebied van geneeskunde, informatietechnologie en hoogwaardige dienstverlening zijn kantoor- en werkruimtes gaan huren in de eenentwintig gebouwen. Hun werknemers profiteren van de voorzieningen die er in de loop der jaren tot stand zijn gekomen zoals een businesshotel, fitness-studio, restaurant, fysiotherapiepraktijk, kinderdagverblijf, supermarkt, apotheek en kapsalon. Verspreid over het voormalige fabrieksterrein zijn ook een aantal moderne kantoorgebouwen verrezen, waardoor een evenwichtige combinatie van oud en nieuw is ontstaan. Op diverse plaatsen die voor het publiek toegankelijke zijn krijgen kunstenaars regelmatig de gelegenheid om hun werk te tonen.
Afbeelding 6: Na renovatie van de oude gebouwen (links) werden er ook nieuwe toegevoegd (rechts), waardoor Raumfabrik Durlach in twintig jaar tijd uitgroeide tot tachtigduizend vierkante meter bedrijfsoppervlak.