
Afbeelding 1: De Fagusfabriek die tussen 1911 en 1913 in Alfeld-an-der-Leine naar een ontwerp van Walter Gropius werd gebouwd geldt als wegbereider van de Nieuwe Zakelijkheid. In 2011 kreeg het een plaats op de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Hoewel er nog altijd op bescheiden schaal schoenleesten worden vervaardigd, heeft het hoofdzakelijk een museale functie.
Fabrieksgebouwen mogen dan over het algemeen een toonbeeld van functionaliteit zijn, dat betekent niet dat er geen architect aan te pas komt om ze te ontwerpen. Dit misverstand zou kunnen ontstaan als architectuur enkel geassocieerd wordt met esthetiek, wat verklaarbaar is als we bedenken dat het een synoniem is voor het woord ‘bouwkunst’. Eeuwenlang was ‘kunst’ een gangbare uitdrukking voor ‘vaardigheid’ zoals in boekdrukkunst of schrijfkunst, terwijl het exclusieve gebruik er van in de zin van artisticiteit pas van recenter datum is. Daar komt bij dat de architectuurgeschiedenis in het teken staat van stromingen waarvan de stijlkenmerken onderdeel zijn gaan uitmaken van de kunstgeschiedenis omdat ze ook door schilders en beeldbouwers werden opgepakt. Sommige architecten konden zich zo misschien tot ware kunstenaars ontpoppen, de meeste van hen verdienden gewoon hun brood door de eisen van hun opdrachtgever te vertalen in een bouwtekening. Betrof dat een fabriek dan ging het om een geheel van werkruimten, magazijnen, installaties en kantoren die zo efficiënt mogelijk geordend moesten worden met betrekking tot materiaaltransport, energiehuishouding en arbeidshandelingen. De oplossingen die hiervoor gekozen werden mochten dan eveneens afhankelijk zijn van lokale omstandigheden en persoonlijke voorkeuren, al snel ontstonden er zoveel gemeenschappelijke kenmerken dat er van fabrieksarchitectuur gesproken kon worden. Bekende verschijningsvormen daarvan werden sheddakhallen, ketelhuizen, fabrieksschoorstenen en machinekamers. Soms was een architect in de gelegenheid om decoratieve elementen aan te brengen zoals tegeltableaus, glas-in-loodramen of siersmeedwerk. Dat bleven echter uitzonderingen, die zich meestal beperkten tot de kantoorgebouwen van industriële bedrijven, omdat deze een representatieve uitstraling moesten hebben. In dat opzicht was er geen verschil met de kantoren van banken, nutsbedrijven of handelsondernemingen en kunnen we dus ook niet spreken van fabrieksarchitectuur.

Afbeelding 2: Spinnerei Cromford in het Duitse Ratingen was de eerste textielfabriek die in 1784 naar Engels voorbeeld op het vaste land werd gebouwd. Tegenwoordig is er een industriemuseum in gevestigd dat toont hoe de spinmachines door het water van de Angerbach werden aangedreven.
De eerste fabrieken werden eind achttiende eeuw in Engeland gebouwd en bevonden zich nog in ruraal gebied omdat ze net als watermolens gebruik maakten van de waterkracht van snelstromende beken en riviertjes. Hierdoor is de uitdrukking ‘mill’ voor een fabriek tot op de dag van vandaag blijven bestaan. In vergelijking met de meeste watermolens waren ze echter veel groter en bestonden uit meerdere verdiepingen. Via een stelsel van transmissieassen en drijfriemen werd de draaiende beweging van het waterrad overgebracht op de werktuigen die daar opgesteld stonden. Deze langgerekte, hoge gebouwen met eenvoudig zadeldak vertoonden veel gelijkenis met de pakhuizen van destijds, wat niet vreemd is omdat het in deze beginjaren vooral kooplieden waren die fabrieken of manufactuurhuizen lieten bouwen. In het laatstgenoemde geval ging het om gebouwen waar de producten nog volledig in handarbeid werden vervaardigd en die de overgang markeren tussen de huisnijverheid en het gemechaniseerde productieproces in de fabriek. Een belangrijk verschil met de pakhuizen was dan weer wel dat fabrieken en manufactuurhuizen grote vensters vereisten voor voldoende natuurlijke lichtinval op de werkplek. De eenvoudigste manier om deze te realiseren zonder afbreuk te doen aan de sterkte van de bouwconstructie was de toepassing van segmentbogen, waardoor zogenaamde getoogde vensters ontstonden. De productie van vlakglas stond nog in de kinderschoenen en de kleine glasruiten die dit vooralsnog opleverde werden in ramen met een roedeverdeling aangebracht om toch een groot licht-doorlatend oppervlak te verkrijgen. Voorbeelden van deze eerste generatie fabrieksgebouwen zijn nog op veel plaatsen te vinden, vooral omdat ze nog tot ver in de negentiende eeuw tot stand kwamen.
Met enkele decennia vertraging drong de industriële revolutie ook door tot het vaste land van Europa, dat toen onder invloed stond van het revolutionaire regime in Frankrijk. Dat door het Continentaal Stelsel, afgekondigd door Napoleon in 1806, import van producten uit Engeland niet was toegestaan, was gunstig voor de ontwikkeling van een industrie in België, Frankrijk en de Duitse Landen, terwijl handelsnaties als Holland, Spanje en Portugal juist economisch wegkwijnden. Een direct gevolg van de Franse Revolutie die hieraan voorafging was de opheffing van de kloosterorden en het was het omvangrijke gebouwenbestand dat hierdoor vrijkwam dat door menig fabrikant benut ging worden om er zijn spinnerij, weverij of ijzergieterij in te vestigen. Zo ging de voormalige cisterciënzerabdij van Val-Saint-Lambert in Seraing (nabij Luik) dienst doen als kristalglasfabriek Het was overigens geen nieuw verschijnsel dat bestaande gebouwen voor nijverheidsdoeleinden werden ingezet. Verlaten kloosterkapellen kregen in de Republiek der Zeven Provinciën uiteenlopende nieuwe bestemmingen, waaronder die van klokken- of geschutgieterij zoals in Den Haag en Zutphen. Maar ook verlaten kastelen kwamen in aanmerking, zoals de porseleinmanufactuur in de Albrechtsburg te Meissen en de katoenspinnerij in het Gravensteen te Gent laten zien. In de loop van de negentiende eeuw verdwenen dit soort vroeg-industriële productielocaties omdat de moderne fabrieksgebouwen zich veel beter leenden voor het opstellen van machines en opgetrokken konden worden langs kanalen en spoorlijnen voor de aanvoer van grondstoffen.

Afbeelding 3: De abdij van Val-Saint-Lambert in Seraing ging in 1825 dienst doen als kristalglasfabriek vanwege de nabijheid van steenkolenmijnen en de Maas voor aanvoer van grondstoffen. Nu biedt het onderdak aan een museum voor glaskunst waar glasblaasdemonstraties plaatsvinden.
Aangezien de textielsector een voortrekkersrol vervulde in de industriële revolutie was ze ook trend-zettend op het gebied van de fabrieksarchitectuur. Daarbij trad al snel een tweedeling op tussen spinnerijen en weverijen. Aanvankelijk waren het enkel spinnerijen waarvoor fabrieken werden ingericht, omdat het weven nog tientallen jaren een thuisnijverheid bleef, ook in Engeland. Toen halverwege de negentiende eeuw ook dit proces gemechaniseerd werd, koos men er voor om deze zogenaamde ‘power looms’ onder te brengen in een nieuw type fabrieksgebouw dat in tegenstelling tot de spinnerijen uit slechts één bouwlaag bestond, hetgeen twee voordelen had. Omdat enkel een kapconstructie gedragen hoefde te worden was de vrije overspanning veel groter, waardoor er meer flexibiliteit ontstond om het machinepark te plaatsen zonder gehinderd te worden door een woud van kolommen. En door die kapconstructie in een zaagtandvorm uit te voeren, een zogenaamd ‘sheddak’, kon de natuurlijke lichtinval op de werkplekken sterk verbeterd worden. Daarbij werden de verticale dakvensters op het noorden georiënteerd om de intensiteit van het zonlicht gedurende de hele dag constant te houden. Deze sheddakhallen kregen al snel toepassing binnen tal van andere industriesectoren en groeiden min of meer uit tot het archetype van een fabrieksgebouw, dat ook nu nog als symbool in logo’s en schema’s gebruikt wordt.
Gelijktijdig met de industrialisatie kwam er binnen de kunsten een stroming op die als reactie op deze moderne ontwikkeling de ongerepte natuur en het heroïsche verleden ging verheerlijken: de romantiek. In de bouwkunst ging men teruggrijpen op architectuurstijlen uit het verleden zoals de klassieke oudheid (neo-classisisme), middeleeuwen (neogotiek) en renaissance (neorenaissance). Vervallen kastelen, kloosters en kathedralen ondergingen ingrijpende restauraties waarbij elementen van deze neostijlen werden aangebracht. Hoewel de industrie gold als een toonbeeld van moderniteit, drong deze hang naar het verleden toch door in de fabrieksarchitectuur. Men ging fabrieken ontwerpen waarvan de muren voorzien waren van kantelen en de schoorstenen en trappenhuizen waren uitgevoerd als hoektorens. Ze kregen daardoor de uitstraling van een middeleeuws kasteel en moesten dienovereenkomstig ook een ongenaakbare indruk maken op het publiek. In het Frans sprak men in dit verband over een ‘chateau de l’industrie’, in het Nederlands over een industrieburcht. Voorbeelden hiervan zijn spinnerij Motte-Bossu in het Franse Roubaix, de Gladbacher Aktienspinnerei en Ravensberger Spinnerei in het Duitse Mönchengladbach en Bielefeld en de sigarenfabriek van Goulmy & Baar in Den Bosch. Ook de ophaalgebouwen van steenkolenmijnen in de vorm van een middeleeuws donjon, de zogenaamde Malakov-torens, waarvan er in de tweede helft van de negentiende eeuw door heel Europa vele tientallen verrezen, kunnen tot deze categorie gerekend worden.
Brandgevaar lag voortdurend op de loer in de textielindustrie en vooral spinnerijen vielen regelmatig ten prooi aan de vlammen nadat een wolk van fijne katoenpluizen door een toevallige vonk was aangestoken. In zo’n geval maakten de houten vloeren, doordrenkt met olie uit de machines, het fabrieksgebouw tot een fakkel. Rond 1880 leidde dit in het Engelse Lancashire tot een nieuw ontwerp waarin uit baksteen gemetselde troggewelven werden aangebracht op een draagconstructie van gietijzeren kolommen en smeedijzeren draagbalken, zodat houten vloeren vanaf toen verleden tijd waren. Het trappenhuis werd verhoogd tot een toren met bovenin een waterreservoir waaruit een sprinklersysteem gevoed werd dat de lucht bevochtigde om stofvorming te voorkomen. Getooid met een tentdak en gedecoreerd met ornamenten, smeedwerk of een klok golden deze torens eveneens als visitekaartje van de onderneming. Het grondplan van de spinnerij wijzigde zich van langgerekt naar vierkant om zoveel mogelijk self-actors te kunnen plaatsen en vooral na 1900 begonnen deze ‘Lancashire Mills’ reusachtige afmetingen aan te nemen. Het architectenbureau Stott & Sons uit Oldham specialiseerde zich in het ontwerp van deze fabrieken en leverde er tientallen voor textielondernemingen in Engeland, Duitsland en Nederland.

Afbeelding 4: De Ravensberger Spinnerei in Bielefeld werd bij haar bouw in 1855 versierd met hoektorentjes en ornamenten die de indruk van een middeleeuws kasteel moesten wekken. Sinds 1994 biedt het gebouw onderdak aan de collectie van het historisch museum van Bielefeld.
Vanaf 1880 was het de beurt aan de metaalindustrie om een gebouwtype te introduceren dat specifiek was toegesneden op haar bedrijfsactiviteiten: de fabriekshal. Constructies met een grote vrije overspanning bestaande uit een skelet van giet- en smeedijzer en voorzien van glas werden al decennia eerder toegepast voor markt-, expositie- en stationshallen. De introductie van staal maakte de bouw van dergelijke hallen ook interessant voor machinefabrieken, ijzergieterijen en scheepswerven omdat het skelet daarmee een dusdanige sterkte kreeg dat deze ook bovenloopkranen kon dragen. Dit kraantype maakte het mogelijk om m.b.v. een zogenaamde loopkat lasten door de gehele hal te verplaatsen. Vroege voorbeelden van dit soort hallen die behouden zijn gebleven staan in Amsterdam op het voormalige Werkspoorterrein (1893) en in Hengelo op dat van Stork (1902). Toen kort na 1900 de eerste elektriciteitscentrales gebouwd werden om deze nieuwe energiedrager op te wekken koos menig nutsbedrijf ook voor een hal met staalskelet om er haar turbines en generatoren in op te stellen. Mijnbouwondernemingen volgden dat voorbeeld als ze overschakelden op elektriciteit en plaatsten er tevens hun compressoren om pneumatische gereedschappen van perslucht te kunnen voorzien. Vanwege hun ijle structuur, en de grote natuurlijke lichtinval die daardoor mogelijk was, werden deze fabriekshallen destijds wel vergeleken met de gotische kathedralen, die in de middeleeuwen om dezelfde reden een trendbreuk vormden met hun (romaanse) voorgangers. Dit gaf aanleiding tot uitdrukkingen als industriekathedraal, fabriekskathedraal of energiekathedraal in geval van een elektriciteitscentrale.
Rond 1900 deed naast staal ook gewapend beton zijn intrede als nieuw constructiemateriaal voor de utiliteitsbouw, nadat de Fransmannen Joseph Monier en François Hennebique hiervoor het pionierswerk hadden verricht. Wederom liep de textielsector voorop in de toepassing hiervan omdat het de brandveiligheid ten goed kwam. In Twente (Enschede, Hengelo en Almelo) en het naastgelegen Münsterland (Gronau, Rheine en Nordhorn) verrezen de eerste spinnerijen met een skelet van gewapend beton, hoewel het volledige muurwerk nog uit baksteen werd opgetrokken. Een aantal hiervan werden getekend door architect Arend Beltman uit Enschede die zich gespecialiseerd had in fabrieksbouw uit gewapend beton en ook ontwerpen leverde aan bedrijven in de metaalsector (Stork & Co. in Hengelo en DRU in Ulft) en elektrotechnische industrie (Philips in Eindhoven). Als eerste ontwierp hij fabrieksgebouwen waarvan het betonskelet zichtbaar was in bakstenen gevels, zoals die van stoomspinnerij Twente in Almelo. Opvallend veel van zijn werk is behouden gebleven, hoewel na meer dan honderd jaar het beton vaak hersteld moest worden vooraleer deze gebouwen een nieuwe bestemming konden krijgen. Maar ook pakhuizen, silogebouwen, scheepshellingen, loskades, kraanbanen en schachtbokken van steenkolenmijnen ging men uitvoeren in gewapend beton dat al snel uitgroeide tot het belangrijkste bouwmateriaal van de industrie. En niet alleen in dragende constructies, want eind jaren twintig ontwikkelde men in het Duitse Jena het zogenaamde Dywidag (genoemd naar het bedrijf Dyckerhoff & Widmann AG), dat in de Zeiss-Werken in dezelfde stad werd toegepast. Het dak was samengesteld uit betonnen schaaldelen, relatief licht in gewicht en ter plaatse gegoten.

Afbeelding 5: De Jahrhunderthalle werd in 1902 door het steenkolen- en staalbedrijf Bochumer Verein gebouwd voor een expo in Düsseldorf en daarna verplaatst naar haar hoogovencomplex in Bochum om als compressorenhal te dienen. Thans is het een evenementenhal.
Duitsland had in de twintigste eeuw de leidende rol op industrieel gebied binnen Europa van Engeland overgenomen en ging daarom ook de toon zetten in de fabrieksarchitectuur. In Berlijn ontwierp Peter Behrens als adviseur voor AEG in 1909 een turbinefabriek die een icoonstatus kreeg. Als moderne variant op de klassieke tempel wees het ontwerp op de nieuwe tijdgeest die gekenmerkt werd door massafabricage. Dit nieuwe fabrieksontwerp raakte verspreid door publicaties van de Deutsche Werkbund, waarvan naast Peter Behrens ook Walter Gropius een prominent lid was. Gropius liet in 1914 met de Fagusfabriek in Alfeld-an-der-Leine (nabij Hannover) zien dat hij zijn tijd ver vooruit was. Deze fabriek voor houten schoenleesten was grotendeels opgetrokken uit baksteen en glas en was één van de eerste moderne industriegebouwen waarin een heldere, open structuur met veel glas domineerde. De belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van de fabrieksarchitectuur speelden zich echter af in de Verenigde Staten. De automobielfabrieken van Henry Ford, waarin alle kennis rond de moderne vraagstukken over industriële productie en –organisatie leken samen te komen, spraken bij veel architecten tot de verbeelding. Deze modernisten werden de nieuwe totaalontwerpers van fabrieken, zoals in Engeland bleek bij het fabriekscomplex van farmaceutisch bedrijf Boots in Beeston (bij Nottingham). Met gescheiden gebouwen voor ‘wets’ en ‘drys’ ontwierp Sir Evan Owen Williams een equivalent van wat Jan Brinkman en Leendert van der Vlugt een paar jaar eerder in Rotterdam met de fabriek voor Van Nelle hadden gepresteerd. Zowel Boots als Van Nelle toonden de idealen van de moderne stad waar transport, arbeid, licht, spaarzaamheid en gezondheid sleutelbegrippen moesten zijn. De Van Nellefabriek zou tot ver na de Tweede Wereldoorlog een voorbeeldrol blijven spelen vanwege de moderne materialen, heldere constructie met betonnen paddenstoel-vloeren en gevels uit staal en glas. Maar dat gold ook voor de scheiding tussen verschillende producten, tussen fabriek en kantoor, productie en opslag en de visuele verbinding van dat alles door glaswanden en transportbruggen.
In de tweede helft van de vorige eeuw nam de beschikbare grond voor industrialisatie toe omdat men fabrieken voortaan wilde weren uit woongebieden. Op deze nieuwe bedrijventerreinen met een relatief lage vierkante meterprijs verrezen bijna uitsluitend enkel-laags fabrieksgebouwen. Gelijktijdig trad een flinke schaalsprong op waarbij hallen gerealiseerd werden met een vrije overspanning tot wel vijftig meter en tevens demontabele glaswanden met het oog op uitbreiding. Nieuwe ontwikkelingen zoals TL-verlichting en airconditioning bevorderden de bouw van doosachtige productiehallen. Bovendien kreeg het sociale aspect een steeds belangrijkere plaats. Strengere wet- en regelgeving leidden tot meer aandacht op het gebied van licht, lucht, geluid en veiligheid. Kantines en kleedruimtes gingen een vast onderdeel vormen van de ontwerpopgave. Ondanks de nadruk op soberheid en functionaliteit was er af en toe toch nog ruimte voor vernieuwende architectuur, zoals Hugh Maaskant liet zien in de fabriek die hij in 1955 te Etten-Leur (nabij Breda) bouwde voor Tomado, een producent van huishoudartikelen. Staal en glas overheersten in dit ontwerp, in tegenstelling tot veel andere fabrieken waarin met name beton werd toegepast. Met zijn vormgeving sloot Maaskant naadloos aan op de filosofie en producten van het bedrijf, die rijk aan kleur en prettig van design waren. De fabriek werd een symbool van vernieuwingsideologie: de omschakeling van het agrarische West-Brabant naar industrie vond in de Tomadofabriek een esthetisch voorbeeld. Het open karakter van de fabriek was opvallend: het voorplein met groen, de aandacht voor de entree, de situering en inrichting van de kantine, het tonen van het inwendige van de fabriek, alles leek gericht op transparantie. Eigenaar Van der Togt bleek een voorbeeldige opdrachtgever, die wilde dat de fabriek zou uitgroeien tot een gemeenschap van fabrieksarbeiders. Ondanks deze unieke architectuur kwam de fabriek in 2021 onder de slopershamer om plaats te maken voor een monsterlijk grote distributiehal, waarvan er sinds de laatste eeuwwisseling in Nederland vele honderden verrezen zijn.

Afbeelding 6: In 1920 ontwierp de Duitse industrieel architect Peter Behrens voor staalproducent Gutehoffnungshütte in Oberhausen een nieuw centraal magazijn. Het geldt als een hoogtepunt van de Nieuwe Zakelijkheid binnen de fabrieksarchitectuur en doet nu dienst als museum.