Hasselt (B)

Afbeelding 1: De grote luifels waaronder het laden en lossen plaatsvond zijn behouden gebleven.

In het kader van haar naoorlogse spreidingsbeleid om werk naar de mensen brengen, in plaats van mensen naar het werk te halen, opende Philips in de jaren vijftig ook productievestigingen bij onze Zuiderburen. Wat begon als een assemblageatelier kon al snel uitgroeien tot een volwaardig industriecomplex en de fabriek in Hasselt was hier een voorbeeld van. Oorspronkelijk bedoeld als montagecentrum voor platenspelers en bandrecorders, was het de uitvinding van de compact cassette door de Hasseltse productontwikkelaars die de locatie liet uitgroeien tot Philips’ grootste productiecentrum voor geluidsapparatuur met vijfduizend medewerkers. Toen zich twintig jaar later in de vorm van de compact disc een nieuwe muziekdrager aandiende viel de keuze dan ook op Hasselt om voor deze revolutionaire innovatie op het gebied van geluidsweergave de spelers te gaan produceren. Als expertisecentrum voor optical storage technology kwamen er ook de spelers voor varianten als de CD-video, CD-rom, CD-i en uiteindelijk de DVD tot stand. Om deze vruchtbare bodem voor technische ontwikkeling na het vertrek van Philips in 2002 opnieuw te benutten biedt een deel van de voormalige fabrieksgebouwen onder de naam ‘Corda Campus’ tegenwoordig onderdak aan startups en incubators.

De landsgrens mocht dan slechts twintig kilometer ten zuiden van Eindhoven liggen, voor een geschikte vestigingslocatie van een fabriek met aanzienlijke omvang moest een langere reis gemaakt worden. Net over de grens lagen enkel kleine gemeenten van waaruit dagelijks al de nodige grensarbeiders door het eigen busbedrijf van Philips werden opgehaald om te gaan werken in de Eindhovense fabrieken. Verstoring van deze regionale arbeidsmarkt werd als onwenselijk beschouwd. Sowieso genoot een stad van zekere omvang de voorkeur, al waren deze in Belgisch Limburg op de vingers van één hand te tellen. Hiervan waren Hasselt en Genk de grootsten, bovendien het minst ver verwijderd en reeds bekend met de lusten en lasten van industriële bedrijvigheid. Dat uiteindelijk de keuze op Hasselt viel zal de stad deels te danken hebben gehad aan haar betere verbindingen met Eindhoven en het feit dat Genk met twee steenkolenmijnen wat werkgelegenheid betreft al goed bedeeld was. Hasselt kon op laatstgenoemd punt wel een impuls gebruiken. De enige nijverheid die in het marktstadje tot bloei was gekomen betrof de jeneverstokerij. Met de komst van Philips in 1955 zou de stad echter voor het eerst kennis gaan maken met een internationaal industrieconcern.Afbeelding 2: Het assemblagewerk bij Philips in Hasselt werd grotendeels door vrouwenhanden verricht.

Een jaar eerder had het Hasseltse gemeentebestuur zeventien hectare grond in erfpacht gegeven aan Philips om er een fabriek op te bouwen. De gemeente investeerde zeven miljoen frank om het drassige land, voorheen stroomgebied van de Demer en aangeduid met de naam ‘Schijnbroek’, bouwrijp te maken en Philips garandeerde werkgelegenheid voor minimaal vijfhonderd mensen. Op 6 januari 1955 was de eer aan burgemeester Jozef Bollen om de eerste steen te leggen. De architectuur waarin Philips haar fabrieken liet bouwen week na de oorlog sterk af van de hoogbouw in gewapend beton die vijfentwintig jaar eerder onder andere in Leuven was verrezen. De productievestigingen die in het kader van het spreidingsbeleid werden gebouwd bestonden uit hallen die in baksteen en met licht-hellend zadeldak werden opgetrokken. Grote raampartijen zorgden voor natuurlijke lichtinval in die hallen waar door honderden medewerkers montagearbeid werd verricht. Kantoren en overige voorzieningen waren ondergebracht in langgerekte gebouwen van gelijke hoogte, maar dan bestaande uit twee verdiepingen. Voor het zover was moest het vers aangeworven personeel zich echter met minder aantrekkelijke huisvesting behelpen: een voormalige keramiekfabriek. Zoals in andere plaatsen waar Philips een nieuwe fabriek liet bouwen, werd ook in Hasselt al op voorhand begonnen met productiewerkzaamheden op een provisorische locatie om nieuwe medewerkers op te leiden. Na twee maanden liepen de zaken daar al zo voorspoedig dat de gehele assemblage van platenspelers van Eindhoven naar Hasselt kon worden overgeheveld, een maand later gevolgd door de zogenaamde platenwisselaars. Deze mechaniekjes werden o.a. ingebouwd in jukeboxen om uit een serie van 45-toerenplaten naar keuze, en volautomatisch, een exemplaar te laten afspelen.Afbeelding 3: Het fabriekscomplex in haar maximale omvang, gefotografeerd in noordwestelijke richting.

Reeds op 9 augustus van dat jaar kon de nieuwbouw worden betrokken, vooralsnog bestaande uit twee hallen, aan kopse zijde verbonden door een frontgebouw met kantoren, aan de achterzijde met magazijnen. Ook een gereedschapsmakerij en een metaalwarenafdeling waren hierin ondergebracht. De leiding was in handen van Willem Giskes, die naast de nodige Philipsjaren ook ervaring bij automobielbouwer DAF en apparatenfabriek Hazemeyer op zijn naam had staan. Nog datzelfde jaar startte ook de productie van bandrecorders, pick-upkoppen en de daarvoor benodigde kristalplaatjes. Vanzelfsprekend steeg hierdoor de personele behoefte en op 5 januari 1956 kon de vijfhonderdste medewerkster worden verwelkomd. In de loop van dat jaar startte de bouw van een derde hal, waarin de vervaardiging van luidsprekers zou gaan plaatsvinden. Onderdeel van dit productieproces was o.a. een ‘conusschepperij’, waarin dit sleutelonderdeel van de luidspreker uit papier-maché werd gevormd. Toen eind 1957 ook de galvanische afdeling (waar onder meer metaalcomponenten ‘vercadmiumd’ werden) zijn intrek nam in een nieuw gebouw, waren de bouwactiviteiten voorlopig ten einde gekomen. De berichtgeving zou zich daarna enkele jaren beperken tot mijlpalen en productpresentaties. In de eerste categorie ging het dan bijvoorbeeld om de 500.000ste platenspeler op 16 juli 1958 en het 1500ste personeelslid op 10 november 1959. Nieuwe producten die van de band kwamen waren in 1957 de Mignon platenspeler, waar het 45-toerenplaatje via een gleuf ingeschoven kon worden (geschikt voor gebruik in de auto) en in 1958 de viersporenbandrecorder voor verbeterde geluidsweergave.  Afbeelding 4: Magneetbanden en Compact Cassettes, waarvoor in Hasselt de afspeelapparatuur werd geproduceerd.

De introductie van de cassetterecorder, een uitvinding van Lou Ottens, betekende een voorzetting van de stormachtige groei van de Hasseltse Philipsfabriek. Dit had ook te maken met een verandering in het internationale productiebeleid dat de Philips tegelijkertijd doorvoerde. Was de fabricage van haar apparaten voorheen nog verdeeld geweest over vestigingen in diverse landen die voor nationale markten produceerden, de cassetterecorder was een mooie gelegenheid voor een efficiencyslag op dit gebied. De productie van dit nieuwe apparaat werd voor de gehele Europese markt nu in twee fabrieken geconcentreerd, waarvan Hasselt de belangrijkste was. De toename in productieomvang die hiervan het gevolg was kan min of meer worden afgeleid uit de bereikte mijlpalen. Eind 1963 verliet het miljoenste exemplaar van de bandrecorder de fabriek, acht jaar nadat deze in productie was genomen. Diezelfde mijlpaal werd voor de cassetterecorder reeds in 1968 bereikt, dus ruim vier jaar na productieaanvang. Het personeelsbestand groeide in diezelfde jaren tot ruim drieduizend medewerkers. Begin jaren zeventig zou dit met ruim vijfduizend een maximum bereiken. Dit ‘economische wonder’ van de Belgische Kempen trok veel belangstelling. Van hoogwaardigheidsbekleders, zoals de groothertog van Luxemburg in 1967, tot het grote publiek dat tijdens de opendeurdag van 1969 massaal toestroomde. Vooral de ‘dode kamer’ in het productontwikkelings-laboratorium, met zijn sciencefictionachtige geluidsisolatie, trok bij deze gelegenheid veel aandacht. Aan de top had toen net een wisseling van de wacht plaatsgevonden. Eind 1968 was op grootse wijze afscheid genomen van Willem Giskes, waarna Lou Ottens hem als directeur was opgevolgd.Afbeelding 5: Reclameaffiche voor de Philicorda, een elektronisch orgel dat in Hasselt werd geproduceerd en bekend stond om zijn bedieningsgemak en goede geluidskwaliteit.

Het was niet alleen het feit dat de fabriek in Hasselt haar ‘sporen’ had verdiend met de ontwikkeling en productie van de compact cassette, dat ze twintig jaar later ook spelers voor de compact disc ging produceren. De videoplatenspelers waren in 1980 al in productie genomen en hoewel commercieel succes uitbleef deed men zo wel ervaring op met wat men al snel ‘optical storage technology’ ging noemen.  Deze mocht dan wel binnen het Natuurkundig Laboratorium van Philips tot stand gekomen zijn, er bleven nog genoeg uitdagingen over voor het ontwikkelingslaboratorium in Hasselt om tot betrouwbare afspeelapparaten te komen die in grote hoeveelheden geproduceerd konden worden. Medio 1983 startte de fabricage van de eerste van drie types, de kleine CD100, waarbij de disk nog aan de bovenzijde in het apparaat moest worden geplaatst. Later werd een uitschuifbare lade de standaard. Het personeelsbestand, dat in tien jaar tijd was gedaald van vijfduizend tot minder dan drieduizend ten gevolge van het beëindigen van diverse activiteiten, oversteeg binnen enkele jaren weer het aantal van vierduizend. Was er nog vijf jaar overheen gegaan om één miljoen cassetterecorders te produceren, nu was met de cd-speler die mijlpaal in drie jaar tijd bereikt. Ruim voor die tijd hadden wederom diverse prominenten de fabriek bezocht om met eigen ogen de assemblage van deze revolutionaire geluidsapparatuur te kunnen aanschouwen. Zo had men op 9 april 1984 de eer om Koning Boudewijn rond te leiden door de productie-, test- en ontwikkelingsafdeling van de fabriek.

In 1991 lanceerde Philips een CD-format waarmee naast geluid ook filmbeelden op televisie afspeelbaar waren. Het systeem kreeg de naam CD-interactive of CD-i omdat er een joystick bijgeleverd werd om spelletjes te spelen, door een encyclopedie met beeld- en geluidsfragmenten te ‘bladeren’ of virtueel door een museum of beroemde stad te wandelen. Daarmee belandde men echter in het vaarwater van de computerindustrie die dankzij de Personal Computer (PC) sterk in opkomst was en voor een eigen CD-variant had gekozen, de CD-rom (read only memory). De consument bleek er de voorkeur aan te geven om ‘klassiek’ televisie te blijven kijken en voor deze nieuwe interactieve mogelijkheden een modern computerscherm of speciale spelcomputer (zoals Sony’s Play-station) te prefereren. Net als Philips na het floppen van haar eigen Video-2000 nog jarenlang VHS-recorders produceerde, ging het bedrijf er na stopzetting van het mislukte CD-i toe over om zogenaamde diskdrives te produceren voor inbouw in PCs. Te beginnen met CD-rom-lezers, maar later ook met de mogelijkheid om zelf ‘schijfjes te branden’, zoals het al snel in het computerjargon ging heten: de CD-recordable en CD-rewritable.Afbeelding 6: Het eerste model CD-speler, de CD100.

De afspeel- en opnameapparatuur voor al deze CD-varianten, inclusief vanaf 1998 de DVD-speler, werd in Hasselt geproduceerd. Daarbij had zich in vergelijking met het verleden wel een belangrijke verandering voltrokken. Hasselt kreeg de rol toebedeeld om het productieproces van nieuw ontwikkelde modellen na technische optimalisatie over te dragen aan  nieuwe vestigingen in Oost-Europa of het Verre Oosten ten behoeve van kosteneffectieve massaproductie. De negatieve consequenties hiervan voor de werkgelegenheid begonnen kort voor de eeuwwisseling zichtbaar te worden. Dankzij nieuwe producten als DVD-spelers en set-top-boxen voor digitale televisieontvangst was het personeelsbestand tot 1998 nog redelijk op peil gebleven. Een lichtpuntje voor de werkgelegenheidssituatie in de regio die weinig florrissant was ten gevolge van de mijnsluitingen die zich tussen 1987 en 1992 hadden voltrokken. Het bleek echter de laatste piek die nog bereikt zou worden. In de daaropvolgende jaren zette zich een gestage daling in tot de resterende 1450 medewerkers op 3 december 2002 te horen kregen dat hun fabriek gesloten werd.

Vooruitlopend op deze sluiting was er in 1999 op bestuurlijk niveau al actie ondernomen om in de toekomst op deze locatie nieuwe bedrijvigheid aan te trekken, hierbij lessen trekkend uit het recente verleden van de mijnsluitingen. Zo kwamen de Limburgse Reconversiemaatschappij, Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Limburg en de gemeente Hasselt tot oprichting van de vennootschap Research Campus Hasselt (RCH). Deze werkte nog enige jaren samen met Philips en ging na de sluiting over tot aankoop van grond om nieuwe bedrijven in de gelegenheid te stellen om zich er te vestigen. In 2011 waren er inmiddels weer tweeduizend mensen werkzaam voor een totaal van veertig bedrijven. De campusfilosofie indachtig om gemeenschappelijke faciliteiten centraal te organiseren ving een jaar later de bouw aan van een service center voor catering, conferencing en shopping. De Philips-hallen aan de zuidwestzijde van het complex moesten plaatsmaken voor dit gebouw dat door architectuur, spiegelglas en grasdak een blikvanger werd. De watertoren, die al meer dan een halve eeuw beeldbepalend was, bleef wel behouden Samen met de jarenvijftiggebouwen vormt deze het industrieel erfgoed dat zal blijven voortbestaan op de campus, waarvan de naam ‘Corda’ (Italiaans voor ‘snaar’) uiteraard  een verwijzing vormt naar de Philipstijd die in het teken stond van afspeelapparatuur voor muziek.